‘Tegengaan tunnelvisie bij justitie lukt niet’

De maatregelen die justitie heeft genomen om een tunnelvisie bij de opsporing te voorkomen, leiden niet tot verbetering, maar tot meer bureaucratie. Dat zegt rechtpsycholoog Peter van Koppen in een interview in Opportuun, het maandblad van het Openbaar Ministerie. „Gechargeerd gezegd is het een stapeltje procedures voor een probleem dat je niet met procedures kunt verhelpen.”

Hij doelt daarmee op het zogenoemde Versterkingsprogramma: een reeks van maatregelen die moet voorkomen dat een ‘tunnelvisie’ ontstaat in opsporingsonderzoeken. Dat is een situatie waarbij opsporingsambtenaren zich richten op één scenario met een bijbehorende dader en daardoor niet meer openstaan voor andere scenario’s en daders.

Zo is nu formeel geregeld dat een onderzoeksteam ‘tegenspraak’ moet organiseren bij misdrijven die grote maatschappelijke beroering veroorzaken, zoals moord en ernstige zedendelicten. In die zaken moeten collega’s, zonder directe betrokkenheid, toetsen of het onderzoek goed verloopt.

In het onderzoek naar de moord op activist Sevèke in Nijmegen is direct een ‘Tegenspraak-team’ georganiseerd. Volgens Van Koppen lag dat „politiek gezien” voor de hand, maar moet tegenspraak vooral „tussen de oren zitten”.

Het is nu in sommige gevallen ook verplicht verhoren op video vast te leggen. „Maar tachtig procent van de moorden is klip-en-klaar. Dus moet je niet álle zware, maar slechts de problematische zaken audiovisueel opnemen. (...) Een videoverhoor is zó arbeidsintensief. Je hebt camera's nodig, een regiekamer en apparatuur. Dat kost zo vier man extra.”

De maatregelen in het Versterkingsprogramma werden genomen nadat in de Schiedammer Parkmoord (2002) een onschuldige dader een moord bekende en werd veroordeeld. Enige jaren later werd de echte dader gevonden.

Daarover zegt Peter van Koppen: „Het probleem zat in ‘Schiedam’ niet in te weinig of slechte regels. Het probleem was dat mensen hun werk niet goed hebben gedaan.”