Is Donald Duck een vogel?

Dirk Geeraerts, Leuvens taalhoogleraar en Van-Dale-hoofdredacteur, vindt dat eenduidige woorddefinities niet bestaan. Goed gekozen voorbeelden maken beter duidelijk wat je bedoelt. Berthold van Maris

PAARD A seahorse swims in a tank at the Underwater World Aquarium in Pattaya, nearly 145 km (90 miles) east of Bangkok August 20, 2005. REUTERS/Adrees Latif PP05080208 AL/NL REUTERS

Vraag iemand om een definitie te geven van een vogel en het zal gaan over vliegen, vleugels, veren, een snavel en eieren. Toch is het onmogelijk om uit deze vijf kenmerken een sluitende definitie op te bouwen. Want struisvogels en pinguïns vliegen niet. Ook zijn er andere beesten met vleugels (vleermuizen) of veren (dinosauriërs) of een snavel (het vogelbekdier).

Daar staat tegenover dat er veel vogels zijn die wel aan de vijf kenmerken voldoen: het roodborstje en de duif bijvoorbeeld. Dit zijn prototypische vogels. Als je iemand vraagt om een voorbeeld te geven van een vogel, zal hij in de regel zo’n prototypische vogel noemen: een mus, een merel... Wat een vogel is, kun je beter uitleggen aan de hand van een paar voorbeelden dan aan de hand van kenmerken.

Dirk Geeraerts, hoogleraar in Leuven en co-hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, houdt zich bezig met de definieerbaarheid van woorden. Hij hangt de prototype-theorie aan, en schreef daarover talloze artikelen. Een deel daarvan is nu gebundeld in het boek Words and Other Wonders. Papers on Lexical and Semantic Topics.

“De prototype-theorie komt uit de psychologie”, vertelt Geeraerts. “Het idee is dat je aan de leden van een categorie een verschillend gewicht kunt toekennen. Als je een concept hebt, bijvoorbeeld ‘fruit’, dan heb je in onze cultuur appels en peren en misschien ook nog sinaasappels en bananen. Dàt zijn de fruitsoorten die onmiddellijk voor de geest komen. De appel heeft voor ons een groter gewicht in onze kennis van fruit dan bramen, of een of andere onbekende tropische vrucht. Psychologen hebben allerlei testjes gedaan, waarin mensen zinnetjes moesten beoordelen als waar of niet waar. De snelheid waarmee dat gebeurt blijkt dan afhankelijk te zijn van de graad van prototypiciteit. De reactie op ‘een duif is een vogel’ komt sneller dan de reactie op ‘een pinguïn is een vogel’.”

Aan de hand van de voorbeelden van wat een vogel is en de kenmerken waar de meeste vogels aan voldoen, maar sommige niet, kun je een schema maken, een grafische voorstelling waarin de kenmerken elkaar voor een deel overlappen. Bij ‘vogel’ is het zo dat al die kenmerken elkaar midden in het schema overlappen en daar bevinden zich dus de prototypische exemplaren.

randgevallen

Geeraerts: “Zo’n schema laat duidelijk zien dat je een kern hebt, en dat er randgevallen zijn. Blijkbaar redeneren wij vanuit centrale begrippen en bouwen vervolgens onze kennis op door varianten op die begrippen toe te staan. Nieuwe dingen die we tegenkomen, trekken we naar de bestaande categorieën toe. Een prototype-structuur vormt als het ware een interpretatie-schema voor nieuwe ervaringen of nieuwe dingen die we tegenkomen. Die schema’s hebben een flexibele stabiliteit.”

Het idee dat bepaalde concepten – zoals vogel en fruit – alleen gedefinieerd kunnen worden aan de hand van ‘familie-gelijkenissen’, komt van Wittgenstein. Geeraerts: “Die bedoelde dat ‘familie’ heel letterlijk. Neem een grote familie met verschillende generaties. Dan zijn er een paar typische kenmerken die daarin veel terugkomen, bijvoorbeeld kaalheid, flaporen, dat soort dingen. Maar er is niemand in de familie die al die kenmerken tegelijk heeft. Ze treden op in allerlei combinaties.” De betekenis van veel alledaagse concepten is op dezelfde manier opgebouwd. Ze kunnen niet op de klassieke manier – aan de hand van algemene kenmerken – gedefinieerd worden.

Bovendien zijn er vaak grensgevallen. Is Donald Duck een vogel? Is een kokosnoot fruit? Geeraerts: “Vraag zoiets aan mensen en je krijgt twijfelende antwoorden. Overigens doet prototypiciteit zich ook voor bij woorden die je perfect kunt definiëren. Neem een abstracte categorie als de oneven getallen. De 3 en de 5 zullen meer in ons hoofd zitten als voorbeeld van oneven getallen dan 817. Terwijl er over de precieze afbakening van het concept geen enkele twijfel bestaat. Zo zijn er ook alledaagse concepten die je precies kunt afbakenen. Maar er zijn ook heel veel gevallen waarin dat niet lukt.”

