(Niet zo erg hard) lachen om Adolf Hitler

Adolf Hitler (Helge Schneider) met een U-bootje in bad. Scène uit de komedie ‘Mein Führer’ van Dani Levy. WDR Fernsehen WDR-dok: SPASS MIT HITLER!?, Film von Winni Gahlen, am Montag (08.01.07) um 23:15 Uhr. Der FŸhrer (Helge Schneider) nimmt ein Schaumbad. © WDR/X-Verleih, honorarfrei - Verwendung nur im Zusammenhang mit genannter WDR-Sendung und bei Nennung "Bild: WDR/X-Verleih" (S2). WDR-Pressestelle/Fotoredaktion 0221 220 -2408 oder -4405 Fax -8471 mail fotoredaktion@wdr.de WDR/X-Verleih

Michel Kerres

De persmap opent met een tintelende belofte: „Sinds decennia valt er in Duitsland niets te lachen als het om Hitler gaat. Met Mein Führer komt daar verandering in.”

Lachen over Hitler. In Duitsland is het nog altijd precair. Wie de draak steekt met Hitler loopt immers het risico dat hij de wandaden van het regime bagatelliseert. En dat is wel het laatste verwijt dat een weldenkende Duitser wil krijgen. Met de komische speelfilm Mein Führer, die volgende week in première gaat, zoekt de in Zwitserland geboren en in Duitsland werkzame regisseur Dani Levy het gevaar op.

In het buitenland wordt al sinds The Great Dictator van Charlie Chaplin (1940) met Hitler in films een loopje genomen. In Duitsland zelf maakt striptekenaar Walter Moers sinds 1998 furore met de satirische verhalen over de ,,Alte Nazisau”. Een hilarische videoclip, Der Bonker, waarin Moers’ getekende Hitler zichzelf beweent op een aanstekelijk reggae-deuntje, werd in september een megahit op Youtube. Nieuw is lachen met Hitler dus ook in Duitsland niet, maar mainstream is het evenmin.

Levy heeft een uitstekende reputatie als het om humor en heikele onderwerpen gaat. Met zijn vorige film bewees hij dat men met joodse humor een Duitse film over joodse humor kan maken. Zijn Alles auf Zucker, over twee joodse broers die alleen in aanmerking komen voor een erfenis als ze hun onderlinge vete begraven, was in 2005 een groot succes. Met lichte verbazing constateerden Duitsers toen dat ook zij hardop over joden mogen lachen.

Nu neemt Levy Hitler op de korrel. Hij koos, zei hij op tv, voor een komedie in de hoop dat humor slaagt waar decennia academisch onderzoek, een loodzwaar politiek discours en talloze literaire meesterwerken tot nu toe maar half succesvol waren: het beter leren begrijpen van een moeilijk grijpbaar fenomeen. Zijn Hitler moet een dwars artistiek antwoord zijn op de serieuze vertolking van Hitler, zoals door Bruno Ganz in Der Untergang. In films als Der Untergang zijn ‘goed’ en ‘fout’ zó duidelijk van elkaar gescheiden dat de kijker gevrijwaard blijft van morele dilemma’s. Met zijn komedie wilde Levy het de kijker een stuk lastiger maken.

Lachen dus? Niet echt. In de Berlijnse bioscoop Cinemaxx hing tijdens de preview, deze week, een opvallende stilte. Er werd niet gebulderd, niemand sloeg zich op zijn knieën. Een enkele keer steeg uit een hoek een solitaire lach op.

Misschien lag het aan het publiek, dat uit buitenlandse correspondenten en Duitse recensenten bestond: professionals onder elkaar. Misschien lag het aan de locatie: de Potsdamer Platz, hartje Berlijn, niet ver van de plek waar Hitlers Reichskanzlei stond. In de buurt wemelt het van monumenten die naar nazisme en genocide verwijzen. De loodzware herinnering aan de echte Hitler is hier zó present dat de ruimte voor clownerie beperkt lijkt. Op afstand, met een biertje in Tuschinski, valt de film waarschijnlijk anders. Maar het lag ook aan Mein Führer zelf, die wel grappig is, maar niet grappig genoeg.

De eerste Duitse recensies waren niet onverdeeld enthousiast. De ene criticus vond dat Levy te veel begrip opbrengt voor de door een probleemjeugd gekwelde psyche van Hitler; een ander vond Levy niet boosaardig genoeg. Harald Martenstein schreef op de site van Die Zeit dat Levy heeft verzuimd een keuze te maken tussen de serieuze Hitler en de komische Hitler. „De twee Hitlers zitten elkaar in de weg.”

De film speelt in de laatste dagen van 1944, als de ondergang van het Derde Rijk onafwendbaar is. Berlijn is vernield, Hitler een mentaal wrak. Propagandaminister Goebbels heeft een duivels plan: met een toespraak moet Hitler nog één keer de bevolking opjutten en zo het tij keren. Maar daartoe moet Hitler eerst opgepept worden. Goebbels laat de joodse toneelspeler Adolf Grünbaum overkomen uit concentratiekamp Sachsenhausen om Hitler op het grote optreden voor te bereiden. We hebben iemand nodig, zegt Goebbels, die in Hitler zijn grootste kracht losmaakt, „en die kracht is de haat.”

De Duitse komiek en zanger Helge Schneider maakt van Hitler een bijna meelijwekkende goedzak die eenzaam is en zich verraden voelt. Een man met problemen. Als jongen vernederd door zijn vader, als man impotent. (Eva Braun: „Mein Führer, ik voel u niet.”) Hitler, met buikje, moet in een goudkleurig trainingspak oefeningen doen, raakt tijdens het scheren zijn halve snor kwijt en kruipt ’s nachts met herder Blondi – gehuld in een SS-pakje – uit het raam van de kanselarij. Zijn auto doet het niet en op het moment suprême raakt hij zijn stem kwijt.

De eigenlijke ster van de film is die andere Adolf, Adolf Grünbaum, de toneelspeler, prachtig vertolkt door Ulrich Mühe, die ook de hoofdrol speelt in dé Duitse film van vorig jaar, Das Leben der Anderen. Grünbaum is voor Hitler toneelleraar, psychiater en mentale trainer in één persoon. Mühe maakt van Grünbaum een angstige maar tegelijk trotse figuur die in gewetensnood raakt: moet hij Hitler niet vermoorden?

Grünbaum krijgt gedaan dat de nazitop ook zijn vrouw en drie kinderen uit het concentratiekamp haalt. Het lot van het joodse gezin krijgt vanaf dat moment een prominente plek in de film. De kolderieke trainingssessies in de kanselarij verliezen snel hun onschuld als de geschoren hoofdjes van Grünbaums kinderen in beeld komen. De massamoord is vanaf dat moment vrijwel permanent in het hoofd van de kijker aanwezig. Elke lach wordt in de kiem gesmoord. De tragiek gaat de komedie overvleugelen.

Oorspronkelijk had Levy een andere komedie gemaakt, waarin de dictator terugblikt op zijn leven. Tijdens een voorvertoning was het publiek evenwel zo ontdaan over de dominantie van Hitler, dat Levy in de definitieve versie koos voor meer Grünbaum en minder Hitler. De koerswijziging ging ten koste van het artistieke experiment: de kijker raakt moreel niet in verwarring en leert ook niets.