Sportschoen en softbal als totem

Voorbeeld van werk van Brian Jungen, gemaakt van softballen (Study for the Evening Redness of the West, 2000, onder) 792 077 Goedewaagen, Bob

Tentoonstelling: Brian Jungen, tentoonstelling in kunstcentrum Witte de With, Witte de Withstr. 50, Rotterdam. Tot 11 februari. Di t/m zo 11-18u.Inl: www.wdw.nl

IJskoud lijken de zalen van Witte de With, met hun verblindende neonverlichting en spierwitte muren. Tientallen spookachtige maskers en schilden staan er opgesteld, bovenop sokkels, vastgepind op standaarden. Het is een presentatie die je eerder verwacht in een volkenkundig museum dan in een white cube. Sommige objecten lijken op maskers uit Indianenculturen, met snavelbekken en hoofdtooien. Andere doen denken aan science fiction-figuren, zoals Darth Vader uit Starwars.

Ze zijn vervaardigd van uit elkaar gehaalde sportschoenen, Nike Air Jordans, in wit, zwart en donkerrood. Een aantal heeft lang, zwart mensenhaar. De maskers zijn ingenieus in elkaar gepriegeld. Soms is de schoen nog herkenbaar, soms helemaal niet. Twee Nike-logo’s kunnen dienst doen als ogen, schoenflappen worden oren. De gekromde neus van een schoen is een opengesperde bek.

Brian Jungen is in 1970 geboren in Fort St. John, British Columbia, als zoon van een Zwitsers-Canadese vader en een ‘first nations’-moeder. Hij is door zijn moeder grootgebracht bij de Dane-zaa indianen. Jungen studeerde begin jaren negentig aan het Emily Carr Institute of Art and Design in Vancouver, waar hij sindsdien woont. Zijn objecten vinden gretig aftrek bij particuliere verzamelaars in Canada en Amerika, en ook vooraanstaande musea als het Vancouver Art Museum en de Tate Modern hebben immiddels werk van hem.

Jungen maakt zijn maskers sinds 1998, onder de overkoepelende naam Prototype for New Understanding. Behalve maskers is in Rotterdam ook een levensgrote pop te zien. The Prince is gemaakt van uit elkaar gehaalde baseball-handschoenen en is een kruising tussen een geharnaste ridder en een Indiaan. Zijn verentooi bestaat uit de vingers van een handschoen, hij staat op skateboards.

In zijn werk combineert Jungen etnografische clichés, van enge primitieve maskers enzovoort, met de clichés van onze consumptiemaatschappij. Hij transformeert een icoon van de westerse jongerencultuur, de Nikeschoen, tot een icoon, of totem-object, van een andere cultuur. Tegelijkertijd laat hij zien dat de objecten van first nations- kunstenaars op hun beurt evengoed verworden zijn tot consumptie-artikelen.

Het is Jungen te doen om de transformatie die voorwerpen ondergaan wanneer hun oorspronkelijke gebruikswaarde verloren gaat of ontkend wordt. Dit gebeurt bijvoorbeeld als rituele voorwerpen een handelswaarde krijgen en geconserveerd worden in musea. Andersom eigenden de aborigines, zoals Indianen tegenwoordig in Canada worden genoemd, zich westerse voorwerpen, zoals lepels of dingen van plastic, toe door ze te verwerken in hun objecten.

Al sinds ongeveer honderd jaar worden gebruiksvoorwerpen door kunstenaars opgenomen in kunstwerken. Jungen kent deze 20e eeuwse traditie van bricolage natuurlijk, en verwijst er op allerlei manieren naar. In een van de zalen hangt een walvisskelet van meer dan vier meter lang, gemaakt van tuinstoelen.

Jungen brengt in zijn werk alle multi-culti thema’s samen die al enige tijd in de mode zijn in de kunst, van postkolonialisme en musealisering van de cultuur tot een clash of civilizations en de vermenging van culturen. Jungen zelf is een produkt van deze vermenging.

De vraagt blijft of dit alles ook boeiende kunst oplevert. Het hele verhaal is direct aan zijn werken af te lezen. Een enkel masker zou volstaan, er is geen reden om er meer te tonen. De boodschap is in één oogopslag te begrijpen, waardoor dit werk eerder een lesje is dan kunst. Als beeld zijn Jungens voorwerpen oninteressant en zo plat als een dubbeltje.

    • Janneke Wesseling