Vermijd het dwaze collectivisme van internet: tegen het digitale maoïsme

Het mooie van internet is dat het mensen verbindt. Maar de mens moet wel centraal blijven staan. Als we gaan geloven dat het internet zelf een entiteit is die iets te melden heeft, maken wij onszelf tot idioten. Een populair boek prijst ‘The Wisdom of Crowds’, maar daar zijn duidelijk grenzen aan.

Jaron Lanier

Informatica-consultant, beeldend kunstenaar, componist, schrijver, en columnist voor tijdschrift Discover

Volgens Wikipedia ben ik – deze week tenminste – filmregisseur. Inderdaad heb ik een jaar of vijftien geleden één experimentele korte film gemaakt. Hij is een keertje op een filmfestival vertoond, maar nooit in roulatie gebracht, en ik zou er geen traan om laten als niemand hem ooit meer onder ogen kreeg. Ik heb in het alternatieve universum dat Wikipedia heet een keer of wat geprobeerd mijn congé te nemen als filmregisseur, maar er is altijd wel iemand die het beter weet.

Telkens wanneer ik mijn artikel in Wikipedia verbeter, word ik binnen een dag weer tot filmregisseur gebombardeerd. De mensen die dat doen zijn waarschijnlijk leden van een groepje aanhangers of nazaten van de Mondo 2000-cultuur, het ‘tijdschrift voor cybercultuur’ dat een brug sloeg tussen psychedelische experimenten en computers. Zij vinden het kennelijk belangrijk om – op een manier die ik slordig en verkeerd vind – verband te leggen tussen mijn ideeën en die van de psychedelische grootheden van die tijd. Redactionele ingrepen die botsen met de opvattingen van die ene kleine subcultuur worden onmiddellijk geschrapt. Logisch ook. Wie anders zou zich opwerpen om hier zoveel aandacht aan te schenken en al die moeite te doen? Ik kan voor deze koppige Wikipedia-kobolden geen passender straf bedenken dan hen dat oude filmpje van mij te laten bekijken.

Het probleem zit in het aanzien dat Wikipedia heeft gekregen en het gebruik dat ervan wordt gemaakt, in het feit dat ze zo snel zo belangrijk is geworden. Dat past in een bredere ontwikkeling. Er komt een nieuw online-collectivisme op, een moderne versie van het idee dat het collectief de wijsheid in pacht heeft. Dit idee heeft de vreselijkste gevolgen gehad toen het op diverse momenten in de geschiedenis door extreem-rechts of extreem-links aan ons is opgedrongen. Dat het nu vooraanstaande technologen en futuristen zijn die het opnieuw invoeren, maakt het niet minder gevaarlijk.

Een dogma van de wikiwereld is dat alle gebreken in de wiki gaandeweg zullen worden rechtgezet. Dit argument is vergelijkbaar met de ideeën van hyperliberalen die een onbegrensd vertrouwen hebben in de vrije markt, of hyperlinksen die het op een of andere manier klaarspelen om besluitvormingsprocessen-bij-consensus uit te zitten. Als je naar de praktijk kijkt, zie je hoe twijfelachtig deze claims zijn.

Wikipedia is lang niet de enige fetisj-site van dwaas collectivisme. Er is online een koortsachtige wedloop gaande om de opperste ‘metasite’ te worden, de overkoepelende site op het hoogste niveau, de site die alle andere sites inlijft.

Het is heel onschuldig begonnen, met de thematische ordening van sites, zoals Yahoo in zijn beginfase deed. Daarna kwam AltaVista, waar je kon zoeken in een database van het hele web. Vervolgens Google, dat met algoritmes de rangorde van webpagina’s bepaalde. En toen de blogs, die sterk uiteenliepen in kwaliteit en betekenis. Dit leidde weer tot metablogs als Boing Boing (beheerd door mensen wier naam je kunt kennen), waarin blogs werden bijeengevoegd. In al die configuraties lag de organisatie in handen van echte mensen. Een individu of een aantal individuen gaf de site een gezicht en nam de verantwoordelijkheid daarvoor.

De trend van de afgelopen twee jaar is te proberen de geur van mensen weg te nemen, om de indruk te wekken dat er uit het web content tevoorschijn kan komen – alsof er een bovennatuurlijk orakel tot ons spreekt. Dit is het punt waar het gebruik van internet tot waanideeën kan leiden.

