HET WONDER VAN HET WEB

Internet is het eerste massamedium waartoe de massa ook werkelijk toegang heeft. Dat hadden de bedenkers van het net niet voor ogen, toen ze vijftig jaar geleden opdracht kregen een computernetwerk te bouwen dat een Russische atoombom kon weerstaan.

En zie: wat goed was voor het Amerikaanse leger, bleek uiteindelijk ook goed voor een miljard wereldburgers.

Het is in oktober van dit jaar een halve eeuw geleden dat Russische technici een metalen bol van een halve meter doorsnee de ruimte in schoten. De bol woog tachtig kilo, was uitgerust met vier antennes en heette Spoetnik - Russisch voor metgezel.

De Spoetnik verbrandde al na een paar maanden in de dampkring, maar het ruimtetijdperk was begonnen.

Het was ook het begin van een reeks onvoorziene gebeurtenissen die het leven van de aardbewoners op een ingrijpende manier zou veranderen. Want de Spoetnik leidde uiteindelijk tot internet. Tot e-mail, tot Google, tot Marktplaats.nl en tot de driedimensionale fantasiewereld van het internetspel Second Life.

De Spoetnik was een schok voor de Amerikanen: de Russen bleken veel verder te zijn dan ze altijd hadden gedacht. Onmiddellijk maakten ze plannen voor het herstel van hun technische superioriteit. Een van de belangrijkste middelen daarvoor moest een netwerk voor militaire communicatie worden dat zo solide was dat het een aanval met een Russische atoombom kon overleven. Dus niet een netwerk met een telefooncentrale waar alle lijnen bijeen kwamen en die je met één welgerichte bom kon uitschakelen. Nee, het zou meer een web moeten zijn, een grillig patroon van draden en dwarsverbindingen, waar de vijand geen vat op kon krijgen, waarin de ene draad het werk van de andere kon overnemen en waarin geen duidelijk centrum was.

Dat bleek een gouden idee, en zie, wat goed genoeg was voor het Amerikaanse leger bleek ook heel geschikt voor universiteiten en later voor gewone mensen. Nu is meer dan een miljard wereldburgers via het net op elkaar aangesloten.

Het is de essentie van het net: de weergaloze veelzijdigheid ervan en de verrassingen die het steeds weer in petto heeft. Soms kwamen die zo snel dat de mensen het niet meer konden bijbenen. Aan het einde van de jaren negentig bijvoorbeeld. Internet groeide toen in een adembenemend tempo. Jonge internetbedrijven als Yahoo en Netscape waren op de beurs meer waard dan bedrijven waar al decennialang auto's en vliegtuigen werden gemaakt. Jeugdige ondernemers met een goed idee werden in een jaar multimiljonair. Er was een nieuwe economie ontstaan, en voortaan was alles anders. In het begin van 2000 kreeg die beweging zijn symbolisch hoogtepunt: het machtige uitgeefconcern Time Warner werd overgenomen door internetbedrijf America On Line. De oude wereld werd door de nieuwe opgekocht en ingelijfd. De nieuwe wereld was uit op de tijdschriften, de boeken en de films van de oude. Dat heette voortaan content, en daar kon je op internet heel veel mee verdienen. Al binnen het jaar bleek de kwestie toch gecompliceerder dan gedacht. Het nieuwe bedrijf maakte enorme verliezen en het duurde niet lang of aol Time Warner heette weer gewoon Time Warner.

In Nederland voltrok het internetdemasqué zich ook op een heel aanschouwelijke manier. De beursgang van World Online in maart 2000 bleek na een paar dagen een grandioos fiasco en de beroemde foto van bestuursvoorzitter Nina Brink die met de duimen omhoog haar bedrijf naar de beurs bracht werd het icoon van de virtuele windhandel.

Het kwam niet meer goed met de interneteconomie. De dotcom-crash duurde van maart 2000 tot oktober 2002. Met opluchting stelde menigeen vast dat de wereld weer bij zinnen was gekomen. Internet, het was snel, handig en nuttig, maar uiteindelijk was het toch maar een kanaal, een medium. The medium is the message, schreef Marshall McLuhan in Understanding Media (1964), en hij bedoelde dat het belang van een nieuw medium vooral ligt in de sociale consequenties ervan. Welnu, hoe interessant die ook waren, spectaculair waren ze in dit geval niet. De wereld bleef die hij was.

