Waterlezen in houten oldtimers

Wedstrijdvaren in een open houten boot is voor de merenzeiler de ideale vakantie. Een sportieve trektocht door een typisch Hollands landschap van grote schoonheid.

De vakantiekeuze voor 2007 is net zo eenvoudig als die van een jaar geleden. We sturen de partner en de kinderen richting zon op reis en gaan zelf de wedstrijdbaan op. In Nederland, met een open zeilboot. Bij voorkeur een houten oldtimer van het type regenboog (ontwerp 1917), zestienkwadraat (1931), sharpie (1931), pampus (1933) of valk (1939).

Het is al verbazingwekkend dat deze bejaarde zeilklassen er nog steeds zijn, en het mag een wonder heten dat ze ook nog prachtig worden gerestaureerd of zelfs weer nieuw worden gebouwd. En dat er liefhebbers genoeg zijn die er bloedfanatiek mee varen. Het zijn toys for boys. Het bezit ervan is veeleisend; het wedstrijdzeilen ermee is een verslaving.

De echte junk zit van de vrije weekends in het voorjaar tot diep in het najaar op het water. Hij sleurt zijn boot mee van de Kaag tot aan Sneek en doet soms honderd of meer starts per seizoen. Goedkoop is zijn hobby niet, maar voor zichzelf spaart hij een trip naar Griekenland uit. Hij koopt daarvoor nieuwe wedstrijdzeilen, die knisperen in de wind. En hij weet: liever een goede slag ‘op Loosdrecht’ dan met het gezin naar Levkas.

Het seizoen begint met de Gouwe Ouwe-wedstrijden op de Kralingse Plas in Rotterdam. Ruim honderd houten zeilboten strijden hier traditiegetrouw het eerste weekeinde van mei in hun klasse om de eer – en een felbegeerd flesje kruidenbitter. Hoewel de wedstrijdzeilsport voor buitenstaanders moeilijk te doorgronden is omdat het spel zich doorgaans ver van het publiek afspeelt, is dat ‘op Kralingen’ anders. De boten varen letterlijk onder handbereik. De Plas biedt een compacte en attractieve wedstrijdbaan. Door de aanwezigheid van bomen en huizen is alertheid op winddraaiingen geboden. Het toeval speelt een rol, maar toch zijn het ook hier de beste zeilers die als eersten eindigen.

Zeilen is een ervaringsport. Toeren in een polyester valk is velen gegund. Maar weinigen beheersen het wedstrijdvaren tot in de vingertoppen. Het aardige is dat men het tot op hoge leeftijd kan beoefenen. Als stuurman althans. Fokkenisten en bemanningen moeten jong zijn, en lenig. Van hen wordt fysiek het meeste geëist. Een van de beste stuurlieden in de prachtige regenboogklasse – ‘de koningin der plassen’ – is een koene zeventiger die het water kan lezen en die weet wat de wind doet voordat de vaan is gedraaid. Maar oude ‘voordekkers’ zijn er ook: een tachtiger uit Rotterdam is afgelopen zomer aan boord van een valk nog in de trapeze gesignaleerd.

Wedstrijdzeilers zijn geen mooiweerzeilers. Ook bij veel wind of regen wordt er gevaren. Vanaf windkracht zeven en bij onweer besluiten wedstrijdcomités doorgaans tot uitstel, maar men gaat het water op, ‘met alles op en bij’. Wie wel eens in een valk onder vol tuig (grootzeil, genua en spinnaker) bij windkracht vijf heeft geplaneerd, loopt grote kans verslingerd te raken aan deze klasse, het snelste renpaard van de stal. Er zijn weinig dingen die gelukkiger maken.

Maar als het bij deze windkracht fout gaat, is het leed meestal niet te overzien. Bij een aanvaring is de zeven millimeter hechthout waarvan dit jachtje is gebouwd erg dun. Schades lopen snel tot in de duizenden euro’s. Een pampus – nieuwbouwwaarde circa 45.000 euro – is een varend dressoir; glimmend, perfect onderhouden, van gelagerd beslag voorzien en slechts met een goede allriskverzekering te dekken.

Van Kralingen trekt de wedstrijdkaravaan verder. In Noord-Holland naar het onherbergzame Alkmaardermeer. In Friesland naar Grou, Langweer en vanzelfsprekend Sneek; wedstrijdwater bij uitstek en bekend van de hardzeildagen tijdens de roemruchte Sneekweek in augustus. In Zuid-Holland en Utrecht gaat het naar de Reeuwijkse, Kager, Vinkeveense, de Nieuwkoopse en Loosdrechtse Plassen – en naar de uitgestrekte watervlaktes van de Braasem en de Westeinder. Bij harde wind uit westelijke richting kunnen daar aan lage wal, bij Kudelstaart en Vrouwentroost, golven van bijna een halve meter staan.

Dit is een van de aardige kanten van wedstrijdzeilen: men is op reis in eigen land, en vaart op plassen en meren van onvergankelijke schoonheid. De langeafstandstocht voor de valkenklasse op de Kaag is een van de mooiste wedstrijden die er zijn.

Onder een lage oktoberzon starten op het Zweiland voor de Kaagsociëteit 25 valken voor twee wedstrijden die boot en bemanning door het Zijl naar het Joppe voeren, door de Spriet en de Laeck naar het Vennemeer, door het Stoombotengat langs het Norremeer naar de Dieper- en de Eijmerspoel, de Spijkerboor, de Kever, de Boerenbuurt, de Ade, de Klei- en de Koppoel, de Diepenhoek en via de Sever terug naar het Zweiland, waar bij de sociëteit de finish ligt. Deze opsomming van namen omvat een oeroud waterlandschap, dat in gortdroge overheidsnota’s sinds jaar en dag het Groene Hart wordt genoemd. Het is een hart van water, dat landschappelijk zijn gelijke niet heeft.

De beste drie op de Kaag, plus hun bemanningen, krijgen een prijs: een voedzaam herfstpakket met spruiten, peen, uien, knoflook en een fles zoete rode wijn. Daar hebben ze twee dagen hard voor gestreden, elkaar geen millimeter toegevend.

Deze zeilers maken deel uit van een exclusief gezelschap dat zijn geheim zorgvuldig koestert: eigenlijk is dit mooier dan welke wereldreis ook.

    • J. van der Vaart