‘Je bent een hond die westerse ideeën verspreidt’

In Syrië komen elke dag zo’n 2.500 Iraakse vluchtelingen aan. Een van hen is universitair docent drama Amir Azraqi die in zijn woonplaats Basra werd ontvoerd. „Dit is een waarschuwing. De volgende keer ga je eraan.”

Een cel in een politiebureau in de Zuid-Iraakse stad Basra waar ongeveer 70 mensen gevangen werden gehouden. Een Britse troepenmacht maakte maandag 25 december 2006 met veel geweld een eind aan martelpraktijken in dit politiebureau. De soldaten bevrijdden 127 gevangenen vlak voor ze, volgens een Britse legerwoordvoerder, zouden worden geëxecuteerd A general view shows a prison cell that held around 70 prisoners at the Al Jameat Police Station in Basra, south of Baghdad, December 25, 2006. British and Iraqi forces stormed and destroyed the headquarters of the serious crimes unit in Basra on Monday after learning prisoners were about to be executed, the British military said. FOR EDITORIAL USE ONLY NO ARCHIVES NO SALES REUTERS/Cpl Russ Nolan RLC/Crown Copyright (IRAQ) REUTERS

Amir Azraqi, docent Engels, werd midden op de dag ontvoerd in het centrum van Basra, de grootste stad van shi’itisch Zuid-Irak. Hij was net in zijn auto gestapt om een boodschap te doen. „De deur vloog open en ik kreeg meteen een venijnige trap in mijn ribben. Ik zag vier in het zwart geklede, gemaskerde mannen, allemaal gewapend en erg zenuwachtig. Maar ze gingen wel duidelijk als getrainde militairen te werk, gedisciplineerd en methodisch. Ik moest op de passagiersstoel gaan zitten en een van hen nam plaats achter het stuur.”

De overvallers hadden met twee witte ‘Batta’s’ de straat afgezet – zo worden de Japanse auto’s genoemd (vaak Nissans van het model Super Crown) die berucht zijn als het voertuig bij uitstek voor de vele overvallen en gijzelingen in Irak. „Zwijg! Je zegt geen woord meer! Jij gaat met ons mee”, snauwde de man achter het stuur die een pistool tegen Azraqi’s slaap drukte. Hij besefte meteen dat het ernst was. Hij werd geblinddoekt en na een korte rit werd hij ergens naar binnen gebracht. „Ik was doodsbang, ik dacht dat mijn laatste uur had geslagen.”

Amir Azraqi is 26 en doceerde, tot zijn gijzeling, Engelse literatuur en modern drama aan de universiteit van Basra. Hij is een vroom en breeddenkend shi’iet. Sinds de val van Saddam Hussein in 2003 werkte hij ook als assistent en tolk voor buitenlandse journalisten in Basra en Zuid-Irak.

In Damascus vertelt Azraqi over zijn ontvoering. „Je bent een hond die westerse ideeën verspreidt en je moet daarmee stoppen!”, hadden zijn ontvoerders gezegd. „Je geeft geen les meer. Je bent een collaborateur, een vuile verrader. Je verlaat zo snel mogelijk Irak.” In november vluchtte hij via Amman naar Syrië. Van de Iraakse overheid had hij niets te verwachten. In Basra zijn shi’itische milities tegenwoordig heer en meester. De politie is door militieleden overgenomen. De nog steeds toenemende wetteloosheid en de gerichte acties tegen professoren en onderzoekers hebben een uittocht van de intelligentsia, van artsen, professoren en leraren veroorzaakt.

Sinds de aanslag op de shi’itische Gouden Moskee in de hoofdzakelijk soennitische stad Samarra van februari vorig jaar, zijn honderden academici vermoord door soennitische en shi’itische extremisten. Nu komen in Syrië iedere dag 2.000 à 3.000 Iraakse vluchtelingen aan, onder wie veel academici. De nieuwkomers zijn in hoofdzaak shi’ieten uit het zuiden van Irak en uit de gevaarlijke, religieus gemengde steden zoals Bagdad of Mahmoudiya. Volgens de Syrische overheid zijn er al zeker 700.000 Iraakse vluchtelingen in het land. Het VN-Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR) spreekt van het grootste vluchtelingenprobleem ter wereld. Volgens UNHCR zijn er nu 1,6 miljoen Irakezen in eigen land op de vlucht en heeft 1,8 miljoen Irakezen de wijk genomen naar het buitenland.