Hier wordt de kuddegeest zichtbaar. Neem websites als Digg.com en Reddit.com, die dagelijks materiaal bijeenbrengen uit de talloze andere verzamelsites en daarom consensus web filters worden genoemd. Zulke sites willen meer meta zijn dan de sites die ze bijeenbrengen. Wat zij publiceren valt niet onder de verantwoordelijkheid van een mens, maar is de uitkomst van een algoritme. Men hoopt kennelijk dat de ‘allermeta’ste’ site alle informatie zal aanzuigen en oneindig geld zal aantrekken. Een stap verder is Popurls.com, een website die bijeenbrengt wat consensuswebfiltersites hebben vergaard. Wij lezen nu wat een collectiviteitsalgoritme afleidt uit wat andere collectiviteitsalgoritmes hebben afgeleid uit wat collectieven hebben gekozen uit wat een bevolking van merendeels amateurpublicisten anoniem heeft geschreven.

Net als bij het idee van kunstmatige intelligentie is de suggestie hier dat iets dat erg lijkt op menselijke intelligentie, ieder moment kan opduiken of zelfs al opgedoken is.

Het probleem met die veronderstelling is dat mensen maar al te graag bereid zijn om hun maatstaven te verlagen teneinde de nieuwe vinding ‘slim’ te doen lijken, dat zij onkritisch en dom worden om metavergaarsites maar zinnig te doen lijken.

Er is een duidelijk verband tussen het dwepen met kunstmatige intelligentie en de wonderlijke bekoring van anoniem onlinecollectivisme. Google’s krachtige servers en Wikipedia worden allebei vaak genoemd als startgeheugen voor de kunstmatige intelligentie van morgen. Mij gaat het nu niet om de vraag of er metafysieke entiteiten bestaan, ik wil alleen benadrukken hoe prematuur en gevaarlijk het is om onze verwachtingen ten aanzien van individuele menselijke breinen te verlagen. Het mooie van internet is dat het mensen verbindt. De waarde ligt in de andere mensen. Als wij nu gaan geloven dat het internet zelf een entiteit is die iets te melden heeft, devalueren wij die mensen en maken wij onszelf tot idioten.

Een complicerende factor daarbij is dat nieuwe ondernemingsmodellen voor mensen die denken en schrijven, langer op zich laten wachten dan gehoopt. Kranten maken bijvoorbeeld over vrijwel de gehele linie een ernstige teruggang door. Google News daarentegen beschikt vooralsnog over meer fondsen en solidere vooruitzichten dan het merendeel van de tamelijk kleine groep voortreffelijke journalisten overal ter wereld die het merendeel van zijn inhoud leveren. De vergaarder is rijker dan de vergaarden.

De verheffing van al wat ‘meta’ is, blijft niet beperkt tot de onlinecultuur. Ze heeft ook veel invloed op de besluitvorming. Wij beleven thans de verontrustende opkomst van de misvatting dat het collectief onfeilbaar zou zijn. Tal van organisaties hebben zich al laten meeslepen door dat idee. Zij hebben zich laten overdonderen door de opkomst van Wikipedia, de rijkdom van Google en de wedren van ondernemers naar het opperste metaschap. Overheidsdiensten, topuniversiteiten en planningafdelingen van grote bedrijven hebben het allemaal te pakken.

Vroeger werd mij als consultant gevraagd een idee te beoordelen of een nieuw idee aan te dragen om een probleem op te lossen. De laatste jaren worden mij vaak heel andere dingen gevraagd. Samen met andere consultants zit ik dan enquêteformulieren in te vullen, of collectief geschreven artikelen bij te vijlen. Ik zeg en doe veel minder dan vroeger, ook al krijg ik nog steeds evenveel betaald. Misschien moet ik me niet beklagen, maar het maakt wel degelijk uit wat grote instellingen doen, en het is tijd om eens de staf te breken over de collectiviteitsrage die ons bevangen heeft.

Het valt niet moeilijk in te zien waardoor het collectivisme zo populair is geworden in grote organisaties: als dit principe juist is, hoeven mensen persoonlijk geen risico’s meer te nemen of verantwoordelijkheid te dragen. Wij leven in tijden van ontzaglijke onzekerheden en een grenzeloze aansprakelijkheidsfobie, en wij moeten functioneren binnen instellingen die geen loyaliteit voelen jegens een directielid, laat staan jegens iemand op een lager niveau. Iedereen die benauwd is om in zijn of haar organisatie iets verkeerds te zeggen, kan zich maar beter verschuilen achter een wiki of een ander metaverzamel-ritueel.

