Voel de Tapawatra bruisen

De boot is de beste manier het Surinaamse oerwoud te verkennen. Rond de Boven-Surinamerivier leer je de tradities van de binnenland-bewoners kennen. En wandel je door het bos, geniet je van de natuur en relax je in de rivier.

Elske Schouten

Diep in de jungle varen we in een klein houten bootje over de rivier. De oevers aan weerszijden zijn groen. De zon schijnt, de enige geluiden zijn die van vogels en die van snelstromend water. En het geratel van de buitenboordmotor. We kijken op naar de donkerbruine rug van de jongen die voorop de boot zit. Met een lange stok wijst hij aan waar de stenen zitten, de man achter het stuur manoeuvreert de boot erlangs. Hij maant zijn jongere broertje goed op te letten, want alleen door te onthouden waar de rotsen zitten, leert hij deze route te bevaren.

Zo reis je door het Surinaamse binnenland. De rivier is de enige ‘weg’ door het oerwoud, maar is geen snelweg, de route zit vol soela’s (stroomversnellingen). Daarom varen hier alleen korjalen: platte houten boten die de bewoners uit boomstammen houwen. Bestuurd door een bootsman uit de buurt, die weet waar de stenen net onder het water zitten.

De tocht begint in het dorp Djoemoe, een uur vliegen vanaf Paramaribo. Van daar zakken we de Boven-Surinamerivier af, langs allerlei dorpjes. Tussendoor overnachten we in Botopasi en Jawjaw. De route eindigt in Atjoni, vier uur met de auto van Paramaribo. Het is de route die lokale bewoners afleggen als ze naar de stad willen, want het reizen met vliegtuigjes is voor de meesten om financiële redenen niet weggelegd.

Het Surinaamse binnenland heeft een prachtige natuur en een verrassende cultuur. Voor wie de natuurliefhebbers is het gebied rond de Boven-Surinamerivier niet eens de mooiste plek. Zo wonen in Palumeu, nog dieper in het binnenland en alleen te bereiken per vliegtuig, veel minder mensen. Meer rust, zodat wilde dieren en zeldzame vogels zich eerder laten zien. Aan de Boven-Surinamerivier is het ook prachtig, maar de dorpsgeluiden jagen de dieren weg en ’s avonds pruttelt een generator.

Voor wie de cultuur in het Surinaamse binnenland wil leren kennen, is het Boven-Surinamegebied onovertroffen. Hier wonen marrons – afstammelingen van gevluchte slaven – van de stam der Saramaccanen. De mix van traditionele en Nederlandse invloeden zie je nergens anders. Zoals de vrouw in Djoemoe, die een doek rond haar achterste heeft geknoopt: ze is getrouwd. Op die doek staat in geborduurde krulletters: ‘Bezet’.

Je waant je hier in een andere wereld. Als ’s nachts de maan niet schijnt, is het pikdonker en de hemel bezaaid met sterren. De dorpen bestaan uit kleine houten hutjes, en overal rennen blote kindertjes rond. Veel van deze dorpen hebben tijdens de overstroming in mei 2006 onder water gestaan, nu is daar weinig meer van te zien. De vrouwen dragen vaak alleen een gekleurde rok en velen hebben een baby op de rug. Ze slaan hun was schoon op de rotsen in de rivier. Het eten komt van de door hen bewerkte ‘kostgrondjes’, vanwaar ze de manden met rijst en cassave op hun hoofd naar het dorp dragen.

De gemeenschap is erg open. Gids Boiky Hooglied komt zelf uit het gebied en kan de opmerkingen die we naar het hoofd geslingerd krijgen vertalen uit het Saramaccaans. Ze blijken vooral voor hem bestemd: „Hé, daar is Boiky weer met die bakra (blanke). Boiky, heb je eindelijk een tweede vrouw gevonden?” Een echte man heeft hier drie tot vijf vrouwen.

In Djoemoe is een begrafenis aan de gang. En dat betekent feest. Boten vol familieleden komen naar het dorp en minstens twee weken wordt elke avond gedanst. Ook bezoekers zijn welkom. Op een open plaats midden in het dorp klinkt de kasekomuziek uit grote luidsprekers. Dansen gaat vooral met de billen. Zelfs kinderen van twee schudden hun achterste strak op de maat. Niemand lijkt gehinderd door de prismavormige kist, waarin de dode gebalsemd ligt.