Multimiljardairs

Maar wie tot zich laat doordringen wat er alleen al de afgelopen twee jaar met internet gebeurt, begint aan die conclusie te twijfelen. Want het internetgeld stroomt weer als water. De beursgang van internetbedrijf Google in 2004 maakte van oprichters Sergey Brin en Larry Page tienvoudige multimiljardairs. Veilingsite Ebay kocht in datzelfde jaar voor 225 miljoen euro Marktplaats.nl van de Nederlandse oprichters. Rupert Murdoch betaalde voor de jongerensite MySpace in 2005 bijna 600 miljoen dollar en Google telde vorig jaar 1,65 miljard dollar neer voor de videosite YouTube. Vriendensites als Hyves, fotosites als Flickr (voor 30 miljoen dollar gekocht door Yahoo) trekken miljoenen bezoekers. In het internetspel Second Life leven een miljoen wereldburgers een virtueel leven. Nieuwe internettoepassingen als webradio, digitale televisie, bloggers en internettelefonie versterken het idee dat internet alles op zijn kop zet. Het lijkt wel of de dagen van vóór de dotcom-crash aan het herleven zijn.

Maar deze keer is de basis steviger. Om te beginnen heeft de opmars van de breedband-internetverbindingen het net veel attractiever gemaakt. Internetverkeer gaat via adsl en kabel vele malen sneller dan via een gewone telefoonlijn, en daardoor zijn heel wat toepassingen mogelijk geworden die het moeten hebben van het transport van heel veel bits in korte tijd: vooral alles wat te maken heeft met beeld, video en geluid.

Daar komt bij dat voor het eerst een generatie opgroeit die van jongs af aan met internet vertrouwd is. Rond 1995 hadden overal ter wereld internetproviders het net voor het grote publiek opengesteld en was er gebruiksvriendelijke programmatuur voorhanden om het te bekijken, de zogenaamde browsers. De kinderen die toen een jaar of vijf waren zijn nu zestien, zeventien en voor hen is internet een tweede natuur. Veel van wat er op internet gebeurt is door de entree van die generatie en van alle jongeren na hen te verklaren: de enorme populariteit van het chatten bijvoorbeeld, de creatie van vrienden- en videosites.

Maar ook uit andere leeftijdsgroepen kwamen nieuwe internetgebruikers en die toestroom werd ook op zichzelf een belangrijke factor: niet alleen wordt het net aantrekkelijker als er meer mensen op zijn aangesloten, ook wordt aansluiting op het net steeds meer een voorwaarde om aan het sociale verkeer deel te nemen.

Aan de aanbodkant veranderde er ook nogal wat. De prijs van computerapparatuur daalde sterk en dat drukte de aanloopkosten voor beginnende internetondernemers aanzienlijk. Ook van betekenis was de ontwikkeling van nieuwe exploitatiemodellen. Google introduceerde in 2003 een advertentieprogramma dat ook voor nieuwe sites aantrekkelijk was, en waarmee die al snel advertentie-inkomsten konden binnenhalen. Beide factoren hebben er sterk toe bijgedragen dat beginnende internetondernemers minder afhankelijk werden van externe financiers. Internet is daardoor ook voor entrepeneurs veel laagdrempeliger geworden. In de laatste jaren is het aantal websites spectaculair gegroeid, al weet niemand precies hoeveel het er zijn.

Maar de infrastructuur en de condities voor startende ondernemers mogen dan verbeterd zijn, er moeten dieperliggende verklaringen zijn voor het aanhoudende succes van internet. Wat maakt het net toch zo aantrekkelijk? Wat is de motor?

Volgens een populaire theorie heeft het net de functie van de openbare ruimtes overgenomen waar de mensen elkaar vroeger ontmoetten: straten, pleinen, cafés. Nu die steeds minder toegankelijk worden, zo luidt de theorie, zoekt de moderne mens zijn toevlucht op internet. Het klinkt goed, maar het is niet erg aannemelijk. De straten, pleinen en cafés zijn drukker dan ooit, en uit onderzoek blijkt dat internetverkeer in het algemeen niet in de plaats van fysiek contact komt, maar er juist vaak toe leidt: mensen spreken chattend of per e-mail af elkaar ergens te treffen. Belangrijker zijn waarschijnlijk de vormen van communicatie die alleen het net mogelijk maakt: geestverwanten die elkaar zonder het net nooit gevonden zouden hebben, patiënten die lijders aan dezelfde ziekte via het net steunen. Dat zijn al vanaf de begintijd van het net succesvolle toepassingen.

Maar de grote gangmaker van het net is nu een nieuwere vorm van communicatie, die veel symbolischer is, persoonlijker en visueler. Broadcast yourself!, spoort videosite YouTube zijn bezoekers aan. De jongeren die daar hun favoriete videofilmpjes achterlaten, hun foto's in Flickr, of in Hyves vertellen van welke merken ze houden, zeggen iets over zichzelf, het is hun manier om een persoonlijk profiel te creëren. De andere bezoekers kunnen hun commentaar op de filmpjes geven, ze kunnen zien of er nog meer filmpjes of foto's van dezelfde inzender afkomstig zijn, ze kunnen ook zien waar hij of zij nog meer van houdt. Ze raken met elkaar in gesprek. En hoewel er veel ongein, botsende auto's en puberale grappen te zien zijn, zitten er ook juweeltjes tussen - prachtige tekenfilmpjes, interessante singer-songwriters, fabelachtig goede amateur-jongleurs. Zonder auditie, meteen op een wereldpodium voor een kritisch en geïnteresseerd publiek.