Freud en Beckett

De ontvoerders van Azraqi noemden zichzelf ‘religieus’. „Ze zeiden dat hun comité me een lesje ging leren, want ik moest worden gestraft. Ik vroeg: waarom? Ze zeiden dat ik westerse theorieën en anti-islamitische filosofie verspreidde: ‘je bezoedelt de geesten van de studenten’, zeiden ze. Ik heb het in mijn lessen over de literatuurtheorieën van het existentialisme, het marxisme en het nihilisme. Dat is nodig om het moderne Engelse toneel te kunnen begrijpen. Uit hun vragen bleek dat veel studenten hen hadden ingelicht over de inhoud van mijn cursussen. Hun vragen waren heel gericht: ‘Wat heb jij met Freud en de psychoanalyse? Je gaat maar door over de absurditeit van het leven, zelfmoord en overspel, en over revolutie en socialisme’. En ze verweten me dat ik mijn studenten Samuel Becketts werk opdring. Ik laat hen inderdaad Wachten op Godot opvoeren. Ik smeekte hun me niet te doden. ‘Straf me zoveel je wilt, maar dood me niet’, riep ik, ‘ik zal alles doen wat jullie willen.’ Ze sloegen en trapten me. Ik zei: ‘ik ben een moslim’. ‘Jij bent een vuile leugenaar en je moet worden gestraft’, schreeuwden ze terug.”

Volgens Azraqi waren ze er vooral op uit hem te vernederen en fysiek pijn te doen. „Toen verscheen plotseling een wat oudere man – hij had een diepe stem en werd door de anderen met mijnheer aangesproken. Hij was kennelijk de leider. Na een lang moment van aarzeling zei hij op bevelende toon: ‘Nee, we zullen je deze keer niet doden. Je bent maar 26 en helemaal geen belangrijke professor. Als we je doden zal dat maar weinig deining veroorzaken. Dit is een waarschuwing. Als we je nog eens te pakken krijgen, ga je eraan. We houden je in de gaten’. Na een aantal uren lieten ze me vrij, nadat ik had beloofd het land te zullen verlaten. Geblinddoekt voerden ze me in mijn eigen auto weg en lieten me midden in de velden alleen achter.”

Thuis vertelde Azraqi niemand iets, zelfs zijn moeder niet. „Ze zou doodsbang zijn geweest en niet meer hebben kunnen slapen. Ik verzon een verhaal, vertelde haar dat ik op reis moest voor de universiteit.” Amirs moeder is een sunniet, zijn vader een shi’iet. Ze zijn beiden gepensioneerd na een leven voor de klas, hij als leraar wiskunde, zij als docent Arabisch. Hun zes kinderen zijn hoog opgeleid. De twee dochters, de jongsten van de zes, zijn ingenieur.

„Ik gaf mezelf eerst een week en begon te pakken, maar ondanks alles wilde ik niet geloven dat ze mij zouden doden. Ik nam dus mijn tijd, maar na een week schoten ze mijn vriend dood, een professor aan de Landbouwfaculteit van de universiteit van Basra. Vlak voordat hij in het ziekenhuis overleed, zei hij me dat ik de volgende op hun zwarte lijst was. Een paar dagen na die moord belde mijn broer mij ’s nachts, een vriend had hem getipt dat ik onmiddellijk moest vertrekken: ‘Ga naar huis en verstop je. Ze hebben vannacht nog twee van je vrienden vermoord en nu zijn ze naar jou op zoek!’ Ik was nu doodsbang. Mijn broers vonden voor mij een veilig onderkomen voor de nacht. Ze stonden met wapens op wacht voor de deur. De volgende dag was ik op weg naar Amman. Maar van de Jordaanse overheid krijgen shi’ieten maar een verblijfsvergunning voor drie dagen en het leven is in de Jordaanse hoofdstad ook veel te duur, dus ben ik al snel hier in Damascus terechtgekomen. In de overige landen zijn wij helemaal niet welkom.”

Jordanië verwelkomt eigenlijk alleen de soennitische vluchtelingen uit Irak, zegt Azraqi, en sinds kort laat het zelfs niemand meer toe behalve wat rijke Iraakse zakenlieden. In Syrië is de toestand iets beter: Iraakse vluchtelingen hebben geen visum nodig. En de kans is volgens Azraqi bovendien groot dat je hier, in steden zoals Aleppo en in sommige wijken van Damascus, vrienden en kennissen tegenkomt. „Maar de Syrische regering geeft ons geen geld en we moeten medische zorg, school en onderdak helemaal zelf betalen. De Irakezen in Syrië zijn bij decreet uitgesloten van overheidshulp voor medische zorgen.”