Ik heb de laatste tijd meegedaan aan een aantal exclusieve, goedbetaalde wiki’s en metaenquêtes en heb de resultaten daarvan bestudeerd. Ik heb zelfs deel uitgemaakt van een wiki over wiki’s. Wat ik daarbij heb geconstateerd is een verlies van inzicht en precisie, en onverschilligheid ten aanzien van de nuances van weloverwogen meningen.

Het collectief manifesteert zich in velerlei gedaanten. Zo is het bijvoorbeeld moeilijk geworden om in de muziekwereld een nieuwe popster te lanceren. Zelfs de succesvolste debutanten hebben het in het afgelopen decennium amper verder gebracht dan één album. De enige uitzondering is Idols. Net als bij Wikipedia is daar niets mis mee. Het probleem is dat het zo overheersend is.

Volgens onderzoek brengen in Amerika in die zangwedkamp meer mensen hun stem uit dan bij de presidentsverkiezingen. Dat komt ook doordat je snel en makkelijk kunt stemmen, per telefoon of sms, en sommigen stemmen meermalen. Het collectief is gevleid, het reageert. De winnaars zijn welhaast per definitie sympathiek.

Maar John Lennon zou niet hebben gewonnen. Hij zou de finale niet hebben gehaald. Of toch wel, maar dan zou hij een ander soort mens en kunstenaar geworden zijn. Hetzelfde kan je zeggen van Jimi Hendrix, Elvis, Joni Mitchell, Duke Ellington, David Byrne, Grandmaster Flash, Bob Dylan en vrijwel iedereen die grote invloed heeft gehad op de popmuziek. Het is veiliger alles op één hoop te gooien en daar allerlei soorten materiaal uit te pikken. Dat verplicht je nergens toe.

Je hoeft je ook geen zorgen te maken over de mogelijkheid dat je het fout hebt. Behalve wanneer er werkelijk intelligent denken vereist is. In dat geval kan het doorsnee-idee helemaal verkeerd zijn, en hebben alleen de beste ideeën blijvende waarde. In de exacte wetenschappen bijvoorbeeld.

Het collectief is niet altijd dom. In bepaalde gevallen kan het collectief briljant zijn. Neem het ritueel waaraan beginnende studenten aan business schools vaak worden onderworpen. Een grote pot snoepjes wordt voor de klas gezet. Een voor een raden de studenten het aantal snoepjes. Hun individuele gissingen lopen sterk uiteen, maar het gemiddelde komt er vaak verbluffend dichtbij.

Dat is een voorbeeld van de speciale intelligentie die een groep kan bieden. Het is de bijzondere eigenschap die wel is bejubeld als de ‘wijsheid van de massa’, hoewel volgens mij het woord ‘wijsheid’ misleidend is. Het is een element in Adam Smiths ‘onzichtbare hand’ en in Google’s algoritmes om de rangorde van webpagina’s te bepalen. Het fenomeen is reëel, en buitengewoon nuttig.

Maar het collectief kan ook dom zijn. Kijk maar naar de tulpenmanie, de aandelenzeepbellen, de millenniumgekte.

De potentiële waarde van het collectief ligt er juist in dat de uitersten van slimheid en domheid anders liggen dan bij individuen. Beide vormen van intelligentie zijn onmisbaar.

Een markt functioneert bijvoorbeeld door het samenspel van collectieve en individuele intelligentie. Een markt kan niet alleen maar bestaan bij de gratie van het feit dat prijzen worden bepaald door concurrentie. De producten die met elkaar concurreren, moeten eerst door ondernemers worden gelanceerd. Bepaalde soorten antwoorden moeten niet door één persoon gegeven worden. Wanneer een overheidsfunctionaris een prijs vaststelt, is het resultaat vaak slechter dan de oplossing die zou worden voorgesteld door een redelijk geïnformeerd collectief dat in redelijke mate vrij is van manipulatie of onbeheersbaar intern rondzingen. Maar wanneer een collectief een product ontwerpt, krijgt dat het etiket ‘ontworpen door een comité’ – en daar wordt met reden op neergekeken.

Het collectief is goed in het oplossen van problemen die resultaten vereisen die aan de hand van onomstreden normen kunnen worden beoordeeld, maar het is slecht wanneer smaak en oordeelkundigheid vereist zijn.

