Een echte sprintcultuur ontbreekt nog altijd

De nationale kampioenschappen sprint werden afgelopen weekeinde gedomineerd door middenafstandschaatsers. Specialisten op de 500 meter zijn in Nederland nog altijd dun gezaaid.

Groningen, 8 jan. - Duizend meters van wereldklasse, spanning tot het eind. Maar échte sprinters? De NK sprint in Groningen was bij de mannen vooral een strijd tussen specialisten op de middenafstand, gewonnen door Erben Wennemars, die tegenwoordig ook ambities heeft als allrounder. De eerste pure specialist op de 500 meter, de jonge Jan Smeekens, eindigde op de zevende plaats.

Jan Bos, nummer twee in de eindstand, was afgelopen weekeinde niet optimistisch over de kansen van de Nederlandse sprinters op de WK sprint, over twee weken in het Noorse Hamar. Hij baseert dat op de – naar internationale maatstaven – relatief zwakke 500 meters die de Nederlanders in de benen hebben, vergeleken met bijvoorbeeld de Koreanen Kang-Seok Lee en Kyu-Hyuk Lee, de Japanner Keiichiro Nagashima, maar ook de Fin Pekka Koskela, die het eerste deel van dit seizoen domineerden op de kortste afstand.

„Het wordt heel moeilijk. Die jongens rijden toch 0,4 of 0,5 seconde sneller op de 500 meter. Dan moet je op de 1.000 meter 0,8 goedmaken. Maar die jongens laten zich niet op zo’n achterstand rijden. Tot vorig jaar kon je de achterstand die je opliep op de 500 meter nog wel goedmaken, maar tegenwoordig rijdt iedereen ook een goede 1.000 meter.”

Het ligt volgens Bos louter aan de start, de eerste honderd meter. „Het schort aan de opening. Ik kan de 500 met uitschieters goed rijden, maar dan moet alles 110 procent zijn. Maar in de opening laat ik het altijd liggen.”

Hetzelfde geldt voor zijn ploeggenoot bij Telfort, Stefan Groothuis, de nationaal sprintkampioen van vorig jaar. Hij reed zaterdag in Groningen een baanrecord op de 1.000 meter, maar slaagde er nog nooit in op een 500 meter te openen onder de tien seconden. „Ik weet het, het is schandalig. Zodra dat gebeurt, ga ik uitspraken doen over het WK sprint. Het is bij mij puur techniek, ik verlies gigantisch veel op de eerste vijftig meter.”

Hoewel sprinters als Gerard van Velde en Erben Wennemars zich in het verleden ook op die kortste afstand wel eens in de wereldtop reden, is het probleem volgens Bos en Groothuis wel terug te voeren op een zwakke start. Groothuis: „Nederlanders openen gewoon veel te langzaam. Alleen Smeekens opent hier met 9,8 seconden, maar dat zijn nog openingen waar de Japanners om lachen. Eén van de problemen in Nederland is dat alle schaatsers al bij de junioren beginnen als allrounder, ook Bos en Wennemars. Ikzelf ook. Er zijn er niet veel die als sprinter beginnen.”

Peter Kolder, coach van de KNSB-opleidingsploeg, kent de oplossing. „Wil je dat veranderen, dan moet je vanaf de junioren een ander traject aanbieden. Kiezen voor de 500 meter en van daaruit de 1.000 meter ontwikkelen. In het verleden heeft Andrea Nuyt (tweede bij WK sprint 2002, red.) bewezen dat het zo ook kan. Nu laat Smeekens het zien. In Nederland hoort hij op de sprint bij de top en internationaal lijkt hij aan te sluiten. Hij is belangrijk, als voorbeeld voor de junioren van nu. Het kan toch niet zo zijn dat we op alle afstanden bij de wereldtop horen, en niet op de 500 meter?”

Jan Bos wijst op het gebrek aan een echte sprintcultuur in Nederland, zeker vergeleken met landen als Japan en Zuid-Korea. „Er heerst bij de junioren geen sprintcultuur. Als je 16 of 17 jaar oud bent, moet je echt kiezen voor sprinten. Maar er zijn te weinig sprintwedstrijden voor junioren. Japanners hebben dat wel, die rijden dan al een 500 meter in 34,6. Toen ik begon met schaatsen, wilde ik ook niet sprinten. De sprintcultuur in Nederland was nul. In die tijd viel je ook af als je een goede duizend meter reed, maar tekort kwam op de 1.500 meter. Zo’n schaatser ging terug naar de regio. En je zag hem nooit meer terug.”

Volgens opleidingscoach Kolder zijn er bij de junioren wel degelijk pure sprinters. „Neem Sjoerd de Vries, Jesper Hospes en Mayon Kuipers. Maar dan moeten ze wel wedstrijden als de NK sprint kunnen rijden. Tot nu toe mogen alleen neo’s en senioren meedoen aan de NK, hoewel er junioren zijn die hier op basis van hun tijden wel thuishoren. Alleen Laurine van Riessen mocht meedoen, omdat ze wereldbekerwedstrijden heeft gereden. Alle andere jonge 500 meter-rijders hebben alleen de NK afstanden in november en de NK sprint voor junioren in maart. In de tussentijd rijden ze juniorenwedstrijden voor allrounders, inclusief vijf kilometers. Die afstand is voor jonge sprinters te lang.”

Kolder constateert wel een omslag in denken. „Ik weet nu al dat er volgend jaar junioren mogen meedoen aan de NK sprint. Dit soort ontwikkelingen heeft tijd nodig.” Aan Wennemars, wereldkampioen in 2004 en 2005, is de discussie over de 500 meter niet besteed. „Kyu-Hyuk Lee rijdt nu heel hard, maar laat hem dat ook eens doen op de WK. Hij heeft nog nooit op het podium gestaan. Twee jaar terug reed ik in Salt Lake City een 500 meter in 34,6 terwijl ik in het voorseizoen amper de A-groep haalde.”

Nader bekeken: pagina 15

    • Maarten Scholten
    • Rob Schoof