Ambities van een rechtse PvdA’er

Ton Heerts geldt als belofte voor de PvdA. Omdat hij atypisch is. Hij zat bij de marechaussee, noemt zich rechts en vindt dat iedereen voor zichzelf moet zorgen tenzij het echt niet gaat. Een fanatiek nieuw Kamerlid, wars van linkse dogma’s.

Ton Heerts is geen typische vakbondsman. Het ontslagrecht mag van hem best soepeler. Foto Bas Czerwinski 05-01-2007, APELDOORN. TON HEERTS, PVDA. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Mensen die niet in zichzelf investeren, eten niet uit de rijksruif. Een uitkering moet je verdienen. We hebben geen tijd en geld meer voor de beroepswerkloze. Aldus Ton Heerts in oktober 2003, net vier maanden bestuurder bij de vakcentrale FNV.

Het zijn geen typische woorden voor een vakbondsman. Het is ook niet het typerende geluid van een sociaal-democraat. Toch is Heerts, na zijn snelle carrière bij de vakcentrale FNV, nu de hoogste nieuwkomer binnen de Tweede-Kamerfractie van de PvdA. Hij stond op de vierde plek op de kandidatenlijst. Wie hem kent, verwacht dat hij zal uitgroeien tot een gezichtsbepalend Kamerlid. Sommigen zou het niet verbazen als hij het in één keer schopt tot minister of staatssecretaris. Vandaag neemt Heerts afscheid van de FNV.

Ton Heerts (40) is een atypische PvdA’er. Hij was beroepskracht bij de marechaussee. Dat heeft hem gevormd, zegt hij, net als de waarden en normen die hij van huis uit meekreeg. Hij groeide op in het Twentse dorp Tubbergen, als jongste in een boerengezin met acht kinderen. Een katholiek nest, zoals vrijwel alle gezinnen in de omgeving, en solide CDA-groen.

Hij is geen lid van de ‘linkse kerk’ en dat maakt hem voor bewegingen die af willen van dit stigma juist zo aantrekkelijk. Zijn uitgangspunt, dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun lot, past bij het moderne linkse geluid dat de PvdA wil laten horen sinds de Fortuyn-revolte. Heerts, die van geen enkele politieke partij lid was en ook wel eens VVD heeft gestemd, kwalificeert zichzelf politiek als „uiterst rechts in de PvdA.”

De reden dat hij toch de PvdA verkoos boven de VVD is volgens hem ‘het verdelingsvraagstuk’. Heerts vindt dat bestuurders erop moeten letten dat de onderkant (in een bedrijf of de samenleving) altijd meeprofiteert van winstgroei en vooruitgang.

Binnen de vakbeweging geldt de combinatie van sterke eigen verantwoordelijkheid en solidariteit als ‘modern.’ Maar in Tubbergen was dat heel gewoon, zegt jeugdvriend Ard Goossen. „Ton’s vader was vrij streng. Als wij naar het zwembad wilden, dan moest eerst het hooi binnen. Dat deden we dan met zijn allen, zodat we eerder konden zwemmen. En op de kermis had Ton het meest te besteden, maar dat deelde hij met ons.”

Volgens Heerts’ oudste broer Johan is dat nog steeds zo. „Er bestaat ook een woord voor: noaberhulp. Boerenbedrijven die elkaar helpen, bijvoorbeeld bij ziekte of als er snel gehooid moet worden.”

Zijn omgeving prijst zijn trouw. Heerts trekt er nog elk jaar een paar dagen met zijn jeugdvrienden op uit, hij slaat geen verjaardag over, hij is niet bang om met de mensen om wie hij geeft van mening te verschillen, maar hij zorgt altijd dat de vriendschap geen schade oploopt. En hij is zorgzaam. Na de scheiding van zijn vrouw kreeg hij het co-ouderschap over zijn zoontje. Of hij nou vakbondsbestuurder is of Kamerlid, in het weekeinde staat hij langs de zijlijn op het voetbalveld.

Dat neemt niet weg dat hij zeer ambitieus is. Deze karakterschap openbaarde zich al op jonge leeftijd. Ton liep als jongen altijd voorop. Dat kwam deels voort uit nieuwsgierigheid, zegt zijn jeugdvriend Ard Goossen. „Als er een deur dicht zit, mag Ton altijd graag kijken wat erachter zit.”

Zijn broer Johan noemt, naast nieuwsgierigheid en speelsheid („Ton is een grappenmaker”) ook zijn „winnersmentaliteit”. „Hij heeft een bepaald fanatisme.” In zijn jeugd uitte zich dat vooral in sport, bij veeleisende triatlontrainingen met vroeg opstaan voor het zwemmen en avonden rennen. Maar ook in de vele kilometers die Heerts op de fiets aflegde tussen Tubbergen en Enschede om ‘zijn voetbalclub’ FC Twente te zien spelen.

