Uren rijden naar Holland

Om water te bereiken moet je in de VS vaak uren rijden. Hoe een vakantie in Michigan uitliep op een nadere kennismaking met Friesland – door Amerikaanse ogen.

De vuurtoren van Grand Haven aan het Lake Michigan Foto Margriet Oostveen Oostveen, Margiet

In onze eerste zomer in de VS gingen wij al na een paar dagen op zoek naar het water. Washington was in augustus als New Delhi, vochtig en klam, en een blik op de kaart leerde dat je met een paar uur doorrijden in Chesapeake Bay (Delaware) of Chincoteague (Maryland) moest kunnen zijn.

De naïviteit van de nieuwkomer: we vonden veel water en zwembaden en lange stranden, we zagen overal surfers en vissers en zeilers, maar helaas: als er nog plaats was werden we niet toegelaten (privéstrand, privézwembad), en als we werden toegelaten was er in de verre omtrek geen slaapplaats. Nu zijn we wijzer: anderhalf uur van de binnenstad blijkt een aardig strandje te liggen – maar dat moet je kénnen: Pennsylvania Avenue nemen, route 4 naar het zuiden richting Chesapeake Beach, dan linksaf naar North Beach. Vijftig meter zand, 12 dollar per persoon. Inclusief houten piertje en bonkige vissers die krabben vangen met een kippenpoot op een rooster dat ze in het water laten zakken.

Onze tweede zomer zouden wij niet weer tijd vergooien met vergeefse tochtjes naar onbereikbaar water. Wij kozen voor Maine. Fijn noordelijk en koel. Ruige kuststroken, visioenen van slingerritten langs rotsen. En vrienden die overkwamen. Allemaal in een smaakvol houten huis aan de oceaan.

Maar dan moest je wel naar het noordelijke Maine, zei achterbuurvrouw Penelope, die daar zo’n huis heeft, waar ze ieder jaar van juli tot oktober woont. In haar keuken spreidde ze een kaart uit en het was duidelijk dat we minstens dertien uur in de auto moesten zitten om bij het sociaal aanvaardbare, rustieke, niet-toeristische Maine boven Portland uit te komen. En rush-hour in Baltimore en Philadelphia en New York en Boston omzeilen.

Bijna alle strandhuizen tussen Maine en New York die groot genoeg waren om ons te huisvesten, begonnen bij 2.500 dollar – per week. Dat bedoelen economen als ze zeggen dat de inkomensontwikkeling de laatste twintig jaar niet parallel liep met die in Europa.

Zo zaten wij klem, kort voor vertrek. De vrienden kwamen gewoon bij ons logeren. We tikten ‘vacation house’ in het archief van ons virtuele buurthuis, een nieuwsgroep op internet. Tussen alle luxe strandhuizen stond er iets over een boerenhuisje aan Lake Michigan.

Maar Michigan was toch heel saai? En elf uur rijden vanuit Washington, zei Mapquest, zodat we slechts drie dagen geduld van onze kinderen hoefden te vragen. Wij gingen naar Michigan.

Als je een jaar in de VS woont en je probeert te begrijpen wat er zo’n beetje omgaat, let je niet vaak op Michigan. En de goede voornemens om Michigan vooraf grondig te bestuderen, stuitten op de beperkingen van het correspondentenleven: geen tijd. Zo stapten wij op een dag in augustus in onze auto voor een reis naar een staat waarvan we meer hadden willen weten.

Na een ochtend door het golvende Pennsylvania belandden we in Pittsburgh, een karakteristieke ex-industriestad die kosten noch moeite spaart zijn imago te upgraden: er staat één van de fraaiste kindermusea van de VS. Het beste is de afdeling Waterspel, waar een riviertje is nagemaakt en waar uit buizen in de vloer fonteintjes spuiten. Er hangen gele regenjasjes en regenlaarzen, daarna kun je alles met water doen wat thuis in bad nooit mag. Emmertjes met water hijsen en leegkiepen. Bootjes door sluizen voeren. Buizen op de fonteinen schroeven, nieuwe buizen monteren, zien waar het water heengaat. Douchekop erop en op iemand richten.

