Piet heeft de hele Russische bibliotheek gelezen

Schrijfster Maria Heiden neemt Piet soms mee naar huis. Maar de winkelkat van boekhandel Van Gennep in Rotterdam is van iedereen. „Hij houdt van de geur van boeken.”

Boekhandelaar Maria Heiden met winkelkat Piet: „Hij krijgt veel e-mails, en klanten die op reis zijn sturen hem ansichtkaarten” Foto Merlin Daleman Maria Heiden & Piet (Van Gennep). Boekhandel Van Gennep. Rotterdam, 19-10-06 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

De rug voelt knoestig als een stuk hout. De vacht, door ontelbare handen geaaid, is in de loop van zeventien jaar veranderd in een wat sleetse zwarte jas waar de bruine voering doorheen schemert. Piet van Gennep hoort sinds jaar en dag bij het meubilair van boekhandel Van Gennep in Rotterdam. Hij is oud geworden tussen de boeken. Ouder dan de drie katten die hem voorgingen. Een generatie kinderen heeft hij zien opgroeien, de knieën van veel beroemde schrijvers zijn hem vertrouwd, hij figureert in verhalen en gedichten en het komend jaar siert hij een van de bladzijden van de literaire kattenkalender van uitgeverij Cossee.

Piet is een begrip, tot ver buiten zijn woonplaats bemind en bewonderd. Zijn aimabele persoonlijkheid is, afgezien van die keer dat een vertegenwoordiger met een koffer met dummy’s binnenliep en hem met zijn Spaanse laars een trap gaf, door louter goede ervaringen geschraagd.

„Veel klanten”, zegt Maria Heiden, schrijfster en directeur van Van Gennep, „komen niet voor ons, niet voor de boeken maar voor Piet. Uit aardigheid kopen ze een krant, een nrc.next want die is maar één euro en dan hebben ze een excuus om hem te zien. Als je bij iemand op visite gaat kun je niet zeggen: ‘ik kom voor de poes en jou neem ik op de koop toe’. Maar een winkel is een openbare ruimte waar je unverfroren kunt gaan zitten om Piet te aaien. Niemand zegt er wat van.

„Hij krijgt veel e-mails en klanten die op reis zijn sturen hem ansichtkaarten. Er is één speciale fan, een professor uit Groesbeek. Hij komt altijd meteen hier langs als hij in Rotterdam is. Als het niet goed gaat met Piet vind ik dat ik hem eerst moet berichten, net als een naast familielid. Een paar maanden geleden riep ik nog dramatisch dat het misschien wel Piets laatste zomer was, omdat hij buiten in de regen lag. De professor is naar hem komen kijken en Piet heeft toen heerlijk in zijn jas gelegen. Ik denk dat hij last van de warmte had, nu is hij helemaal weer opgekrikt. Hij heeft alleen een bult op zijn rug, maar dat komt door de ouderdom.

„Hij is niet eenkennig. Hij ligt vaak op de tafel. Als daar mensen staan, gaat hij dicht bij ze zitten, op één centimeter afstand, zodat hij met zijn kop op hun hand kan liggen. We hebben een allergische klant. Als hij komt, moet Piet in de directiekeuken met de deur dicht. Dan mauwt hij hard, want daar snapt hij niets van.”

Een poes in de winkel, aldus Maria Heiden, staat voor intimiteit en gezelligheid. Piet trekt altijd veel bekijks, ook zonder dat hij er moeite voor doet. Kinderen die hem in de etalage zien liggen, willen niet verder lopen en als hij „als een oude baas” voor de deur in de zon zit, is vanuit de winkel het ‘gekir’ van vertederde voorbijgangers te horen. Meer dan nu zwierf hij in zijn wilde dagen rond op straat. Het leverde hem eens een gespalkte en in een babysokje gestoken poot op nadat hij was blijven hangen in het prikkeldraad. De slapende zwervers die vroeger buiten op de bankjes lagen, boden hem de gelegenheid op hun buik te zonnen. Toch kwam hij tenslotte altijd terug naar de boekhandel, want „hij houdt van de geur van boeken”, weet Heiden.

„Ik ben weleens egoïstisch en dan neem ik hem mee naar huis, twee deuren verder, maar hij is niet van mij. Ik ben wel het meest sentimenteel met hem. Als ik met vakantie ben, bel ik altijd op om te vragen hoe het met hem is en of hij wel genoeg geaaid wordt. Daar heeft hij behoefte aan. Hoewel zijn gehoor iets minder is geworden, hoort hij mij buiten aankomen als hij in de etalage ligt te slapen. Volgens mijn collega’s is dat omdat ik zo bonk over straat. Je ziet hem dan met zijn pootjes tegen het raam aan staan en geluidloos mauwen. Dat doet hij denk ik alleen bij mij, maar hij is door mij ook tot op het bot verwend. Hij krijgt vaak een stukje boterham. Hij heeft altijd honger. Tomaat lust hij ook. Ik ben week tegenover hem. De rollen zijn omgedraaid: ik ben meer in zijn macht dan hij in de mijne. Maar als ik zou stoppen met werken blijft hij hier. Het is ondenkbaar dat hier niet iemand zou zijn die je ’s morgens bij de deur opwacht.’’

