Wishful thinking

Filosoof Fred Muller schreef vorige week in deze bijlage dat er zich een fundamentele verandering aftekent in het Nederlandse filosofie-onderzoek. Maar dat is niet zo, betoogt Jos de Mul.

Waar vroeger de continentale – Duitse en Franse – filosofie domineerde, schreef Muller vorige week, daar wint nu de Anglo-Amerikaanse filosofie gestaag terrein. Niet langer Heidegger en Foucault, maar wetenschapsfilosofen als Popper en Putnam zetten de toon. Muller heeft daar ook een verklaring voor. Waar continentalen zich door de kunst laten inspireren tot het schrijven van essays vol idiosyncratische metaforen, daar schitteren de Anglo’s, in navolging van de natuurwetenschappen, door logisch redeneren en het collectief oplossen van problemen. Het is dan volgens Muller ook niet verwonderlijk dat het onderzoek van de Anglo’s in de recente onderzoeksvisitatie van de QANU (Quality Assurance Netherlands Universities) zo goed is beoordeeld en dat de Anglo-proefschriften als tulpen uit de poldergrond schieten.

Een prikkelend betoog. Jammer alleen dat het niet klopt. Dat Muller in zijn betoog een even karikaturaal als achterhaald beeld schetst van de tegenstelling tussen continentale en Anglo-Amerikaanse filosofie is nog tot daar aan toe, maar dat hij zich beroept op het QANU-rapport riekt naar boerenbedrog.

Niets in dit rapport wijst op een fundamentele verschuiving richting Anglo-filosofie. Wanneer we het naast het vorige visitatierapport uit 2000 leggen, wordt onmiddellijk duidelijk dat het aandeel van beide tradities nagenoeg gelijk is gebleven. Ook de suggestie dat de Anglo-filosofie de continentale kwalitatief voorbijstreeft, wordt door het rapport gelogenstraft. Het tegendeel lijkt waar: over de gehele linie genomen is de kwaliteit van de Anglo-Amerikaanse wetenschapsfilosofie volgens de pikant genoeg geheel uit Anglo’s bestaande commissie sinds 2000 juist afgenomen. Weliswaar is de kwaliteit in Utrecht en Rotterdam licht gestegen, maar daar staat tegenover dat de Groningse, Nijmeegse en Tilburgse wetenschapsfilosofen in sterkere mate zijn teruggevallen. Continentale filosofen uit Nijmegen, Twente en Rotterdam worden door de commissie daarentegen juist beter beoordeeld dan in 2000 en zij scoren daardoor hoger dan de laatstgenoemde Anglo’s. De verschuivingen spelen zich overigens grotendeels af op de schaal tussen ‘very good’ en ‘excellent’. Maar duidelijk is dat het op basis van het QANU-rapport onzinnig is te spreken van een fundamentele verschuiving richting Anglo-Amerikaanse filosofie.

tulpen

Ook Mullers stelling dat de Anglo-proefschriften in tegenstelling tot continentale als tulpen uit de poldergrond schieten, dient met een stevige korrel zout te worden genomen. Als ik Rotterdam als voorbeeld mag nemen: de onderzoeksgroep waartoe Muller behoort, bracht in de gevisiteerde periode vier proefschriften voort. Aan die universiteit vonden in de even grote continentale onderzoeksgroep in diezelfde periode ruim twee keer zoveel promoties plaats.

Opvallend is dat Anglo’s nogal kwistig zijn met cum laudes, maar dat zegt gezien het oordeel van de commissie meer over eigendunk dan over wetenschappelijke kwaliteit. Ik heb in de promotiecommissie van twee van de vier door Muller genoemde proefschriften gezeten en zonder afbreuk te willen doen aan hun bovengemiddelde kwaliteit, waren ze ook naar mijn mening niet beter dan de betere continentale proefschriften die ik in dezelfde periode heb mogen beoordelen. Dat Anglo-proefschriften gebaseerd zijn op artikelen die in internationale, peer reviewed tijdschriften met aanzien zijn gepubliceerd, is zeker een indicatie voor hun kwaliteit. Maar de continentale traditie, die veeleer gebaseerd is op boekpublicaties, kent een vergelijkbare kwaliteitswaarborg. Zo zijn er de afgelopen periode verschillende continentale proefschriften door vooraanstaande academische uitgevers geaccepteerd op basis van internationale peer review. Bijvoorbeeld Peter-Paul Verbeeks in Twente verdedigde What Things Do. Philosophical Reflections on Technology, Agency and Design (Penn University Press, 2005) en André Nusselders in Rotterdam verdedigde Interface Fantasy. A Lacanian Cyborg Ontology (Massachusetts Instititute of Technology Press).

onbevangen

Dat ik deze twee proefschriften als voorbeeld neem, is niet toevallig. Ze behoren beide tot de filosofie van de techniek en deze discipline behoort volgens het QANU-rapport samen met het historisch-filosofisch onderzoek tot het beste wat de Nederlandse filosofie te bieden heeft. Opvallend is nu dat de techniekfilosofen – behalve in Twente en Rotterdam ook actief in Delft en Eindhoven – onbevangen aanknopen bij zowel de continentale als de Anglo-Amerikaanse traditie. Volgens mij is het internationale succes van de Nederlandse techniekfilosofen er nu precies in gelegen dat zij niet slaafs Duitse, Franse of Anglo-Amerikaanse voorbeelden na-ijlen, maar deze op een originele wijze combineren.

Muller daarentegen houdt vast aan het clichématige vijandbeeld dat de logisch-positivisten in de jaren dertig van de vorige eeuw introduceerden. Daardoor blijft hij blind voor de werkelijkheid om hem heen. Hier vertoont hij merkwaardig genoeg gelijkenis met Hegel, de continentaalste aller denkers, die, geconfronteerd met de kritiek dat zijn systeem niet correspondeerde met de werkelijkheid, zijn criticus toebeet: “Um so schlimmer für die Wirklichkeit!”. Coherentie – dat ben ik van harte met Muller eens – is een lovenswaardige epistemische deugd, maar enige overeenstemming met de realiteit kan ook geen kwaad.

Jos de Mul is hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.