Aan verliezen heeft Heerts een hekel, zegt Goossen. Heerts, die in eerste instantie een wat gesloten indruk maakt, deed indertijd mee met een wedstrijd waarbij hij een live sportverslag van de radio moest imiteren. Dat kon hij goed en deed hij op school wel vaker. Hij werd tweede („terwijl hij een Tour de France-verslag nadeed, en de opdracht een voetbalwedstrijd was”), en won een videorecorder. Maar Heerts was niet tevreden. „De eerste prijs was namelijk een auto. En als het binnen zijn bereik ligt, wil hij het ook hebben.”

Het was onrust en ambitie die maakten dat benjamin Heerts al het huis uitging toen andere kinderen van het gezin nog thuis woonden, zegt broer Johan. Hij wilde bij de marechaussee en begon in 1985 aan de opleiding in Apeldoorn. „De uitdaging, het spannende, dat paste bij hem.”

In zijn begintijd was Heerts een bedeesde jongen, met ontzag voor zijn meerderen, zegt Joost de Bruyn, die samen met hem de opleiding doorliep, zijn kamergenoot was en nog steeds hecht met hem bevriend is. „Op een keer schopte Heerts nogal woest een slipper uit. Die maakte een gat in het systeemplafond. Ton kneep hem vreselijk, hij was bang dat hij van de opleiding zou worden gestuurd. Hij heeft het meteen opgebiecht.” Inmiddels is Heerts niet meer zo gezagsgetrouw. „Voor bewindslieden heeft hij geen ontzag vanwege hun functie, alleen om hun opstelling in discussies.”

Dat beaamt Bart de Bleijker, die begin jaren negentig leiding gaf aan Heerts. Heerts was, na een periode waarin hij belast was met de beveiliging van prinses Margriet en mr. Pieter van Vollenhoven, inmiddels officier geworden. De Bleijker was commandant van een eskadron en Heerts, die ongeveer 35 man onder zich had, viel onder zijn gezag. Heerts gedroeg zich zelfstandig. „Als ik er niet was, maakte hij daar soms gebruik van. Niet dat hij dan hele gekke dingen deed, maar hij was niet bang om beslissingen te nemen.”

Het was in deze tijd, 1993, dat Heerts gevraagd werd voor het bestuur van de Marechausseevereniging (Marver), wat al snel zou leiden tot zijn volledige overstap naar de vakbeweging. De Bleijker vond het werk wel bij hem passen. „Het sociale gevoel van Heerts bestaat uit twee delen: een verplichtende én een zorgende kant. Heerts had hoge verwachtingen van mensen en sprak ze aan op hun verantwoordelijkheid. Maar als ze problemen hadden, kwam hij op voor hun belangen.”

Heerts bracht de Marver onder bij de militairenvakbond van de christelijke vakcentrale CNV. Hij vond dat de belangen van het personeel daar beter behartigd konden worden, omdat de Marver dan niet meer financieel afhankelijk was van de marechaussee. Al snel kwam hij terecht in het algemeen bestuur van de vakcentrale CNV.

Ook daar viel hij op door zijn gedrevenheid, zegt Tweede Kamerlid Gerda Verburg van het CDA. Zij zat van 1990 tot 1997 in het dagelijks bestuur van het CNV. „Hij was een jonge hond, met veel durf. Maar ook wel iemand die z’n zaakjes kende. Hij had altijd zoiets van: kom op mensen, er bovenop, we staan ergens voor. Jonge mensen met zo’n houding, vallen op.”

Heerts was in die periode veel op de televisie. Als vakbondsman betichtte hij Defensie ervan feiten te verdoezelen over het optreden van Nederlandse militairen in Bosnië. Hij zei bijvoorbeeld dat iemand bij Defensie de beruchte fotorolletjes – waar foto’s op zouden staan van lijken van Bosnische moslims die door Servische militairen waren vermoord na de val van de moslimenclave – had vernietigd. Heerts zei dat de officiële verklaringen niet klopten.

Hij beschuldigde Defensie er van vaker de feiten te verdoezelen. Verburg: „Dan zie je ook dat het een strateeg is: wat geef ik wel vrij en wat houd ik nog even achter. Dat kan hij heel goed. Hij heeft in die tijd wel een paar mensen buikpijn bezorgd.”

Heerts deed het zelfs zo goed dat hij in aanmerking kwam voor een functie in het dagelijks bestuur van de vakcentrale CNV. Hij solliciteerde en werd, als enige kandidaat, op het laatste moment afgewezen. Omdat dat volgens hem op oneigenlijke gronden gebeurde – niet christelijk genoeg, terwijl hem zou zijn verzekerd dat dat geen rol speelde – vertrok hij meteen bij het CNV en stapte over naar de militairenvakbond van het FNV. Hij nam de 4.000 leden van de Marver mee.

