Respect

Wereldkampioen Raymond van Barneveld zei dat hij het respect had gemist. Toen hij vorig jaar in de Lakeside-finale werd verslagen door Jelle Klaasen, koos iedereen de zijde van de debutant. Bij thuiskomst was er niet eens een Haagse bijstandsmoeder die nog een strelinkje over had voor de plaatselijke hond. Hijzelf werd finaal genegeerd. Tot in de kofferbak van zijn auto toe: „Ik moest de hele boel uit de auto sjouwen.” Je kan ook denken: wie niet?

Respect.

Ik leerde het woord kennen door de kabel. Reiziger, Bogarde, Davids en Seedorf hadden het ineens over respect. Dat wil zeggen: niet elke dag zuurkool tijdens de middagmalen van het Nederlands elftal. Rijst als muziek. Een kleine tien jaar later nam Jan Peter Balkenende het begrip over, als was het uit zijn ribben gesneden. Nu als vleesgeworden abstractie, uiteraard met scheiding tussen de krullen en het haar.

De laatste tijd is respect weer uit de onderbuik van de nationale retoriek verdwenen. Een enkele verwaaide tv-bobo met ChristenUnie-signatuur wil nog weleens bidden voor ‘respect voor het leven’, maar geen mens die daarvan opkijkt. Hoezo, bidden? Respect is gemangeld tussen verbeelding en geloof. Resultaat: respect à la carte.

De darter Raymond van Barneveld probeerde er een hoogbouw-begrip van te maken. Als gewezen postbode wist hij vanwaar Nederlanders komen: van de straat dus! Dan word je ineens superstar, in een universum van schuimend bier en tattoos, van meditatie, van zenboeddhisme, van seksuele onthouding. Niemand weet het: Barney weiland.

Toch stond er bij thuiskomst een witte limousine klaar, en er was vuurwerk in Den Haag. Er was zelfs een bordes waarop hij zijn vrouw ostentatief mocht kussen. De vrouw die hij, volgens de pulppers, alweer jaren geleden had verlaten. Knuffels zat. Alleen, de gevierde darter voelde zijn succes niet aan. Wat zou hij dan moeten voelen, op het esthetische ritme van vlaggetjes aan pijltjes?

Cafépraat.

Respect in sport is een slangenkuil. Als we het over de bisschop, misschien wel over het Vaticaan van respect hebben dan is er één paus: Louis van Gaal. Helaas, ik ken niemand die zo vakkundig zijn respectvolle hoogte heeft verpatst als Louis. Of hij zat in de verkeerde reclamespots, of hij sprak Catalaans in de polder. En soms zag je hem huilen over een verdriet dat niet te doorstaan is. Dan bleek dat respect vooral een constructie van kruimels is.

Erik Dekker: ook zo’n ideoloog van respect. Hij kon alleen maar jubelen. Over Michael Boogerd, over Nederland, over de charme van zijn Rabofiets. Tot de slijtage van jaren toesloeg. Toen werd hij kribbig over zijn eigen metafysica. Al helemaal over dopingdokters die hem kwamen bezoeken, aan de vooravond van een WK. Ik kan mij niet voorstellen dat Marco van Basten en zijn Nederlands elftal nog in een euforie van respect leven. Zoals het gezegde luidt: respect ben je zelf.

Niemand is meer Barney dan Barney. Een charmante proleet die op een Fortuynachtige manier misverstanden met de wereld creëert. We hebben het dan over lucratieve misverstanden, over sponsoring, over macht en adoratie.

Willem van Hanegem kon zijn ogen niet geloven toen Raymond van Barneveld in de beslissende set tegen de heersende wereldkampioen de double en de triple scoorde. Met pijltjes dus. Allicht was het een geweldige prestatie, maar om nou te zeggen dat ik even van de kaart was: dat net niet. Doe mij maar snooker.

Zoals elke topsporter is ook Van Barneveld door het slijk gehaald. Een vermeend verbroken huwelijk, het zoveelste schuimkraagorgasme, onwettige kinderen en verwaarloosde ouders. Jammer, maar hij moet er niet over zeuren. Noem mij een sporter die niet bezeerd is door zijn innerlijke beschaving.

Justine Henin? Een monster aan bal en net. Glaciaal in de overwinning. Maar zoals nu blijkt, ook glaciaal in leegte en eenzaamheid. Ik zag hoe Van Barneveld in Den Haag, in het volste halogeenlicht zijn vrouw vol op de bek kuste. Wat heb je dan te klagen, wereldkampioen? Of toch: in zijn eeuwige, bierbestorven dom- en blindheid herkende hij wellicht niet eens de kus van het applaus. Dan mag je het inderdaad nooit meer hebben over respect.

    • Hugo Camps