Zelfs de krekels en de kamelen zijn stil

In een karavaan trekken langs lege waterputten en verdroogde oases maar ook langs moeilijk begaanbare duikplaatsen waar het koraalrif nog gezond is. „Wie hier geweest is, gaat niet meer weg of komt altijd terug.”

Duiken en kameel rijden in de Golf van Aqaba en de Sinaï Foto Joachim Rode Rode, Joachim

Oscar Garschagen

‘En wij hebben uit het water al het levende gemaakt….”, mompelt Hajamar Al-Mezena als hij in de ochtendschemering het vuur opstookt en de zwartgeblakerde theeketel in de houtskool plaatst. Zonder zoete bedoeïenenthee kan zijn dag niet beginnen. De dauw trekt op in de Sinaï, de zon gluurt over de gekartelde bergrand die Wadi Rasasa begrenst en de blauwzwarte schaduwen verdringt. De kamelen – Rashid, Shaialan en Taben – knagen luidruchtig op doornstruiken en takken van acacia’s.

Hajamar, onze 75-jarige gids en kamelendrijver, werkt het religieuze ochtendritueel af met een citaat uit ‘De Profeten’, de 21ste soera in de Koran: „En wij hebben uit het water al het levende gemaakt. En zullen zij dan niet geloven....” Hij slaat een klomp donkerbruin deeg plat en legt het behoedzaam in de gloeiende as.

De Sinaï blijkt deze frisse winterochtend namelijk niet te zijn bedekt „met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde ligt” (Exodus 16:2). Manna, leerden de Israëlieten, die hier volgens het bijbelse verhaal langs kwamen op weg naar het beloofde land: „Het leek op korianderzaad, maar dan wit en het smaakte naar zoete honingkoek.” In plaats daarvan serveert Hajamar na een uurtje warm, ongedesemd brood en schroeft hij de deksel van de potten pindakaas en jam.

Klaagden de Israëlieten tijdens hun veertigjarige zwerftocht door de onherbergzame Sinaï veelvuldig over de talrijke ontberingen en verlangden zij hevig naar de gevulde vleespotten in Egypte, onder Hajamars leiding ontbreekt het ons aan niets. Zijn oude meel- en rijstzakken bevatten een grote variëteit aan proviand, zelfs chocoladekoekjes en sterk geurende, maar toch heel smakelijke vis.

Mozes en zijn volgelingen werden tijdens hun veertigjarige reis geleid door de Heer; wij duiknomaden trekken in vier dagen onder leiding van Hajamar en Said Khedr van Desert Divers in Dahab in een grote lus door het nationale park Abu Galum.

Eerst voert de tocht langs de kust van de Golf van Aqaba tot aan Ras Mamlah, om afgelegen duikplaatsen te inspecteren en vervolgens trekken wij de grimmige bergen in, om via de Al-Hadba-pas terug te keren in het bedoeïenengehucht Abu Galum ten noorden van Dahab.

„Taieb, oké, dit wordt dus de speciale NRC-waterreis”, lacht Said Khedr, een van de eerste bedoeïenen in Zuid-Sinaï die het traditionele woestijnleven verwisselden voor het organiseren van gecombineerde duik- en woestijntochten. Onthaasten krijgt hier opeens en voor het eerst inhoud: mobieltjes en radio werken niet of slecht, het tempo is shway, shway. Dit Arabisch voor ‘langzaam, langzaam’ ligt in de monden van Hajamar en Said bestorven. De woorden klinken als het zacht schurende geluid van kamelenvoeten op de rotsen.

Het ritme, de dagindeling, worden begrensd door zonsopgang (vijf uur) en zonsondergang (half zes). Hajamar is nog lang niet toe aan een rollator, maar zijn ogen zijn slecht en in het donker kan hij niets vinden in de proviandzakken: „Allah, Allah. Disaster, disaster, no sugar. No sugar, no tea. Disaster”. Dus geen nachtelijke expedities. Als de kamelen zich voor negenen op hun zij rollen en Hajamar zich in dekens wikkelt, gaan de zaklampen uit en zwakken de gesprekken bij het laatste vuur langzaam af.

Op het ruige, driehoekige schiereiland – in de wordingsgeschiedenis van het jodendom en het christendom een mythische locatie – heeft het dezer dagen niet gedonderd of gebliksemd, ook niet bij het aanbreken van de derde dag (Exodus 17). We hebben geen ramshoorn luid horen schallen.