Hoe zit dat in godsnaam in ons hoofd? “Wat dat betreft neem ik een nogal agnostisch standpunt in”, zegt de Leuvense hoogleraar. “Ik doe daar geen uitspraken over. Daar hebben we collega’s voor: de psychologen. Als taalkundige probeer ik te beschrijven wat de onderliggende semantische structuur is. Je zou je kunnen voorstellen: zo’n concept als fruit zit in je hoofd in de vorm van de kennis die je hebt over appels en peren en sinaasappels en bananen – die centrale exemplarische gevallen. Maar je kunt je ook voorstellen dat het in je hoofd zit in de vorm van een gestructureerde verzameling kenmerken. Fruit is iets wat je eet als dessert, wat op een bepaalde manier aan bomen of struiken groeit, etcetera. De vraag voor het psychologisch onderzoek is dan: hoeveel kennis en welke kennis is opgeslagen op een abstracte manier, en hoeveel kennis is opgeslagen aan de hand van de instanties, de voorbeelden.”

Hoe moeilijk of zelfs onmogelijk het kan zijn om woorden te definiëren, weet Geeraerts uit de praktijk. Hij heeft jarenlang zelf met zijn laarzen in de modder gestaan. In de jaren tachtig als redacteur van het WNT (Woordenboek der Nederlandsche Taal) en de afgelopen tien jaar als redacteur en co-hoofdredacteur van de Dikke Van Dale.

Bij het WNT werd er gewerkt met enorme hoeveelheden citaten, ‘vindplaatsen’, uit de periode van 1500 tot 1920. “Een gemiddeld woord had 100 à 200 vindplaatsen”, vertelt Geeraerts. “En voor echt serieuze woorden begon het aantal vindplaatsen bij 500 en dat kon soms oplopen tot een paar duizend. Daar was je wel even mee bezig, om die te ordenen en te classificeren. Het is door de confrontatie met zulke grote hoeveelheden materiaal, door die voortdurende strijd met de betekenissen, dat ik echt ben gaan zien wat er aan de hand is. Hoeveel variatie er is en hoe complex dat is.”

vaagheid

Woordenboeken doen net alsof alles te definiëren is, maar de makers ervan weten wel beter. “Als je kijkt wat woordenboeken de facto doen, dan zie je dat vaagheid en het belang van specifieke voorbeelden al heel lang in de praktische werkwijze van de lexicograaf ingebakken zitten. Twintig, dertig jaar terug was het theoretische standpunt: zo zuiver mogelijk definiëren. De definitie moest echt álle gevallen omvatten en alléén die gevallen, en álles wat in de definitie stond moest van toepassing zijn op álle mogelijke voorbeelden.”

Dat had ook te maken met het structuralistische denken van die tijd: de veronderstelling was dat in de structuur van de woordenschat de grenzen eigenlijk het belangrijkste waren – de afbakening van het ene concept ten opzichte van het andere. De woordenschat zou de werkelijkheid netjes in gebieden opdelen.

“Maar zo eenvoudig blijkt het niet te zijn”, zegt Geeraerts. “Dus zag je dat woordenboekmakers toch met voorbeeldjes werkten en met formuleringen als ‘meestal’, ‘met name ook’ en ‘zoals’. Je zou kunnen zeggen dat de prototype-theorie eigenlijk bevestigt wat de lexicograaf altijd al gedaan heeft.”

Geeraerts heeft de prototype-theorie op verschillende woordsoorten toegepast. Hij maakte bijvoorbeeld een analyse van de werkwoorden ‘vernielen’ en ‘vernietigen’, zoals die in de negentiende eeuw gebruikt werden. Ze waren toen vrijwel synoniem, althans op het eerste gezicht. Tegenwoordig wordt ‘vernielen’ gebruikt bij concrete objecten, en ‘vernietigen’ bij abstracte zaken. In de negentiende eeuw konden ze door elkaar gebruikt worden. Maar als je dat materiaal goed analyseert, krijg je bij ‘vernielen’ een schema waarin de concrete gevallen in het midden staan, en de abstracte in de periferie; bij ‘vernietigen’ is het precies andersom. In de twintigste eeuw zijn de centrale betekenissen behouden gebleven en is de periferie grotendeels weggevallen.

Volgens Geeraerts kan de prototype-benadering ook worden toegepast op voorzetsels. In zijn boek staat een uitgebreide analyse van het voorzetsel ‘over’ (in de ruimtelijke betekenis), dat in verschillende contexten voorkomt. Ze liep over de lijn. Hij sprong over de sloot. Er lag een doek over het slachtoffer.