Van Gennep kent dan ook een lange traditie van winkelkatten. De eerste, Rosa, kwam 31 jaar geleden na de opening van de winkel mee met de inventaris. Ze kreeg al gauw gezelschap van Dropje. De derde bewoner meldde zichzelf. „Hij zat steeds tegen het raam te tikken omdat hij naar binnen wilde.” Geïnspireerd door de Italiaanse lessen die Heiden toen volgde, noemde ze hem Bello.

„Eén van onze klanten, een architect, heeft nog een heel mooi hokje met een luifel voor hem getimmerd met de naam Bello erop. Dat stond in de tuin en daar ging hij ’s nachts in. Ik had er een dekentje in gelegd. Ik herinner me dat het ging sneeuwen en hij met zijn grijze kop onder het besneeuwde luifeltje uit zat te kijken. ’t Was net als in een kinderverhaal. Ik vond het zo zielig dat ik hem binnenliet. Maar als uitgever Rob van Gennep langskwam om boeken te brengen zetten we hem altijd gauw even in zijn hokje, want Rob hield wel van poezen maar niet van zo veel.”

Nadat Bello uiteindelijk als laatste van de drie was gestorven en gewikkeld in een gouden doek in een doos van het Centraal Boekhuis werd begraven in de tuin achter de winkel, zat Maria Heiden ‘snikkend’ in de keuken. Als troost nam collega Andrea Piersma één van haar katten mee die bij haar thuis slecht met de andere overweg kon. Zo deed Piet zijn intrede in de winkel.

„Ik vond hem vanaf het begin ontzettend leuk. Veel katten lijken voorzitter van de kattenbond doordat ze grote snorharen hebben of hautain kijken, Piet is helemaal niet zo. Ik roep wel dat hij de knapste van de wereld is, maar hij is altijd een beetje morsig en rafelig geweest. In het huis waar hij is opgegroeid, heeft een van de kinderen toen ze twee jaar was, een stuk uit zijn oor geknipt omdat ze wilde kijken hoe dat ging. Alles is net niet goed. Hij heeft één wit teentje en niet echt een goed befje, alleen een paar kleine witte haartjes op zijn kin. De werkster die we vroeger hadden vond dat lelijk. Ze vond dat hij met zo’n sikje op Jules Deelder leek. Ze heeft het een keer bijgekleurd met een viltstift.

„Ik denk dat een heleboel mensen een bepaalde troost vinden bij een huisdier. Er wordt wel gezegd dat je minder gauw ziek bent als je een dier hebt. Piet is er altijd, vooral als je hem nodig hebt. Als ik thuis aan het schrijven ben en ik kom er niet uit, dan ga ik even bij hem zitten. Hij is altijd goed gemutst. Als ik tegen hem praat kijkt hij me een beetje scheel aan en raakt hij met zijn pootje mijn wang aan.”

Maria Heiden schrijft, zegt ze, graag over dieren en als het even kan voert ze Piet op in haar verhalen voor BoekieBoekie, een tijdschrift voor kinderen over kunst en literatuur. In de BoekieBoekiekalender die ter gelegenheid van de kinderboekenweek verscheen, is een bijdrage van Piet zelf opgenomen over zijn geheime verhalenclub. Hij beschrijft hoe hij ’s nachts in de besloten binnentuin van de winkel, waaraan ook de tuinen van omliggende huizen grenzen, op tafel klimt en alle katten, konijnen en kippen bij elkaar roept om hen te vertellen wat hij heeft gelezen.

„Kinderen vinden hem geweldig, vooral als je vertelt wat hij kan en dat hij zich ’s nachts altijd suf leest, zodat hij de volgende dag bekaf is en ligt te slapen. De hele Russische Bibliotheek heeft hij gelezen. Zijn lievelingsboek is Nero Corleone, een kinderboek geschreven door een kat. Hij vertelt daarover aan de dieren. Zij vertellen het aan hun bazen en die bazen mailen ons dat ze het boek willen bestellen. Piet werkt voor ons. Hij is een goede verkoper. We zijn bezig een website te maken en daar staat hij op als medewerker. Hij zal elke week een andere tip geven.

„Het is leuk om te doen of hij kan denken en lezen, alsof hij uit een kinderboek is gestapt. Je kunt je verliezen in kleine huisdieren. Ze staan dichtbij je. Tegenover een olifant in de dierentuin ben je anders, ernstiger, misschien omdat hij niet op schoot kan zitten. Ik ben met poezen opgegroeid, tot vervelens toe kleedde ik ze aan. Als ik nu jarig ben, krijgt Piet van Andrea een strikje om. Hij zit me dan woest aan te kijken, maar ik ben heel opgetogen als hij me zo opwacht. Ik heb een kindergeest, mijn fantasie slaat gauw op hol. Dat is een groot goed.”