Azraqi is bezorgd om zijn in Basra achterblijvende familie en kennissen en om die reden wil hij ook liever geen namen noemen. Twee van zijn broers, die ook in Irak voor buitenlandse bedrijven hebben gewerkt en werden bedreigd, zijn samen met hem op de vlucht gegaan. „Zij hebben vrouw en kinderen achtergelaten. Ze willen liefst zo snel mogelijk naar Basra terugkeren, maar dat kan nu niet. Ik wil nu liefst met mijn broers samen in Aleppo een flat huren, daar is het leven nog goedkoper en er zijn veel shi’ieten uit het zuiden van Irak.”

Doodseskaders

Thuis in Basra gaan de afrekeningen intussen door. De stad is de laatste maanden door de shi’itische milities die er de lakens uitdelen ‘gezuiverd’ van de soennitische aanwezigheid. „Ook hier zijn de laatste tijd doodseskaders aan het werk. Ze gebruiken politievoertuigen en dragen politie-uniformen en hebben de steun van hooggeplaatste politici in Basra en in Bagdad. Je vindt nu in Basra zo goed als geen soennieten meer. Wie niet is vermoord, is weggetrokken uit de stad.”

Volgens Azraqi zijn de mannen die hem gijzelden Irakezen die samenwerken met Iran. „Alleen Iran kan hier in het door de shi’ieten volkomen gedomineerde zuiden na de val van Saddam enige directe invloed laten gelden.” De invloed van de 7.000 Britse soldaten is volgens hem verwaarloosbaar. „Hun aanwezigheid maakt niet langer iets uit. Ze blijven nu de hele tijd in de paleizen die ze hier van Saddam hebben overgenomen. Zodra de buitenlandse troepen in Basra naar buiten komen vormen ze een doelwit.” De laatste keer dat de Britse soldaten volgens Azraqi nog een rol hebben gespeeld, was toen hier eind mei, na een aanval op de politiediensten, zeventien agenten werden gedood en de regering in Basra de noodtoestand afkondigde. „Zonder de steun van de Britten zou het bestuur van de stad toen zijn gevallen.” En op 22 december vielen meer dan 1.000 Britse militairen, gesteund door tanks, een afdeling van de Iraakse politie aan, een vermoedelijk doodseskader dat ervan werd verdacht achter het bloedbad in het politiebureau van afgelopen mei te zitten.

De laatste paar maanden neemt het geweld tussen de shi’ieten onderling toe. „Het dagelijkse geweld is nu tussen de shi’itische milities onderling; ze willen allemaal de controle naar zich toetrekken over de stad, de veiligheidsdiensten en de olie-inkomsten.” Het Leger van de Mahdi, de militie van de anti-Amerikaanse geestelijke Muqtada Sadr, controleert volgens Azraqi feitelijk de politie van Basra. „Zij hebben de machteloze gouverneur in hun greep. Hij kan niets tegen hen ondernemen.” En ondertussen vechten de in Iran getrainde Badr-militie van de machtige, in de Iraakse regering vertegenwoordigde SCIRI-partij en de Fadila-partij om de controle over de militaire veiligheidsdiensten.

In de totale chaos hebben ook allerlei criminelen nu zo goed als vrij spel. „De media hebben het altijd over Bagdad, maar ook hier is de toestand de laatste tijd snel verslechterd”, zegt Azraqi. „De mensen zijn ook in hun eigen huis doodsbang voor overvallen. Sommige mensen worden thuis vermoord of gegijzeld. En zeker wie rijk is kan ieder moment het slachtoffer worden van afpersers.”

Velen vluchten nu met hun hele familie het land uit. „En als ze hier in Syrië met die grote, overvolle bussen aankomen, zoeken ze voor hun kinderen meteen naar een geschikte school. Daaruit blijkt dat ze ervan uitgaan dat ze hier voor langere tijd zullen moeten blijven. Ze zijn ervan overtuigd dat de regering van premier Nouri al-Maliki niet langer in staat is om hen te beschermen.”

En ook hier in Syrië zijn is de sfeer onder de Irakezen bedrukt, zegt Amir. „Veel mensen zijn depressief. De meesten zijn verontwaardigd en verdrietig; ze barsten in tranen uit als ze weer nieuwe moordpartijen in ons land op tv zien. Zelfs hier in Syrië dat ons verwelkomt, voelen we ons vernederd. We zouden moeten kunnen teruggaan, maar dat is onmogelijk.”