Vol van vervoering en vol van wanhoop

De Russische filosoof Lev Sjestov gunde Maria Stahlie een blik achter de muur waar geen plaats is voor de kleinzieligheid van de rede.

Ooit was ik in de gelegenheid (schrijver, geen kinderen, een goed af te sluiten Amsterdamse etage) om een jaar lang op een Grieks eiland in de Egeïsche Zee te wonen. De dagen van mijn bevoorrechte verblijf staken nogal af bij de dagen van de talloze Albanezen - slechtbetaalde gastarbeiders, onwelkome immigranten - die naar het eiland kwamen om als metselaar, steenhouwer of tegelzetter hun diensten aan te bieden. Op een warme oktoberavond zat ik op een vol terras waar iedereen goed zicht had op de uiterst geleidelijke wenteling van de sterrenhemel boven de zee. Er naderden zes Albanese mannen, te herkennen aan hun vermoeide tred en afgedragen kleding. Ze hielden halt bij het volle terras, ze bleken vier instrumenten bij zich te hebben... er klonk zonder voorafgaande waarschuwing scherpe muziek op en de twee oudste mannen begonnen te zingen. Nooit, niet daarvoor en niet daarna, heb ik mensen horen zingen zoals die twee als bij toverslag niet langer vermoeide Albanese gastarbeiders. Vól waren ze, vól van vervoering en vól van wanhoop... genadeloos hard, genadeloos verschoond van terughoudendheid persten ze de woorden en de klanken naar buiten die lucht moesten geven aan hun gemoed... maar het tegendeel werd bereikt want het lied maakte - zo kon worden opgemaakt uit hun gebaren - hun vervoering en wanhoop alleen nog maar sterker. Hun volheid was niet op te lossen, hoe ze ook tekeer gingen, en de slotsom was dat ze zichtbaar plezier beleefden aan de suprematie van hun barstensvolle gemoed.

Als het plan van Lev Sjestov (1866-1938) om een zangcarrière op te bouwen niet gefnuikt was door een leraar die zijn stem ontwrichtte, dan zou hij precies zo gezongen hebben als de twee onuitwisbare Albanese zangers op het Griekse eiland.

Het is met de nodige schroom dat ik hier Lev Sjestov (religieus denker) opvoer als een van mijn helden. Ik ben ontegenzeggelijk een oningewijde lezer van zijn werk, om te beginnen omdat ik - in de woorden van Czeslaw Milosz, net als Joseph Brodsky een bewonderaar van Sjestov - 'de genade van een geloof ontbeer'. (Milosz voegde hier overigens aan toe dat er niet-gelovigen zijn die, ondanks dat gemis, graag gerekend worden tot 'de arbeiders in Gods wijngaard'). Bovendien heb ik lang niet alles van hem gelezen, niet alleen omdat ik pas sinds vijf jaar van zijn bestaan afweet maar meer nog omdat ieder stuk dat hij geschreven heeft zo intens van toon en inzet is dat het tijd kost om het, als rijk voedsel, te laten bezinken. Toch kan ik er niet omheen dat zijn woorden, zijn zinnen, het kernidee waar hij jaar na jaar op hamerde, van grote invloed zijn op de huidige toestand van mijn literaire intuïties. Zijn kernidee vormt de bakermat van mijn laatste twee boeken en komt erop neer dat er een compromisloze strijd gevoerd moet worden tegen de zogenaamd eeuwig geldende inzichten van de wijsbegeerte, van de rede, over wat er wel en wat er niet mogelijk is in het bestaan. Lev Sjestov was zijn volwassen leven lang vól van deze strijd, en hoe meer hij er over schreef hoe voller hij werd van de vervoering en de wanhoop die verweven waren met zijn ideaal.

Ik heb Sjestov leren kennen toen ik, voor het eerst sinds mijn vroege studententijd, Dostojevski ging herlezen en bij toeval als eerste boek Aantekeningen uit het ondergrondse (1864) ter hand nam. Dit boek - dat ik nooit gelezen had - stond, met zijn onaangename en a-morele verteller, haaks op wat ik me van Dostojevski meende te herinneren maar het greep me, om redenen die ik niet kon bevatten, diep aan. Ik ging te rade bij A History of Russian Literature van D.S. Mirsky, niet alleen volgens Nabokov het beste boek over de geschiedenis van de Russische literatuur. Mirsky maakte me wijzer over Dostojevski's Aantekeningen, en wat meer was, hij roemde ene Lev Sjestov - volgens hem de helderste, meest geconcentreerde, meest klassieke stilist van de moderne Russische letteren - als de grootste commentator van het werk van Dostojevski. En zo kwam het dat ik de Engelse vertaling van een boek uit 1902 onder ogen kreeg waarin Sjestov in een gedreven betoog doordringt tot in de ziel van het werk dat volgens hem centraal staat in het oeuvre van Dostojevski.