Integendeel, de nachten passeren in een nooit eerder ervaren, oneindige stilte – zelfs de krekels en de kamelen zwijgen. Geen spoor van rook belemmert het zicht op de sterren, laat staan dat overdag dreigende wolken de zon afschermen, maar dat de mens hier vatbaar is geworden voor de één-God-gedachte is niet verbazingwekkend.

Er schuilt een bijzondere aantrekkingskracht in het grimmige, maar tegelijkertijd ook beschermende, lege landschap, het slagveld waar alle grote Arabisch-Israëlische oorlogen zijn beslist. Er is niemand, op een paar vissende bedoeïenenfamilies en enkele nakomelingen van de Israëlieten na.

Twee joodse jongens, herkenbaar aan gebreide kippa’s, slaaplokken, gebedshemden en een naakte hippie met een wilde haardos hebben het negatieve reisadvies genegeerd van de Shin Bet, de Israëlische veiligheidsdienst. „Weirdo’s, ze houden van onze speciale sigaretten”, meent Said te weten. Misschien, maar zij kunnen net zo goed gegrepen zijn door de eerste boeken van de Pentateuch (het Oude Testament), prachtig geschreven, literaire reisreportages.

Hajamar leidt onze kleine karavaan – de kamelen zijn zwaar beladen met duikuitrustingen, kampeerbagage, proviand en jerrycans – langs duikplaatsen, en langs de lege waterputten en verdroogde oases. De enige overeenkomst met de beschrijving van het leven in bijbelse tijden is de schaarste aan water en rond het middaguur is de Sinaï inderdaad „een smeltoven” (Exodus 19), zelfs in de winter.

Geen pas tussen de bergwanden, die getekend zijn met purperen, zwarte en roestbruine lijnen, is Hajamar of zijn kamelen te steil, geen door wind en zand uitgesleten pad te glad. Als het maar shway, shway gaat.

Ondertussen geeft hij rijles en leer ik Rashid, een zeventienjarige Sinaï-kameel te laten opstaan en knielen. Domme beesten, zegt Hajamar waarschuwend en hij deelt zo nu en dan een stevige mep uit. Vermoedelijk zouden de bedoeïenen in de oudheid nooit hun paarden met de joden hebben geruild voor de uit Amerika afkomstige kamelen als de beesten niet zolang zonder water (minstens drie dagen) kunnen.

In zijn lange leven is Hajamar behalve bouwvakker (in Eilat en Jeruzalem), vrachtwagenchauffeur (voor de joodse kolonisten) en kamelendrijver ook nog een tijd herder geweest. Vanuit Abu Galum – een gehucht met houten keten, twintig families en omheinde kamelenrennen – leidde hij twintig jaar geleden zijn schapen de bergen in om te grazen in de oases. Dat is nu niet meer mogelijk.

De ondergrondse cisternen in het zuiden en het midden van de Sinaï zijn opgedroogd of worden afgetapt ten behoeve van Sharm-El-Sheikh en Dahab (goud). Alleen een pijpleiding verbindt Abu Galum met de oases achter de berg (Gebel Musa) waar Mozes de tien geboden ontving én waar in het Sint Katherina-klooster de toeristen langs een altijd groene bramenstruik schuifelen die volgens de overlevering heeft gebrand toen Mozes kennismaakte met God.

Water heeft niettemin voor nieuwe inkomstenbronnen gezorgd. Schoon bronwater is business, zo hebben de bedoeïenen ontdekt en ze verkopen vanuit Abu Galum jerrycans van twintig liter aan de inwoners van Dahab. Dagelijks vaart een bootje heen en weer naar Dahab, waar het water wordt gebotteld.

Het transport per kameel over het pad langs de zee is onvoldoende efficiënt bevonden. Hajamar: „Die jonge jongens rijden trouwens liever in een Toyota dan op een kameel.’’ Bij het horen van de prijs die in Nederland wordt gevraagd voor een nietig flesje mineraalwater kijkt hij wazig naar de hemel. De bedoeïenen vragen minder dan een euro voor tien liter.