De bloggers, de mensen die op internet een dagboek bijhouden, worden door datzelfde verlangen gedreven: zelfexpressie op een plek waar iedereen hen kan lezen, zonder tussenkomst van betweters en autoriteiten.

Het is een van de belangrijkste redenen voor de aantrekkingskracht van het net: die open, democratische en antihiërarchische structuur. Het weblog van een bijstandsmoeder uit Delfzijl is even toegankelijk als de homepage van de Bill & Melinda Gates Foundation. Op het net heeft een ontevreden gebruiker van Windows net zoveel ruimte om te klagen als Microsoft heeft om reclame te maken voor hetzelfde product. Wie het oneens is met het regeringsbeleid kan op het net elke dag een vlammend pamflet publiceren.

Heel aantrekkelijk voor iedereen met een grief, een klacht of een idee. Maar tegelijkertijd heel onwelkom voor veel traditionele instellingen en niet-democratische regeringen. Tegenhouden kun je die brutale opposanten niet, want het net heeft geen baas, geen directie en nauwelijks een gezagsstructuur. Het net is een curieuze combinatie van high tech en anarchie. Dat is een rechtstreeks gevolg van zijn ontstaansgeschiedenis.

Geschiedenis

Aan de wieg van internet stond 'de onwaarschijnlijke combinatie van harde wetenschap, militair onderzoek en de cultuur van de vrijheid', schreef de socioloog Manuel Castells in The Internet Galaxy (2001).

In reactie op de lancering van de Russische Spoetnik richtte het Amerikaanse ministerie van Defensie in 1958 het Advanced Research Projects Agency (arpa) op. De organisatie moest technologisch onderzoek aan universiteiten stimuleren en financieren. Het doel was het herstel van de Amerikaanse militaire superioriteit in de wereld. Een van de onderdelen van het werk van arpa was het opzetten van een computernetwerk, opdat onderzoekers gemakkelijk toegang konden krijgen tot het beperkte aantal krachtige computers dat zich in de Verenigde Staten bevond. Verscheidene topuniversiteiten werkten aan dat netwerk mee en in 1969 was arpanet op beperkte schaal in de lucht.

Het netwerk was op een revolutionaire wijze opgezet. In antwoord op de militaire eis dat een netwerk een atoomaanval moest overleven was een techniek ontwikkeld die bekend staat als packet switching. Het kwam erop neer dat elk commando van de gebruiker en elk antwoord van de computer in kleine stukjes werd geknipt en dat die pakketjes via de snelste route naar hun bestemming werden geleid. Het voordeel van deze methode was dat op deze manier heel efficiënt gebruik kon worden gemaakt van de capaciteit van het net. Was een bepaalde verbinding bezet of uitgevallen, dan werd het pakketje omgeleid via een andere verbinding. Packet switching is nog steeds een van de kenmerken van het huidige internet, evenals die web-achtige, gedecentraliseerde structuur. En hoewel het militaire apparaat al vrij snel zijn eigen netwerk bouwde en afscheid nam van arpanet - het werd te weinig gesloten geacht om veilig te kunnen zijn - is de militaire erfenis nog steeds aanwezig. Dankzij de decentrale structuur en de pakketjes is het nog steeds heel moeilijk om internet lam te leggen.

Vrije cultuur

Maar behalve die robuustheid is in het net ook de erfenis van een heel andere levenssfeer te vinden: de vrije cultuur van de Amerikaanse universiteiten van de jaren zeventig. Die cultuur drukte zijn stempel op het net toen de volgende fase aanbrak: de verbinding tussen arpanet en andere computernetwerken. Over de vraag wie er allemaal toegang tot het net had werd niet al te moeilijk gedaan en ook gebruik dat niet rechtstreeks een onderzoeksdoel diende werd toegestaan. Zo kon een grote groep liefhebbers van science fiction over het net uitgebreid informatie uitwisselen over hun favoriete genre. Voor de netbeheerders was het een mooie gelegenheid om het gedrag van het net onder belasting te observeren. Veel van die nieuwe gebruikers waren studenten van de aangesloten universiteiten, en in hun pogingen het net naar hun hand te zetten maakten ze het toegankelijker en gebruiksvriendelijker.

