‘Papa, waarom houd je ermee op?’

Deze week was het tien jaar geleden dat de grote favoriet met een schouderbreuk uitviel in de Elfstedentocht. Morgen rijdt de Friese marathonschaatser Peter de Vries (39) zijn voorlaatste NK.

Peter de Vries: „Ik weet het zeker: het kan zo donker niet zijn of het wordt weer licht.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold marathonschaatser peter de vries foto rien zilvold Zilvold, Rien

Hij heeft net verteld van zijn verbrijzelde onderbeen, twee beenbreuken, schouderbreuk in de Elfstedentocht én van zijn mooiste overwinning, als de ogen van Peter de Vries beginnen te glinsteren. „Laatst stapte ik op de fiets om een groot deel van de Elfstedenroute te rijden. Doe ik vaker, om in de sfeer te komen. Ik haal daar extra motivatie uit. Drie kilometer na Hindelopen en vier vóór Stavoren, waar ik in 1997 uitviel, ging de telefoon. Of ik interesse had in een bijeenkomst met schaatsers uit de Elfstedentocht van 4 januari 1997. Zo apart, uitgerekend op het moment dat ik daar fietste. Ik ben niet bijgelovig, maar ik zag het als een voorteken. Zal er dan toch nog een Elfstedentocht komen? Dat zou zó geweldig zijn. Wat normaal gesproken de mooiste dag in mijn carrière had moeten worden, veranderde in 1997 abrupt in de zwartste dag uit m’n leven. De Elfstedentocht nog eens helemaal beleven…”

Hoe een droom ontstond. „Elke Fries krijgt het Elfstedengevoel met de paplepel ingegoten”, zegt de boomlange marathonschaatser uit Heerenveen. „Bij mij heeft het veel losgemaakt. In 1985, als jochie van zeventien, heb ik voor het eerst meegedaan. Mocht officieel niet, maar ik kon een startkaart krijgen. Kwam ik ’s avonds laat als tienduizendste toerrijder op de Bonkevaart. Tranen in de ogen, kippenvel. Een jaar later had ik geen kaart, maar m’n vader wel. Ik stond in Bolsward, als verzorger. Nooit zal ik het beeld vergeten van de kopgroep, die daar onder een bruggetje doorschoot. Ik werd er koud van. Dit was heroïek!”

„Zelf had ik toen al mijn eerste A-marathon op natuurijs gereden, in Dalfsen. Mijn vader kon niet meedoen, koopavond. ‘Ga jij maar’, zei hij. Won ik van mannen als Jan Roelof Kruithof en Bennie van der Weide. Ik dacht: dit is ook wel kicken. Want op dat moment had ik nog het gevoel dat ik als langebaanschaatser bij de top kon komen. In de jeugd zat ik zo rond de zesde plek, net achter jongens als Ben van der Burg en Bart Veldkamp. In de zomer van 1987 had ik voor het eerst echt hard getraind, ik wilde proberen door te breken. Een week voor de opening van de ijsbaan knalde ik op een zondagavond met de auto tegen een boom. Linkeronderbeen verbrijzeld.”

„Je zit op school, hebt verkering. Best belangrijk, maar voor mij telde alleen het schaatsen. Op dat moment reed ik me te pletter en lag ik in de ambulance met het idee: over en uit, m’n leven is voorbij. Het been was dwars door, hing er zo bij. Met de hiel kon je de knieholte aanraken. Ik weet nog dat ik in de ziekenauto tegen m’n toenmalige vriendin zei: wil je nog wel verkering met mij, nu ik m’n been kwijt ben? Ik was er voor honderd procent van overtuigd dat het been eraf moest.”

„Met pennen is de boel aan elkaar gezet. Diverse operaties, twee keer merg gehaald uit m’n bekken. Acht maanden erna haalden ze de pennen eruit. Een week later brak ik mijn been opnieuw. Nog niet sterk genoeg. Weer acht maanden verder, anderhalf jaar na het ongeluk, was ik met Henk Gemser aan het lopen. Hij zei: Peter, nog één minuutje. Ik loop, baf, knal onderuit. Ik zeg: Henk, kijk, hij is weer kapot! Lag ik daar op een sportveld in Heerenveen, keek naar de lucht en dacht: houd maar op, anders ben je straks je been kwijt. Henk heeft me twee jaar geleden voor het eerst verteld dat de dokter serieus had overwogen om het been alsnog te amputeren. Hij heeft toen gezegd: zolang het niet zwart is, doe je dat toch niet?”