Zo gaat het maar door, avond aan avond. Soms worden de luidsprekers verruild voor trommels en danst men op traditionele muziek. Geen treurnis. Maar Boiky vertelt dat het alleen zo gaat wanneer de overledene oud is geworden. Als een jonge dorpsbewoner onder een boom terecht komt of verdrinkt, wordt hij snel begraven.

We blijven zes dagen in het binnenland. Zo hebben we genoeg tijd voor relaxen. In deze hitte spring je vanzelf een paar keer per dag in de rivier. Ook om te baden trouwens, want uit de douches komt toch rivierwater. Even schrikken is het als twee jongetjes trots laten zien wat ze net bij elkaar hebben gevist: een emmer vol piranha’s. Bang voor enge beesten moet je hier niet zijn. In het water zitten sidderalen en anaconda’s, maar ongelukken gebeuren zelden. Met de boot maken we een uitstapje naar de Tapawatra watervallen: een grote bruisende stroomversnelling met een verval van circa anderhalve meter. Als je eronder op de rotsen gaat zitten, bubbelt en bruist het water om je heen. Net een natuurlijke jacuzzi.

Het varen van het ene dorp naar het andere gaat soepel. Het water staat hoog genoeg om alle stroomversnellingen te nemen. Als in de droge tijd het water te laag staat, moeten de inzittenden met al hun spullen over de rotsen klauteren, terwijl de bootsmannen de boot over de stroomversnelling heen tillen. Vandaar dat het naar sommige dorpen, diep in het binnenland, wel twee weken varen is.

Vanaf het water zien we allerlei vogels, de ijsvogel duikt af en toe naar beneden om met zijn lange snavel vissen uit de rivier op te duiken. Volgens Boiky zitten langs de oevers vaak kaaimannen, maar die laten zich niet zien. Af en toe passeren we een dorp. Zoals het dorp waar blanken beter niet kunnen komen. Want tijdens de slavernij hielden de bewoners hun blanke onderdrukkers met allerlei tovenarij op afstand, en wie weet werkt die nog steeds.

In de meeste dorpen zijn toeristen wel welkom. Zoals in Kambalua, vlakbij Botopasi. De bewoners stromen toe om hun zelfgemaakte souvenirs te verkopen. Vooral houtsnijwerk, bewerkte kalebassen en geborduurde doeken.

Natuurlijk wandelen we ook door het oerwoud. Achter elkaar lopen over het smalle pad, dat met een kapmes is opengehakt. Op de achtergrond het gesis, gefluit en geritsel van de dieren die verstopt zitten. Herten, luipaarden, bosvarkens of andere grote dieren komen we jammer genoeg niet tegen. Het spectaculairst is nog een wandelend blad, een insect dat nauwelijks te onderscheiden is van een echt blad.

Het is fascinerend om te zien hoe de binnenlandbewoners gebruikmaken van het bos. Langs het pad staat, klaar om mee te nemen, een partij hardhouten planken die ter plekke zijn gezaagd. Verderop staat een stuk schors van een bepaalde boomsoort te drogen, om peddels van te maken. Twee jongetjes zijn in de weer met gigantische palmbladeren, voor de dakbedekking van hutten. Boiky wijst op twee ronde latten die dwars op het pad liggen. Mannen uit het dorp hebben een korjaal uit een boomstam gehouwen en als de boot na maanden klaar is, rollen ze hem over de latten naar de rivier. Een gebeurtenis waarvoor het hele dorp uitloopt.

Hoe verder we de rivier afzakken, hoe dichterbij de stad. Meer mensen spreken Nederlands en ze dragen modernere kleding. In een buurtwinkel in Jawjaw duikt een plastic zak van ‘de Dirk’ op. Ook binnenlandbewoners hebben familie in Nederland.

Aan het eind van de laatste vaartocht is daar Atjoni. Hier stapt men over van boot naar busje of andersom, en is de binnenlandse rust totaal verdwenen. Maar terwijl je in een busje vol marrons naar Paramaribo hobbelt, denk je terug aan de rivier. En je weet: ik heb iets bijzonders gezien.

    • Elske Schouten