Via een tussenstop aan Lake Erie in Ohio – een staat om snel te passeren – kwam de dag dat wij Michigan inreden. Een schiereiland tussen drie van de Great Lakes: Lake Michigan, Lake Superior en Lake Erie. Mensen leven hier voor een groot deel buiten de deur: op de boot. Nergens zijn zo veel boten in de VS als in Michigan. En in deze staat kun je ook nooit verder dan tien kilometer van het open water verwijderd zijn, waar je ook bent.

Ons huisje stond in het westelijke deel, in een dorpje genaamd Montague, dat bestaat uit een paar winkels en rechte, vlakke polderwegen langs kilometerslange boerenakkers. Aan het einde van zo’n polderweg, een paar boomstroken verwijderd van het meer, stond ons houten boerderijtje. Liggend op bed kon je het water horen ruisen.

De eerste dagen waren ontregelend. Veel mensen bleken hier te fietsen, niet alleen kinderen maar hele gezinnen: beelden die je elders in de VS niet gauw zult aantreffen. Boerderijen hadden naambordjes met Boersma, Hoekstra of Vandenheuvel. In de supermarkt kon je speculaas met een molentje erop kopen. En als je op de kaart de omgeving verkende, viel het oog al snel op de dichtstbijzijnde stad, Holland, 100 kilometer verderop. Het werd een beetje te dol – dus naar Holland zouden wij beslist niet gaan. Wij waren hier gekomen voor het water. Amerikááns water.

Het meer was met zijn briesje en fraaie licht, de plaats om met een surfplank op de golven te peddelen, kuilen te graven, kastelen te bouwen, het waterpistool te vullen, waterballonnen rond te gooien – kinderplezier. Op een uitstapje naar Grand Haven, populair bij toeristen van buiten de staat, wist een Italian American uit Chicago ons zoontje (4) in tien minuten de beginselen van het vissen bij te brengen. Hij was verkocht.

Twee dagen later stond hij zelf met een werphengel aan de kade en ving hij zijn eerste – een prachtige platvis met een blauwe gloed over zijn zilveren schubben, een Bluegill. En zo werd een nieuw onderdeel aan ons programma toegevoegd: vissen in Whitehall, een welvarende buurtgemeente van Montague, waar, tot zijn intense tevredenheid, een vierjarige met een werphengel door elke passant serieus wordt genomen. ,,Do they bite, son?’’

Maar telkens als we na een dagje waterplezier in ons boerderijtje terugkeerden, vonden we nieuwe aanwijzingen dat we op een wonderlijke plek waren. Er stonden prachtige Friese ornamenten. Als je de dikke stoflagen van de boeken haalde, kwam het ene na het andere boek van een Nederlandse immigrant in de VS te voorschijn. En honderden poëziebundels. En verhandelingen over de Nederlandse literatuurgeschiedenis vanuit Amerikaans perspectief.

Op de bovenverdieping troffen we na een week onder een kussen een heuse vlag van Friesland aan. Er was daar ook een studiekamertje ingericht waar mappen vol lagen met vergeelde knipsels uit de Leeuwarder Courant. Ze hingen tegen een wand waar de eigenaar van het huisje, die Jellema bleek te heten, eind jaren zeventig in een intiem moment was gefotografeerd met toenmalig president Jimmy Carter: mannen met aanzien.

Aan de hand van de boekenkasten en knipsels konden we uiteindelijk reconstrueren wiens (tweede) huisje we gehuurd hadden. Rod Jellema heette hij. Een Amerikaan met Friese voorouders, emeritus hoogleraar Engels in Maryland, dichter, voormalig literair recensent van The Washington Post, en – wij deden er ook even over voordat we het geloofden – de man die zich vijftien jaar geleden in Friesland vestigde om de Friese poëzie in het Engels te vertalen.

Wij gingen naar Michigan omdat we niet naar Maine gingen. Wij gingen voor het water. Dat vonden we ook. Maar vooral vonden we Friesland: in de straten van Michigan, aan het meer van Michigan, en in dat huisje, in de boeken van de enige Amerikaan die de Friese poëzie heeft doorgrond.

    • Tom-Jan Meeus