In bad fluister je de naakte waarheid

In het kuurbad zijn alle Hongaren gelijk. In het thermische bad Széchenyi zetten de inwoners van Boedapest hun dagelijkse bezigheden voort. Ze klagen, kussen, schaken, debateren, roddelen en fantaseren erop los.

Het Rudas-bad, een architectonisch pronkstuk uit de zestiende eeuw dat in 2005 werd heropend na een grondige verbouwing Foto AFP Budapest (Hongrie). Les anciens bains turcs (XVIème siècle) des thermes Rudas. BLI-55-7 ROGER_VIOLLET

Het damesgesmoes stopt abrupt, waarna tien paar ogen zich fixeren op de ingang van de hölégkamra, Hongaars voor sauna. Een jonge god, slechts gehuld in een veter, treedt de nauwe ruimte binnen. Hij loopt recht op de bak met gloeiende kolen af en twijfelt geen moment: met twee handen grijpt hij een paar kolen vast en drukt ze tegen zijn natte borst. Het produceert een wellustig geluid, zoals het geknetter van een malse biefstuk die in een pan met hete boter glijdt.

Een paar spannende minuten blijft de vetermacho koel voor zich uit staren, waarna hij de sauna weer verlaat. „Hát istenem! – Oh mijn God!” roept een van de vrouwen. „Ai ai”, zegt een ander. Waarna ze doorgaan met waarmee ze bezig waren: fantaseren, klagen, maar vooral heel veel roddelen. „Wist jij dat de man van Ildiko zijn minnares heeft getrakteerd op een nieuw autootje?”

Het is dinsdagochtend in het Széchenyi-bad in Boedapest, en tegen de wand van het 38 graden buitenbad hebben de vaste bezoekers hun posities ingenomen. De schakers – veelal gepensioneerde mannen – staan tot aan hun middel in het water en verzetten de stukken op een waterbestendig schaakbord. Een jong stel gaat traag door het stroperige water; zij heeft haar armen om zijn hals geslagen en laat zich voorttrekken, terwijl ze hem lieve woordjes in het oor fluistert. Op houten bankjes rond het bad genieten mensen van warme witte wijn. De crew van een pornofilm gebruikt de vrije ochtend in de buitenlucht om wat bij te kleuren. ’s Middags hervatten ze de opnames, elders in de stad. Twee professoren op leeftijd voeren luidruchtig hun debat.

Het Széchenyi-bad – midden in het grote stadspark, omheind door paleisachtige vertrekken en gebouwen met bronzen koepeldaken – is het meest volkse en toegankelijke bad van de Hongaarse hoofdstad. Buiten raast het verkeer in de metropool, waar de afgelopen maanden op straat grote politieke en sociale conflicten werden uitgevochten. Er heerst onvrede over de groeiende welvaartskloof in de jonge EU-lidstaat. In het kuurbad is van deze spanning en frustratie weinig te merken. Ondergedompeld in zwavelhoudend water zijn alle Hongaren gelijk. Nergens anders zijn zij zo op hun gemak.

De Hongaren danken hun rijke badcultuur aan de dunne aardkorst in het Karpatenbekken waardoor water sneller wordt opgewarmd en gemakkelijker naar de oppervlakte stijgt. ‘Akluk’, ofwel ‘overvloedige wateren’, noemden de Kelten eeuwen geleden Boedapest. Onder de stad borrelen ruim honderd geneeskrachtige bronnen.

Hoewel de Romeinen al een paar baden hadden gebouwd, ontstond een serieuze badcultuur pas in de tijd van de Turkse overheersing in de zestiende eeuw. Meteen nadat zijn legers Boeda hadden ingenomen, gaf pasja Sokoli Mustafa zijn architecten opdracht tot de bouw van tientallen moskeeën en baden. Het pronkstuk werd het Rudasbad, gebouwd door het Griekse wiskundige genie Sinan, aan de oever van de Donau ter hoogte van de Elizabethbrug. Het staat er nog steeds. De verwaarloosde gevels beloven weinig, maar eenmaal binnen is de architectuur van een verbluffende schoonheid. Daglicht valt door het glaswerk in de elegante koepel die het octagonale bad omspant.

Het Rudas was tot voor kort het domein voor mannen. Maar na een verbouwing werd het bad bij de heropening in 2005 ook opengesteld voor vrouwen. Het haalde de voorpagina’s in Hongarije. „De vrouwen komen het weer verpesten”, reageerden teleurgestelde kerels. Op twee doordeweekse middagen zijn vrouwen nu welkom. Op vrijdag- en zaterdagavond is het Rudas gemengd, tot vier uur in de nacht. Dat bleek een slimme zet, want het Rudas trekt sindsdien hip volk, dat na het baden de hoek omgaat naar het pas geopende tuincafé, gelegen in de schaduw van het badhuis.

Net als het Rudas liggen de Király- en Lukács-badhuizen langs de Donau. Allemaal hebben ze hun eigen klantenkring. De literaire club heeft zijn vaste ochtend in het Lukács, homo’s treffen elkaar op gezette tijden in het Király en zaterdagochtend komen traditiegetrouw de correspondenten van buitenlandse kranten samen in het Rudas.

De drie baden zijn minder bekend onder toeristen. Die gaan naar het badhuis van het beroemde Gellért-hotel, gebouwd in 1918. Ook daar gelden de strikte regels van het Hongaarse waterballet. Eerst krijgt de bezoeker bij binnenkomst een schaamlap uitgereikt: formaat zakdoek voor de mannen, model keukenschort voor de vrouwen. Wie toch in een groot uitgevallen Hawaï-zwembroek te water gaat kan rekenen op bestraffende blikken van de Hongaar. Vervolgens is het een plicht zo geruisloos en onopvallend mogelijk op te gaan in het geheel. Duiken of een salto maken in een Hongaars bad? Ten strengste verboden. „Wie de ernst van onze badcultuur niet inziet kan beter wegblijven”, zegt een kennis. „In het Hongaarse parlement, daar schreeuwen de leugenaars om het hardst. Maar in bad fluistert men de naakte waarheid.”

    • Tijn Sadée