Huis

Wie jong is, (ver)bouwt zijn eigen huis.

Wie ouder is, kijkt toe en denkt bij zichzelf: blij dat ik dat niet meer hoef te doen.

Ziedaar de rolverdeling tussen mijn jongste dochter en mij. Een dezer dagen trof ik haar met haar vriend in het huis aan dat ze enkele maanden geleden gekocht hebben. Een aardig huis uit de jaren dertig, „maar er moet nog wel veel aan gebeuren”, zeiden ze toen ze de koop gesloten hadden. Daarmee wist ik genoeg. Ik zag mezelf weer staan, dertig jaar geleden, in ook zo’n ‘aardig’, maar door de vorige eigenaar volledig uitgewoond huis, waarvoor hij desondanks met een roestvrijstalen gezicht een woekerbedrag vroeg dat me nog lang in mijn dromen achtervolgd heeft.

Maar ja, het was een aardig huis. En je was jong.

Met een mengeling van jaloezie en trots kijk ik nu naar de nieuwe generatie, die nog dat onbedorven elan heeft waarmee ruïnes in paleizen kunnen worden veranderd. Ze leggen meer zakelijkheid en doortastendheid aan den dag dan ik ooit bezeten heb. Vooral mijn dochter, die vroeger alleen onder dreiging met onmiddellijke uitzetting haar kamer hooguit twee keer per jaar wilde opruimen, is onherkenbaar geworden. Half Nederland reist ze af om ‘op adresjes van internet’ zo voordelig mogelijk spullen in te kopen.

Ze leidt me door haar huis en laat me zien waar leidingen zijn gelegd en muren doorgebroken. „Ik ben ook op mijn knieën door de hele kruipruimte onder het huis gegaan”, vertelt ze, en wéér moet ik even aan die kamer van vroeger denken.

Redden ze het financieel? „We zijn nog steeds binnen het bouwdepot”, zegt ze. Ik luister ernaar met een mond vol cement. Ik heb haar heus wel het een en ander geleerd, maar beslist niet hoe ze binnen bouwdepots moet blijven.

Ze praten over de wondere wereld van ‘de Slowaken’. Ook hier loop ik achter, want ik dacht dat het vooral Polen waren die onze eigen bouwjongens van stavast verdrongen. Slowaken schijnen nóg bezetener te kunnen werken. Tien uur per dag, tien dagen achter elkaar, ze draaien er hun hand niet voor om, als je ze maar op tijd de benodigde materialen levert, alsmede een kratje bier en een chemisch wc’tje. ’s Nachts slapen ze naast de kersverse resultaten van hun werk, want waarom zou je voor logies betalen als het gratis kan?

Ik voorzie veel faillissementen in de kleinere Nederlandse bouwwereld – totdat ook ‘de Polen’ en ‘de Slowaken’ besmet worden door ons welvaartsvirus. Daarna komen de Hunnen en de Vikingen misschien weer.

De vriend van mijn dochter vertelt opgewekt over de vrienden en familieleden die hij voor de verbouwing heeft gecharterd. Discreet verzwijgt hij waarom hij mij niet heeft gevraagd. „Hij kan nog niet eens zijn eigen kamer opruimen”, zal mijn dochter wel hebben gezegd (na overleg met mijn vrouw). Geboeid luister ik naar het verhaal over een meehelpende oom die na een leven als huisschilder aan ‘schildersziekte’ lijdt, veroorzaakt door het werken met giftige oplosmiddelen. Het leidt onder meer tot geheugenverlies.

Een geest die langzaam oplost in het werk dat hij doet. Griezelig. Zou het misschien op een bepaalde manier ook opgaan voor columnisten?

    • Frits Abrahams