„Je bent zo gek. Ik heb nooit, hooguit misschien een paar kleine momenten, gedacht dat ik moest ophouden. Zelfs na die derde keer dacht ik in de ziekenauto alweer: je gaat door! Henk heeft me al die tijd belangeloos geholpen. Net als zijn vrouw. Maand na maand ging ik naar Oudehaske waar ze de verkleefde spieren probeerde los te maken. Ik krijg nog een rooie kop als ik denk aan de keer dat ze merkte dat ik stiekem had getraind.”

„Twee jaar na het ongeluk zei hij: ‘We houden op met langebaanschaatsen, want de beste van Nederland word je niet meer’. Dat was hard, maar ik wist dat hij gelijk had. Volgens hem kon ik wél de beste marathonschaatser van Nederland worden. Dan komt het moment dat je voor het eerst weer op het ijs staat, half oktober 1989. M’n vader en Henk stonden juichend langs de kant. Onderhuids had de chirurg er een ijzeren plaat in kunnen zetten, daar heb ik dat jaar de B-marathons mee gereden. Ik viel vaak, want ik zakte soms zo door mijn linkerbeen. Lag ik in de kussens en hoopte dat alles nog vast zat. Dat gevoel heeft me heel lang achtervolgd.”

De Vries zette door, werd A-rijder en een goede ook. In 1995 eindigde hij als tweede in de alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee, een jaar later won hij. Op vier januari 1997 was het zover: Elfstedentocht in Friesland. „Ik was zo gefocust die dag. RTL 4 had gevraagd of ze me mochten volgen, als een van de favorieten. ’s Nachts om twee uur stonden ze voor de deur, vanaf het opstaan werd alles gefilmd. Maar ik heb die dag geen camera gezien! Ook in de kooi bij de start niet. Ik zag helemaal niets om me heen. Alsof je in een tunnel zat. Ik had nergens oog voor.”

„Door mijn been kon ik niet goed hardlopen. Ik verloor anderhalve minuut op de eersten en stond te vloeken en tieren bij de start. In het donker heb je geen idee waar de concurrenten zich bevinden. Je kunt maar één ding doen: zo hard mogelijk naar voren rijden. Ik maakte de jump naar de kopgroep en dacht: dit is hem. Iedereen wilde werken en had dezelfde gedachte: straks wordt het licht, alle camera’s zijn op ons gericht; elke minuut die we vooruit blijven, is onsterfelijkheid.”

„Bij de Galamadammen gingen we onder een brug door, het donkere weer in. We reden voor de wind, het ging met vijftig in het uur. Ineens smakte ik op het ijs. Alsof ik tegen een muur aanreed, zo voelde het. Ik zag de jongens als schimmen in het donker uit het zicht verdwijnen. Ze wachtten niet eens. Jezus, klootzakken, laten jullie me hier liggen? Toen ik opstond voelde ik direct dat het mis was. Het suisde van de dreun. Ik heb m’n hand beetgehouden, want als ik de arm liet hangen verrekte ik van de pijn. Dan schaats je in je eentje door, met als enige gedachte dat je in Stavoren moet komen.”

„Ik ben van het ijs geplukt door de moeder van Richard van Kempen, die daar stond als verzorgster van de ploeg. Eigenlijk wilde ik door, maar de bult op mijn schouder was duidelijk: gebroken. Ik kon helemaal niets bewegen. Zat ik daar te huilen, op een koelboxje in het riet. Ik ben naar een zomerhuisje gebracht langs de vaart, waar twee Duitsers in badjassen niets begrepen van wat er gebeurde. Vandaar naar het ziekenhuis. Pas als je naar huis gaat, komt de ellende los. M’n vader was nog aan het schaatsen, die hoorde het bericht onderweg. Voor zichzelf heeft hij toen besloten: ik moet het kruisje halen, voor Peter. Emotioneel moment, toen hij ’s avonds langs kwam en het aan mij gaf.”