In zijn studie maakt Sjestov duidelijk waartoe een lezer in staat moet zijn om Dostojevski in zijn 'exploderende' Aantekeningen te kunnen volgen: 'Een lezer die in de buurt van Dostojevski wil komen moet een reeks van exercitia spiritualia volbrengen: hij moet uren, dagen, jaren verwijlen temidden van wederzijds tegenstrijdige vanzelfsprekendheden. Er is geen andere manier. Alleen zo kan men werkelijk bevatten dat logische en natuurwetten geen eeuwige maar slechts een tijdelijke geldigheid bezitten, dat de dood van ieder afzonderlijk mens de onwrikbare waarheid dat ”tweemaal twee vier is” kan versplinteren, dat God altijd alleen maar het onmogelijke verlangt, dat het lelijke eendje kan veranderen in een schitterende witte zwaan, dat alles in de schepping een begin heeft maar geen einde kent, dat grilligheid meer om het lijf heeft dan zekerheid, dat leven gelijk staat aan dood en dood gelijk staat aan leven... alleen zo kunnen deze en andere ondermijnende, vreesaanjagende waarheden bevat worden die ons vanaf iedere bladzijde van Aantekeningen uit het ondergrondse bespringen.' Sjestov was een jaar of vijfendertig toen hij op volle grootte zag dat Dostojevski's uiterst wilde en vreemde verhaal beschouwd moest worden als de meest radicale aanklacht uit de moderne geschiedenis tegen de menselijke rede, de menselijke kennis. De Aantekeningen vormden niet alleen een waterscheiding in het schrijverschap van Dostojevski maar ontketenden ook de geestkracht van Sjestov: hij begon zich met een intimiderende vasthoudendheid te verdiepen in alle episoden van de westerse wijsbegeerte om beter en beter te begrijpen welke horreur er besloten lag in het recht dat de abstracte rede meende te bezitten om met zijn als onontkoombaar voorgestelde wetmatigheden ademende, lachende, huilende, zoekende, hopende, vrezende individuen te tiranniseren.

Lev Sjestov - geboren in Kiev en gestorven in Parijs - was tegen de wens van zijn joodse vader in getrouwd met een Russisch-orthodoxe vrouw die in Italië medicijnen had gestudeerd. Als arts droeg zij zorg voor het leeuwendeel van de inkomsten van hun gezin (ze kregen twee dochters; een buitenechtelijke zoon van Sjestov sneuvelde in 1917 als soldaat in het Russische leger aan het front). In 1920 vluchtte Sjestov (hij was toen al 54 jaar) met zijn vrouw en dochters naar Parijs waar hij de rest van zijn leven woonde en waar hij zijn belangrijkste boeken schreef. Rond 1925 was zijn faam als baanbrekend denker zo gegroeid dat zijn artikelen in de meest vooraanstaande filosofische tijdschriften verschenen en dat hij in heel Europa werd uitgenodigd voor congressen en lezingen. In Amsterdam ontmoette hij in 1928 zijn tegenpool, de grote filosoof Edmund Husserl met wie Sjestov niet alleen hecht bevriend raakte maar die hij ook als zijn meester beschouwde omdat Husserl de rigide pretenties van de rede zuiverder en stoutmoediger dan wie ook aan het daglicht had gebracht. (Husserl introduceerde Sjestov ooit eens als volgt aan een paar Amerikaanse filosofen: 'Dit is de man die het waagde de meest gewelddadig denkbare kritiek tegen mij te schrijven... en dat is de reden voor onze vriendschap.')

Was hij er in zijn jonge jaren vooral op uit geweest om de schijnbare noodzakelijkheid en eeuwigheid van filosofische en wetenschappelijke waarheden als pompeuze leugens te kijk te zetten, in zijn Parijse jaren (de laatste achttien jaren van zijn leven) hamerde hij er steeds urgenter op dat die leugens met hun alles aan banden leggende macht een nachtmerrie-muur optrokken tussen de samenstelling van de werkelijkheid en de waarheid van de werkelijkheid. Die muur was opgebouwd uit woorden als 'nooit', 'onvermijdelijk' en 'onmogelijk' en was een artificiële muur, door de rede zelf daar neergezet. Furieus hamerend hekelde Sjestov, bovenal in zijn laatste grote boek Athens and Jerusalem (1938), de kleinzieligheid van de rede die met zijn mechanische regeltjes onmogelijk de metafysische zoektochten kon peilen die achter de muur plaatsvonden. Achter de muur, daar moest ieder mens zijn... daar heerste het grillige, mysterieuze, niet vast te pinnen leven dat richting gaf aan vormen van denken waarin geen enkel empirisch feit kon verhinderen dat alles, letterlijk alles mogelijk was. Achter de muur, daar was ook de levende God van de Bijbel, de Schepper van een wereld die van oorsprong zeer goed was, en niet de god die door de filosofie was gekortwiekt tot een entiteit die de contouren van logische en morele wetten niet te buiten ging. Het woeste gevecht dat Sjestov tot in zijn laatste weken leverde had tot doel het voor de mens kostbaarste geschenk te heroveren: het recht op de levende God van de Bijbel en op de totale vrijheid die door God aan de mens was gegeven.

Achter de muur, daar wil ook ik zijn maar ik ontbeer de genade van een geloof. Zoals Lev Sjestov snapte dat hij, dankzij zijn veeleisende geloof, zo nu en dan een bres kon slaan in de machtige muur die de rede ook in zijn hoofd had opgetrokken, zo heb ook ik dankzij zijn vervoering en wanhoop iets gesnapt: het is in een werk van de verbeelding, in een verzonnen verhaal, dat de niet religieuze geest heel af en toe zo voorbeeldig kan waaien dat hij de muur niet eens ziet staan en terecht komt in sferen waar extase, generositeit, vriendelijkheid, ontzag en pure luchtigheid de scepter zwaaien. In die sferen gevuld met vrijheid is het niet langer een verzinsel dat alles mogelijk is, is het niet langer een verzinsel dat de wetten van de onomkeerbaarheid naar het rijk der fabelen kunnen worden verwezen. In die sferen is het zelfs mogelijk om een van Sjestovs meest heilige overtuigingen te verbeelden, te verwezenlijken... de overtuiging dat voldongen feiten ons lot ten enenmale niet bepalen, noch in het heden, noch in de toekomst, noch in het verleden.

Maria Stahlie is schrijfster. Haar vorige helden waren John Cassavetes, Luigi Boccherini, Black Elk en Wislawa Szymborska.

    • Maria Stahlie