Ik zag daar iets wat alleen te beschrijven valt als een muur van vlees

Het begon als keelpijn met koorts, en vlak voor het weekend was het zo erg dat ik me alleen nog kon uitdrukken in basisklanken. Dat klonk zo: „Ih ah ie ih ih-uh.” („Ik kan niet meer drinken.”)

Dat ik niet meer kon praten, was één ding, sommige mensen vonden dat zelfs wel rustig. Maar dat ik niet meer kon drinken, dat leverde wel problemen op. Vooral omdat ik dan op den duur zou sterven. Maar ik hield al dagen vol dat ik niet naar de huisarts hoefde. Ten eerste omdat ik dacht dat ik ook zou sterven door de taxirit naar de arts toe, en ten tweede omdat ik wist dat daar de volgende dialoog zou plaatshebben:

Aaf: „Ih eh ij.”(„Ik heb pijn.”)

Huisarts: „Ga maar naar huis, neem een paracetamolletje, een sinaasappel, en lekker in bed blijven.”

Iedereen om me heen wist ook zeker dat de arts ‘paracetamolletje en sinaasappel’ zou zeggen. Ik geloof dat er onder mijn familie en vrienden niemand is die de afgelopen twintig jaar een ander recept meegekregen heeft dan paracetamolletje-sinaasappel.

Maar vrijdag werd het echt te gortig. Vriendin S. bracht me naar de huisarts en deed het woord, want het woord wilde niet meer uit mij komen. De arts scheen met een lampje in mijn mond, en schrok. Toen belde ze de andere huisarts, en vroeg of hij kwam kijken.

Ik wist wat ze had gezien, want ik had die ochtend zelf in mijn mond gekeken. Graag had ik jullie verteld dat ik daar een mooi kathedraaltje uit de zestiende eeuw zag, maar ik zag daar iets wat alleen te beschrijven valt als een muur van vlees. Een keelgat was niet te ontwaren.

Nu keken er twee artsen naar de muur van vlees, en ze waren het eens. Hier moest antibiotica in, en een medicijn dat ik totdantoe alleen bij mensen met een heel gemene ziekte had gezien. Een middel waarvan je een dik gezicht krijgt. Maar ik vond het best. Trouwens, ik kon niets zeggen, dus de medische stand kon alles in me stoppen, ik zou niet protesteren.

Toen vriendin S. en ik buiten stonden, besefte ik dat er iets vreemds was gebeurd. Ik had iets opgelopen wat niet met een sinaasappel te bestrijden viel. „Au,” zei ik. („Au.”)

Aaf Brandt Corstius

Lees alle columns van Aaf op www.nrc.nl/aaf

    • Aaf Brandt Corstius