Daar was men bij het CNV niet gelukkig mee. Doekle Terpstra, destijds voorzitter van de christelijke vakcentrale: „Ik vond het onvolwassen gedrag.” Volgens Terpstra had zijn afwijzing niets te maken met een vermeend gebrek aan christelijke signatuur, maar solliciteerde Heerts naar de verkeerde functie. „Ik was zeer gecharmeerd van Ton, hij was inhoudelijk sterk, ambitieus, had gevoel voor politieke verhoudingen en wist hoe hij de media moest bewerken. Maar ik zag in hem niet de interne bruggenbouwer die we toen zochten, hij is geen echt verenigingsfiguur. De functie van secretaris-penningmeester vergt veel sensitiviteit voor wat er speelt binnen de vakcentrale en Ton is meer iemand voor de buitenboel.” Heerts bestrijdt dit: „Ze hebben me zelf gevraagd om te solliciteren die functie.”

Verburg weet Heerts’ vertrek vooral aan zijn ongeduld om verder te komen. „Ton wil altijd vooruit, met dossiers maar ook met zichzelf. Hij probeert dat wel onder stoelen of banken te steken, maar hij kan het niet helemaal verhullen.”

Wat de reden van zijn vertrek ook was, het is tekenend voor een andere eigenschap van Heerts die vaak wordt genoemd: rechtlijnigheid. Zijn vriend Joost de Bruyn: „Hij mag wel eens wat losser doen. Hij kan soms rechtlijnig en hard overkomen. Als hij iets zegt of doet, is hij ervan overtuigd dat dat juist is.” Jeugdvriend Goossen: „Ton is geen twijfelaar.”

Toch was juist die rationaliteit een reden voor toenmalig FNV-voorzitter Lodewijk de Waal om Heerts in 2003 te vragen voor het bestuur van de vakcentrale, een organisatie met 1,2 miljoen leden bij de aangesloten bonden: „Ik zag in hem een modern soort belangenbehartiger. Minder ideologisch, meer praktisch. Hij is niet zo’n klassieke vakbondsbestuurder uit de linkse kerk, die vindt dat in discussies over sociale zekerheid niet over misbruik mag worden gepraat. Heerts vindt dat je misbruik moet aanpakken.

Heerts gaat soms te snel voor zijn omgeving. In zijn redeneringen en in zijn loopbaan. Het is tekenend dat hij bij de militairenvakbond vertrok vóór hij klaar was met de hervorming. En bij de vakcentrale weg is terwijl hij er nog maar drie jaar zit.

Verburg: „Ik had Heerts nog niet in de politiek verwacht. Ik dacht: hij is bezig om een moeilijke periode in de vakbeweging door te komen, hij is bezig de vakbeweging te moderniseren. Zo lang zat hij nog niet in het federatiebestuur.”

In de fractie heeft Heerts voorlopig, tot er een definitieve verdeling is, een deel van de portefeuille sociale zaken overgenomen die de ervaren Saskia Noorman-Den Uyl achterliet. Maar zijn scherpte en werklust maken hem geschikt voor veel onderwerpen. En een ministerschap of staatssecretariaat? „Wat aan de vroege kant”, zegt Verburg. Maar het ís een snelle jongen.

Meer eigen verantwoordelijkheid. Dat is wat Heerts ook wil bereiken bij werknemers. De lessen die hij op de CNV-kaderschool kreeg van Jan-Peter Balkenende, toen nog hoogleraar, over een betere verdeling van de verantwoordelijkheid tussen overheid, sociale partners en de individuele werknemer, spreken hem nog steeds aan.

Dat idee keerde in 2004 ook terug in het Balie-document waarvan hij mede-initiatiefnemer was, een oproep van prominenten om werkgevers en werknemers meer zelf verantwoordelijk te maken voor de sociale zekerheid. Zoals bij de hervorming van de werkloosheidswet die Heerts voorstaat. De rol van de overheid moet volgens hem beperkt worden tot het vaststellen van het recht op een uitkering, de hoogte en de duur ervan. Waar de verzekering van het risico op werkloosheid dan wordt ondergebracht, is Heerts om het even.

Als zijn plannen weerstand oproepen, schrikt hij daar niet voor terug. Tweede Kamerlid Jacques Tichelaar (PvdA), die hem kent van de FNV en die hem binnenloodste bij de sociaal-democraten, zegt: „Hij durft zijn standpunten te wijzigen als hij ziet dat dat in het maatschappelijk belang is, en hij is niet bang om de confrontatie met zijn achterban aan te gaan.”

Neem de versoepeling van het ontslagrecht. Tichelaar: „Dat is een heel gevoelig onderwerp binnen de vakbeweging. De simpelste houding zou zijn: wij zijn ertegen, punt uit. Maar Ton zoekt de scherpte op. Als werkgevers beloven dat zij gaan investeren in scholing, dan valt er wat hem betreft best te praten over flexibilisering van het ontslagrecht. Hij durft zich kwetsbaar op te stellen. Als hij kritiek krijgt van de achterban, houdt hij zijn rug recht. Daar maakt hij ook wel eens vijanden mee.”