Maar het wordt echt spannend als de prototype-theorie wordt losgelaten op grammaticale constructies, zoals het meewerkend voorwerp. Het prototype van een meewerkend voorwerp is ‘iemand iets geven’: de actieve overdracht van een materiële zaak aan een ontvanger die daar voordeel bij heeft. Deze omschrijving bestaat uit vijf kenmerken (actief, overdracht, materieel, ontvanger, voordeel) die elkaar overlappen in het geval van iemand iets geven, maar vervolgens zijn er veel indirecte objecten die niet aan al deze kenmerken voldoen: iemand iets ontnemen, iemand iets zeggen, iemand iets beloven, etcetera. Je kunt hier een schema van tekenen, dat enigszins lijkt op het schema van ‘vogel’, met ‘iemand iets geven’ in het midden en de rest eromheen, dichter bij of verder weg van de kern.

regionaal

Zelfs op een nog abstracter niveau komt Geeraerts soms ‘prototypische effecten’ tegen. Een tijdje terug promoveerde Gert de Sutter bij hem op de woordvolgorde achter in de bijzin. Je kunt in het Nederlands kiezen tussen ‘... dat hij gekomen is’ en ‘dat hij is gekomen’. “Die keuze verschilt regionaal”, vertelt Geeraerts, “en is daarnaast afhankelijk van prosodische factoren: dingen die met beklemtoning en zo te maken hebben. Maar ook van de vraag of het voltooid deelwoord sterk lijkt op een adjectief. Bij adjectieven heb je namelijk maar één volgorde: dat hij ziek is. Niet: dat hij is ziek. Welnu, als je voltooid deelwoorden hebt die ook als adjectief gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld ‘gesloten’, dan blijkt dat effect te hebben op hun gebruik als voltooid deelwoord. Dit grenseffect kun je ook zien als een soort prototypiciteitseffect: je hebt protypische adjectieven, je hebt prototypische voltooid deelwoorden, en je hebt dingen die daar een beetje tussen in zitten. En het feit dat ze ertussen in zitten, blijkt effect te hebben op de manier waarop ze grammaticaal gebruikt worden.”

Geeraerts is een groot voorstander van ‘corpusonderzoek’, het analyseren van grote hoeveelheden bestaande tekst en andere vormen van spontaan taalgebruik. Dat lijkt voor de hand te liggen. Maar veel taalkundigen werken op een introspectieve manier: ze zitten achter hun bureau, denken aan een woord, of verzinnen een zinnetje en proberen zich vervolgens voor te stellen wat het zou kunnen betekenen.

Geeraerts baseert zijn betekenisanalyses liever op bestaand tekstmateriaal. Dat deed hij bij het WNT al, en als wetenschapper heeft hij bijvoorbeeld allerlei aanduidingen voor kledingstukken geanalyseerd aan de hand van modetijdschriften en lifestylebladen. De modefoto’s lieten de kledingstukken zien, en in de fotobijschriften werden ze benoemd. Ook stuurde hij studenten langs etalages waarin kledingstukken getoond en benoemd werden. Alleen op deze manier was het mogelijk om precies vast te stellen wat een ‘legging’ is, of een ‘pantalon’, en wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen een ‘jasje’, een ‘jack’ en een ‘colbert’.

Geeraerts: “In een klassieke opvatting van de woordenschat gaat men er niet alleen van uit dat er mooi afgebakende grenzen zijn tussen de concepten, maar ook dat de hiërarchische relatie tussen die concepten heel netjes is, dus dat je mooie taxonomieën hebt: op het hogere niveau heb je broek en daaronder heb je dan dingen als bermuda, legging, spijkerbroek, etcetera. Dan lijkt het alsof op dat tweede niveau, dat onderste niveau, al die concepten even belangrijk zijn. Maar dat is natuurlijk niet het geval. Jeans heeft een veel sterker eigen gewicht dan bermuda. Toon honderd mensen een spijkerbroek en vraag: wat is dit? Dan zegt bijna iedereen in Vlaanderen: een jeans. En in Nederland: een spijkerbroek. Toon honderd mensen een bermuda, dan zegt dertig procent een bermuda en zeventig procent een broek. Dus de eigen aantrekkingskracht van het concept spijkerbroek is veel groter dan die van het concept bermuda.”

Ook het woord ‘vogel’ onttrekt zich aan die klassieke taxonomie. Voor de bioloog (en de klassieke woordenboekmaker) staat vogel op hetzelfde niveau als: zoogdier, reptiel, amfibie. Maar in het alledaagse taalgebruik van de stadsbewoner staat vogel eerder op hetzelfde niveau als hond, kat, vis en paard.

Dirk Geeraerts, Words and Other Wonders. Papers on Lexical and Semantic Topics. Mouton de Gruyter, ISBN-13: 9783110190427

    • Berthold van Maris