Maak van dieren geen buikspreekpop

Gewelddadig en vreedzaam, bruut en beschaafd, het zit allemaal in onze natuur en we kunnen maar het beste met alles rekening houden.

Maarten Pieters

Natuurkundige en onderwijsontwikkelaar

Als u Saddam Hussein op de tv een kind zag strelen, dacht u dan: ‘Nu komt zijn ware aard boven’? Het zou kunnen, maar ik schat de kans klein. We denken eerder aan het bovenkomen van een ware aard wanneer nette mensen als voetbalvandalen de boel kort en klein slaan.

Het is een populaire opvatting: van nature zijn we geneigd tot kwade dingen, maar onder gunstige omstandigheden houden we ons in bedwang met wat beschaving genoemd wordt. En soms komt het hoge woord eruit, als mensen zich slecht gedragen, dan heten ze beestachtig. Bij groenten, en trouwens ook nog wel bij kinderen, worden natuurlijkheid en onbespotenheid op prijs gesteld, maar mensen moeten met kunstmest (opvoeding) en bestrijdingsmiddelen (beschavingsoffensieven) in het gareel worden gebracht.

Hoe erg is de mens van nature? Zijn wij beestachtig, of juist niet natuurlijk genoeg? En waar we nare driften hebben, kunnen we die dan met de Verlichting bestrijden, of door sporten? Of is sporten juist door zijn onnatuurlijkheid een plaag? Midas Dekkers, een bioloog die dus verstand heeft van onnatuurlijkheid, schrijft in zijn recente boek Lichamelijke oefening dat sporten niet natuurlijk is, maar een uitvinding van de mens, vooral van de oorlogszuchtige mens. Hij citeert met grijnzende instemming Gerard van het Reve, die gezegd zou hebben dat hij nog nooit een konijn had zien volleyballen. Ik ook niet. Ik heb ook nooit een konijn een boek zien schrijven, laat staan een boek over lichamelijke oefening. Boeken schrijven is dus onnatuurlijk, en als ik net zo’n hekel aan boeken had als Midas Dekkers aan sporten, dan zou ik dat natuurlijk ook als argument gebruiken. Je kunt de natuur zo handig laten buikspreken.

Er zijn veel boeken waarin mensen met dieren worden vergeleken. In De aap in ons (oorspronkelijk Our Inner Ape, 2005) vergelijkt de bioloog Frans de Waal het gedrag van mensen vooral met dat van twee soorten mensapen die hij grondig bestudeerd heeft, de chimpansees en de bonobo’s. Hij verzet zich tegen de term ‘beestachtig’ om gewelddadig gedrag van mensen mee aan te duiden. Ons vermogen om gewelddadig te zijn, tussen individuen en tussen groepen, hebben we inderdaad met beesten gemeen. Maar ons vermogen om vrede te stichten en te behoeden hebben we óók met beesten gemeen. In feite zou geen enkele beestensoort overleven als die alleen maar het ene of het andere zou kunnen.

Midas Dekkers gebruikt zijn kennis van dieren vooral als bron van ironische vergelijkingen. Toch is ook hij soms serieus, en de biologen Dekkers en De Waal zijn het er over eens dat je erg moet oppassen met het woord ‘natuurlijk’. Beiden verwijzen naar de rassentheorieën, die zich op zuiverheid en natuurlijkheid als doel beriepen, en daarmee gelegitimeerd waren om onzuiverheden uit te roeien. Als het ware om de evolutie een handje te helpen. Maar Midas zou er toch niet vies van zijn om met een beroep op onnatuurlijkheid sport af te schaffen, sport is voor hem niet beestachtig genoeg.

Over het dier in de mens gaan bijvoorbeeld ook Gorilla’s in krijtstreep (The Ape in the Corner Office, 2005) van Richard Conniff en Monogamie voor beginners (2006) door Yvonne Kroonenberg. Het blijft in die boeken verlokkelijk om mensengedrag door een vergelijking met de dierenwereld van een oordeel te voorzien, dat cirkelt rond begrippen als ‘natuurlijk’ en ‘ware aard’. Als je bijvoorbeeld begrip wilt opbrengen voor vreemdgaan, dan kijk je naar zwaluwen, terwijl een bepaalde soort woelmuizen levenslange trouw voor hun eerste partner aan de dag leggen: ontroerende voorbeelden van echtelijke trouw.

Kroonenberg illustreert verder vooral wat fictie en non-fictie al eeuwen over de menselijke aard zeggen: mensen gaan gemiddeld gesproken vreemd, en zij doen dat met mate. Sommige dieren gaan vreemder dan mensen, andere minder vreemd.

Conniff gebruikt in Gorilla’s het gedrag van dieren, niet alleen van mensapen, vooral om zijn ideeën over leiderschap, hiërarchie en samenwerking te illustreren. Hij beschrijft dat onze genen ons niet alleen van een drang naar macht voorzien, maar ook van een drang naar samenwerking. Maar hij spreekt toch ook over „de biologische component van ons gedrag”. En hij vindt dat we onze genen moeten sturen in een verstandelijker en menselijker richting dan die biologische component van ons gedrag. „Óf we bepalen bewust de richting, óf we laten ons blindelings leiden door onze apengeest.” Dus zelfs Conniff trapt er in: hij wekt tegen zijn eigen bedoeling in de suggestie dat onze redelijkheid en ons bewustzijn niet biologisch van aard zouden zijn.

Wat heb ik aan zulke boeken? Ik ben natuurlijk vooral nieuwsgierig naar wat de ware aard is van u en mij. Het is aangenaam lezen in Yvonne Kroonenbergs dunne en Midas Dekkers’ dikke boek, maar hun biologielessen blijven te beperkt en fragmentarisch om te overtuigen – waar dan ook van. Richard Conniff is vooral interessant omdat hij metaforen put uit de dierenwereld die allerlei varianten van mensengedrag in organisaties beschrijven.

Maar pas bij Frans de Waal geniet ik echt. Geen dier voert hij als buikspreekpop voor zijn eigen mening op. De meeste van zijn beesten hebben namen, hij probeert het gedrag van hun soorten tot in detail te begrijpen en hij laat zich door hen op ideeën brengen over onze ware aard. Gewelddadig en vreedzaam, bruut en beschaafd, het zit allemaal in onze natuur en we kunnen maar het beste met alles rekening houden. En zo is De Waal beargumenteerd voorstander van de Europese Unie en tegenstander van de visie (van bijvoorbeeld Thatcher) dat er niet zoiets als een samenleving is.

Je kunt van de evolutietheorie cynisch worden, zo van „alles is zoals het is, anders was het er niet.” De aap in ons is een vrolijk boek over de evolutie: wij mensen kunnen heel humaan zijn, anders waren we er niet geweest.