Alle deugdelijke voorbeelden van collectieve intelligentie die ik ken laten bovendien zien dat het collectief in die gevallen werd geleid of geïnspireerd door personen die wisten wat ze deden. Zij gaven het collectief richting, en corrigeerden in sommige gevallen ook enkele van de gebruikelijke misslagen van het kuddedenken. Democratieën, wetenschappelijke gemeenschappen en veel andere langetermijnprojecten moeten het hebben van een goed evenwicht tussen de invloed van mensen en die van collectieven. De wereld van vóór internet biedt een aantal prachtige voorbeelden van collectieve intelligentie die is bijgestuurd door persoonlijk toezicht op de kwaliteit. Zo biedt een onafhankelijke pers aantrekkelijk nieuws over politici door het werk van verslaggevers met duidelijke stemmen en goede reputaties. Zonder een onafhankelijke pers wordt het collectief dom en onbetrouwbaar, dat is in de geschiedenis vele malen gebleken.

Ook wetenschappelijke gemeenschappen bereiken kwaliteit door een samenwerkingsproces met checks and balances, dat uiteindelijk berust op een grondslag van ijver en ‘blind’ elitisme –-blind in de zin dat in theorie iedereen toegang heeft, maar uitsluitend op basis van prestaties. Het systeem van vaste aanstellingen en vele andere aspecten van de academische wereld berusten op het idee dat individuele geleerden van belang zijn – niet alleen maar het proces of het collectief.

Uit de tijd vóór internet weten we dat een goed regelmechanisme voor collectieven berust op ingrepen in het tijdsdomein. Wat moet je bijvoorbeeld doen als een collectief te snel en te overhaast opereert, en voortdurend van gedachten verandert in plaats van weloverwogen met één antwoord te komen? Zo gaat het bij de drukste Wikipedia-artikelen, en zo is het soms ook gegaan met de koortsachtige speculatie op open markten.

Een van de verdiensten van een goede democratie is dat ze pieken in de activiteit dempt. Denk je de nerveuze veranderingen eens in als het opstellen van wetten aan een wiki zou worden toevertrouwd. Superenergieke mensen zouden koortsachtig ploeteren om de formulering van de belastingwetten aan te passen. Een dergelijke chaos kan worden vermeden door de tragere processen van verkiezingen en juridische procedures. Het temperende effect van een ordelijke democratie brengt niet alleen rust in het moeizame, fluctuerende streven naar consensus, het verkleint ook de kans dat het collectief ineens, wanneer te veel snelle veranderingen in antwoorden gelijktijdig optreden zonder elkaar te neutraliseren, in een toestand van overspannen opwinding raakt.

Ook het omgekeerde probleem komt voor. Soms zet het kuddedenken ons wel op het juiste spoor, maar gaat het te langzaam. Soms zouden collectieven briljante resultaten opleveren, als er maar genoeg tijd was – die er niet is. Een probleem als de opwarming van de aarde zou, als de markt genoeg tijd had om erop te reageren, vanzelf worden aangepakt, met stijgende verzekeringspremies en dergelijke. Helaas is er in dit geval te weinig tijd, want het discours binnen de markt wordt vertraagd door het naijlende effect van bestaande investeringen. Dus moet een ander proces ingrijpen – bijvoorbeeld de politiek, op initiatief van individuele personen.

Sommige wikitopiërs hopen dat het onderwijs door wiki’s zal worden overgenomen. Het is denkbaar dat er door anonieme internetbundeling in de betrekkelijk nabije toekomst zoveel communicatie en educatie zullen plaatsvinden dat wij vatbaar zouden kunnen worden voor een plotselinge, gevaarlijke machtsvergroting van het kuddedenken. De geschiedenis heeft telkens weer laten zien dat het kuddedenken, wanneer het op de automatische piloot opereert, wreed is. Kwaadaardige uitbarstingen van het kuddedenken hebben maoïstische, fascistische en religieuze trekken vertoond, en dat is nog maar een greep. Ik zie niet in waarom er in de toekomst niet onder het mom van technologisch utopisme plotseling maatschappelijke rampen zouden kunnen gebeuren. Wiki’s zouden alleen meer invloed mogen krijgen als ze worden verbeterd met het soort mechanismen dat in de wereld van vóór internet behoorlijk heeft gefunctioneerd.

De illusie dat wat er nu gebeurt bijna goed is, of dat het zichzelf wel zal corrigeren, is de gevaarlijkste illusie van allemaal. Als we die nonsens weten te vermijden, moet er een humanistische, praktische manier te vinden zijn om de waarde van het internetcollectief te maximaliseren zonder onszelf tot idioten te maken. Uitgangspunt daarbij is dat we altijd allereerst individuele personen moeten koesteren.

Dit is een bewerking van een langer essay dat eerder is verschenen op www.edge.com, onder de titel Digital Maoism.

    • Jaron Lanier