Natuur bedwongen tot sacrale kunst

‘Albero-porta’ (boom-deur), 1993-1995, hout, 250 x 120 x 120 cm. kunstwerk van Giuseppe Penone

Tentoonstelling: Giuseppe Penone. T/m 25 feb in Museum Kurhaus Kleve, Tiergartenstrasse 41, Kleef. Di t/m zo 11-17. Inl: 0049-2821-75010, www.museumkurhaus.de

De Italiaanse kunstenaar Giuseppe Penone is heimelijk een druïde, een Keltische tovenaar die zich in de bossen ophoudt en voor wie de natuur geen geheimen kent. Natuurlijk is dat niet echt zo, maar als je zijn tentoonstelling in Museum Kurhaus in Kleef ziet, klinkt die voorstelling van zaken toch behoorlijk overtuigend. Daar zijn foto’s te zien van een jonge Penone, met woeste krullenbol, die bomen omhelst.

Medio jaren zestig trok Penone (1947, Garessio) de bossen in en deed daar ‘ingrepen’. Hij vlijde zich tegen een boom aan, en legde zijn omtrek vast met ijzerdraad. Zo bleef zijn aanwezigheid zichtbaar. Of hij kneep in een boom met een bronzen hand en fotografeerde het resultaat. Tien jaar later maakte hij nog een foto: de boom groeide lustig door, met een opvallende verdikking waar de hand zat.

Penone is een van de voormannen van de arte povera, de kunststroming die in de jaren zestig door de Italiaanse criticus Germano Celant in het leven geroepen werd. Kunstenaars als Mario Merz en Giovanni Anselmo waren Penono’s vakbroeders. ‘Arme’, natuurlijke materialen werden gebruikt, vaak onderhevig aan tijd en verval. De kunst lag dicht bij de natuur en had een vaak ingetogen, dichterlijke schoonheid, juist door dat materiaalgebruik.

De Italiaan Giuseppe Penone legt de sporen vast die hij nalaat. Zijn expositie in Kleef, met werk uit zijn beginperiode tot nu, is één groot sporenonderzoek. Een vingerafdruk vergroot hij uit tot die lijkt op de jaarringen van een boom of de grillige hoogtelijnen op een plattegrond. In de catalogus legt Penone uit dat hij de mens als natuur ziet. Zijn eigen lichaam gaat een verbond aan met natuurelementen. Hij houdt van bomen vanwege hun concrete vorm, die niet zo vluchtig is als bijvoorbeeld water.

Veel van zijn werken hebben een gevoel van eeuwigheid in zich, de eeuwigheid waarin de natuur zich ontwikkelt. Die natuurkracht lijkt onbedwingbaar, maar Penone laat zich daar niet door weerhouden. Hij deelt speldenprikken uit, en beïnvloedt zo toch de loop der dingen. Als hij uit dikke planken de buitenste jaarringen weg polijst, blijft er een klein boompje over, met zijtakken die uitlopen in knoesten. Terug naar de kern. Ook destilleerde Penone de aders uit marmeren platen, zodat het nu lijkt alsof ze als dikke kabels op de steen liggen, in plaats van erin verzonken. Het zijn mooie beelden, die soms ook wel iets te dromerig kunnen zijn, iets te poëtisch. Het is zo mooi, dat het bijna zoet wordt.

Het Museum Kurhaus oogt dankzij Penone’s beelden als een sacrale ruimte, met name het zaaltje dat is gevuld met de installatie Respirare l’ombra (1999). De hele ruimte is volgepakt met laurierbladeren – een zware, muffe lucht vult de neusgaten. Aan een wand hangen twee longen, alsof het om heilige relikwieën gaat. Ze zijn gemaakt van bronzen laurierbladeren, uitlopend in een gekke bolle vorm: de mondinhoud. Het is een indrukwekkend kunstwerk, dat de bezoeker bijna benauwend omsluit. De lucht prikkelt longen en ogen, en tegelijkertijd voelt het er veilig en warm.

Naarmate Penone’s werken jonger zijn, lijken ze steeds meer uitgesproken indruk te willen maken. Als Penone in de jaren zestig de bossen intrekt en er acties pleegt, houden die het midden tussen performancekunst en land art, maar zijn meest recente werk is veel sculpturaler, heeft grote formaten. Een zaal vol vellen zwart grafiet, Pelle di grafite (2004- 2006) is sacraal en efemeer tegelijk: onbegrijpelijke structuren in het grafiet zijn niets meer dan een vergrote huidafdruk met de grillige lijntjes die door de huid lopen. Het is nog steeds dezelfde thematiek als vroeger, maar dan imponerend, alsof het werk de muren moet kunnen sieren van belangrijke gebouwen.

Penone’s recente werk is weinig verrassend, maar dat is niet erg. Het is een standvastig oeuvre, dat van begin tot eind perfect bij elkaar past. Het blijft indrukwekkend. En nog altijd zie je de sporen van zijn eigen lichaam. Zo is Spoglia d’oro su spine d’acacia (bocca), (2001, 2002) een afdruk van zijn mond, uitvergroot tot wel twaalf meter lang. Een blaadje goud hangt precies tussen de lippen. Het is een huidafdruk van edelmetaal, een vluchtige afdruk gemaakt voor de eeuwigheid.

    • Machteld Leij