Hajamar en Said zijn de eerste bedoeïenen die met hun kamelen de moeilijker bereikbare duikplaatsen hebben ontsloten. Hajamar was de eerste die bij wijze van experiment duiktanks, trimvesten en zelfs compressoren op zijn kamelen laadde. En Said zette de eerste trektochten uit, die verder gaan dan de Blue Hole en Gabr el Bint, het door hem ontdekte Graf van het meisje. Sinds zijn aankomst in Dahab in de jaren tachtig is dat de specialiteit van zijn nog altijd kleinschalige onderneming, die hij samen met zijn Canadese vrouw leidt.

„De Egyptenaren en de politie willen de toeristen het liefst in Sharm El-Sheikh en in Dahab houden. Daar zijn de meeste hotels en restaurants waar de Egyptenaren werken”, vertelt Said. Toen hij zich hier definitief vestigde in de jaren negentig werd net begonnen met de aanleg van elektriciteit, een voorziening die in Abu Galum nog lang op zich zal laten wachten als het aan het gouvernement én Kaïro ligt, weet hij zeker.

Nationaal park Abu Galum wordt door de Egyptische politie aan twee zijden bewaakt met het argument dat Dahab beschermd moet worden tegen terroristen. Er zijn aanslagen gepleegd door geradicaliseerde bedoeïenen uit het noorden, dat is juist. Het betreft de Al-Zawarka’s, een clan waarover de andere families meestal alleen met de grootste minachting spreken omdat zij zelfs varkensvlees (haram) en ezels eten.

Hajamar en Said verdenken de bepaald niet geliefde Egyptenaren echter van commerciële bijbedoelingen. „Sinds de farao’s houden de Egyptenaren niet van de natuur, de woestijn en de Sinaï”, vertelt Said. Dat is inderdaad lang het geval geweest, maar sinds de Israëliërs in 1982 de Sinaï teruggaven aan de Egyptenaren – een besluit dat de bedoeïenen nog altijd betreuren – is daarin verandering gekomen.

De Sinaï wordt nu weliswaar vooral beschouwd als een melkkoe, gebieden als Ras Abu Galum zijn afgeschermd. De parken zijn gelukkig te groot voor bewegwijzering, voorgeschreven kampeerplaatsen, nutsvoorzieningen en ander comfort, de duikplaatsen blijven vooral door gebrek aan middelen en politieke belangstelling ongemarkeerd en voor de beginners moeilijker toegankelijk. Egyptische nonchalance en desinteresse hebben voordelen, want door de afwezigheid van hotels, kunstmatige strandjes en grote groepen duikers is het kilometerslange koraalrif gezond.

Onderwater gidst Said ons over velden met sla-koraal, huizenhoge waaiers, hersenkoraal en paarse en rode pilaren, meestal toegankelijk via kloven, lagunes of zacht glooiende zandhellingen. We maken lange ondiepe duiken (maximale diepte 28 meter), ongehinderd door technisch malheur en onervarenheid die groepsduiken soms kunnen vergallen. En de compressor staat altijd geduldig te wachten op de kampeerplaatsen, een verlaten vissershut of een bedoeïentent.

Grote vissen, het is bekend, mijden de Golf van Aqaba, hoewel we stevige groupers, kleine schildpadden en jonge rifhaaien, nog schuwer dan gebruikelijk, hebben gesignaleerd. De noordelijke uitstulping van de Rode Zee is vooral een kraamkamer met ‘voedselstations’ voor duizenden soorten vis, schildpadden en dikke, donkergroene alen.

Hier hebben de duikplaatsen nog geen eigen namen of zijn ze nog niet vernoemd naar markeringen op het land, een hut, het begin van een wadi of het radarstation van de internationale waarnemersmacht die in de Sinaï is gestationeerd na het vertrek van de Israëliërs, niet in bijbelse tijden, maar in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Said Khedr, na de laatste duik in een kloof die is ontstaan na de aardbeving van 1994 en waar een paar jaar geleden drie duikers zijn omgekomen: „Wie hier geweest is, gaat nooit meer weg of komt altijd terug. Je wordt hier aangeraakt door een speciale energie. Je voelt die energie niet meer overal in de Sinaï: niet in Sharm en ook niet in de Gekleurde Ravijn, maar hier in Abu Galum wel. Of je moslim, christen of jood bent, maakt niet uit. We geloven toch allemaal in één God. Hier wordt je aangeraakt.” En dat valt niet te ontkennen.

    • Oscar Garschagen