‘Het is verdomme bizar. In 1995 was ik de sterkste in de alternatieve Elfstedentocht. In 1996 win je daar, in 1998 ook. Alleen in 1997… Ik kan nog steeds niet naar de beelden kijken. Als het toevallig voorbijkomt op televisie, druk ik het weg. Dat is de frustratie die ik heb. Af en toe heb ik wel gedacht: de rek is er bijna uit. Zeker omdat ik privé ook wat tegenslag kreeg. Ik kwam in een scheiding terecht, kindje van twee jaar. Toen heb ik drie dagen thuisgezeten met een fles bier aan de hand. Ik dacht: ik kap met alles, het hoeft voor mij niet meer. Maar wat moest ik dan?”

„Ik ben weer gaan schaatsen en won gek genoeg de ene na de andere wedstrijd. Terwijl ik me puur ongelukkig voelde. Vlak voor de Weissensee had ik in de Playboy gestaan, in m’n blote kont, met alleen schaatsen onder. Vonden ze prachtig, met pijltjes erbij wat er allemaal kapot was geweest. Ik vond het prima, was weer vrijgezel, hoefde met niemand rekening te houden. Veel reacties gehad, wat ik niet verwachtte. Ik verkeerde in een roes, en won die wedstrijd ook nog. En daarna de KNSB Cup. Hoe is dat mogelijk?”

Na een nieuwe dip in de zomer bleef De Vries in de winters die volgden een van de blikvangers van het marathonpeloton. In totaal won hij dertien wedstrijden op kunstijs. Vanaf 2003 reed hij in dienst van recordwinnaar Jan-Maarten Heideman. „Er komt een moment dat je moet kiezen. Of voor jezelf rijden in een kleine ploeg. Of bij een topploeg blijven en voor een betere gaan werken. In het begin kostte me dat moeite. Maar de laatste jaren heb ik er geen moeite mee om voor Jan-Maarten te rijden. De NK op natuurijs in 2004 hebben een grote rol gespeeld bij de acceptatie dat ik zelf geen kopman meer was.”

„Bij elk NK op kunst- of natuurijs stond ik aan de start met het idee dat ik per se moest winnen. Als eerbetoon aan Henk Gemser. Zodat ik hem kon zeggen: zie je wel, ik ben de beste van Nederland. Maar het lukte nooit. In 2004 reed ik op de Weissensee m’n vijftiende NK. Ik voelde me super, kwam in de kopgroep en dacht: nu of nooit. Raak! Toch nog een keer Nederlands kampioen, op mijn 37ste. Ik sta te praten met de pers, vertel in alle emotie m’n verhaal, klopt er iemand op m’n schouder. Wie stond daar? Henk Gemser! Was nog nooit op de Weissensee geweest, nu kwam hij een keer en uitgerekend die dag werd ik kampioen.”

„We keken elkaar aan en vielen elkaar in de armen. Geen woord gesproken, alleen in elkaars armen gehangen. Losgelaten. Hij liep weg, zwaar geëmotioneerd. Ik liep weg en dacht: hoe kan dit? Op dat moment viel er een last van me af. Ik dacht: eigenlijk ben ik nu tevreden. Al pratende word ik er soms nog emotioneel van. Ik zie het weer voor me, en val bij de naam van Henk Gemser compleet stil. Bizar.”

Morgen is De Vries outsider op de NK op kunstijs in Amsterdam. „Op de Elfstedentocht na is dat de enige wedstrijd die nog op mijn erelijst ontbreekt.” Veel kansen heeft hij niet meer, want onlangs besloot hij om na volgend seizoen te stoppen. „Moeilijke beslissing. Laatst zei mijn zoontje huilend: ‘papa, waarom houd je ermee op, je schaatst nog zo goed.’ Ach, je moet er niet te dramatisch over doen. Ik heb diepe dalen meegemaakt, en hoge pieken. Na dertig jaar schaatsen weet ik één ding zeker: het kan zo donker niet zijn, of het wordt weer licht.”