Intussen raakte het oorspronkelijke doel van het net steeds meer uit zicht: toegang krijgen tot zware mainframe-computers die zich ergens anders bevonden. Dat kwam vooral doordat er steeds meer kleine krachtige computers beschikbaar kwamen. En het arpanet zou een zachte dood gestorven zijn, schrijft historica Janet Abbate in haar boek Inventing the Internet (1999), als niet een nieuwe toepassing van het netwerk een smash hit was geworden: e-mail. Het was al langer mogelijk voor gebruikers van dezelfde computer om boodschappen voor elkaar achter te laten, maar pas in het begin van de jaren zeventig werd een werkbare vorm van e-mail bedacht; de elektronische 'mailbox' werd uitgevonden en al spoedig was e-mail verantwoordelijk voor het meeste verkeer op het netwerk. Het zou niet de laatste keer zijn dat een succesvolle toepassing van het net min of meer bij toeval ontstond.

De uitbreiding van het net en een verlangen naar grotere gebruiksvriendelijkheid maakte het noodzakelijk een standaard te ontwikkelen die door computers uit verschillende netwerken begrepen zou worden. Computerwetenschappers van onder meer de Stanford University stelden het beroemde tcp/ip protocol op, en vanaf dat moment konden alle computers die zich daaraan hielden met elkaar communiceren. De namen van de onderzoekers die hierbij betrokken waren worden door de internetgemeenschap nog steeds met eerbied uitgesproken: Vincent Cerf, Steve Crocker, John Postel. Zij maakten het net tot een open structuur, waaraan op eenvoudige wijze nieuwe netten en knooppunten konden worden toegevoegd.

World Wide Web

In de jaren zeventig en tachtig groeide het net, maar het gebruik bleef beperkt tot de universitaire wereld en de computergemeenschap. Daar bracht de Britse onderzoeker Tim Berners-Lee verandering in. Tijdens zijn verblijf op het natuurkundig laboratorium cern in Genève maakte hij samen met zijn Belgische collega Robert Cailliau internet geschikt voor gewone mensen door in 1990 het World Wide Web te bedenken. Elk adres in het netwerk kreeg een simpele naam en de gebruiker hoeft maar op een paar oplichtende woordjes te klikken om op dat adres te arriveren. De huidige internetter staat er niet meer bij stil, maar het is dankzij het werk van Berners-Lee dat je zo eenvoudig datgene kunt doen waar je voordien heel wat computerkennis voor nodig had: contact maken met een computer die zich in hetzelfde dorp, maar ook in een ander continent kan bevinden.

Berners-Lee had met zijn uitvinding het beste voor met de wereld. Rijk wilde hij er niet van worden - hoewel dat waarschijnlijk gemakkelijk gekund had. In zijn boek Weaving the Web (1999) legt hij er voortdurend de nadruk op dat de acceptatie van zijn systeem het enige was dat voor hem telde. Een bedrijf beginnen zou daarbij niet helpen, vond hij.

Dat heeft hij waarschijnlijk goed gezien. Het net was in die tijd een zaak van toegewijde computeridealisten en in Berners-Lee herkende die gemeenschap een geestverwant. Toegankelijkheid en beschikbaarheid waren de sleutelwoorden, het web moest een 'universele bron' worden, een database van alles. Om dat doel te bereiken stond ook Berners-Lee een decentrale opbouw voor, met zo weinig mogelijk belemmeringen voor aanmelding of registratie.

'Als er een centraal regelpunt zou komen zou dat snel een bottleneck worden voor de groei van het Web', schrijft hij in zijn boek. 'Its being 'out of control' was very important.'

Tot dusverre was al het onderzoek en al de ontwikkeling betaald met overheidsgeld - zij het zonder dat de verstrekkers van dat geld daar op uit waren. Berners-Lee werkte aan zijn web zonder dat zijn bazen ervan wisten, en ook in de eerdere geschiedenis van het net was het vaak onduidelijk waar al die nerds nu precies mee bezig waren.

In het begin van de jaren negentig raakte een nieuwe partij geïnteresseerd: het bedrijfsleven. Al eerder hadden in de Verenigde Staten bedrijven als America On Line en CompuServe geld verdiend met het aanbieden van e-mail, en beperkte toegang tot internet, maar pas op 9 augustus 1995 barstte de bom. Op die dag ging in Wall Street een bedrijf naar de beurs dat nog geen anderhalf jaar bestond, nog nooit winst had gemaakt en dat aan het einde van de dag 4,4 miljard dollar waard was: Netscape. Netscape had de gebruiksvriendelijkheid van het net een flink stuk verder gebracht door op grote schaal een van de eerste grafische browsers te verspreiden. Voortaan was het web in kleur en met de muis te bedienen. De browser van

Netscape, Navigator geheten, zou in de loop van de jaren overvleugeld worden door Explorer, de browser van Microsoft. Maar vanaf 1995 was het net behalve veel andere dingen ook dit: big business.

Nog nooit down

Het is niet moeilijk om in het internet van nu de ontstaansgeschiedenis terug te zien. De militaire wensen brachten de packet switching, de decentrale opzet en de robuuste constructie - internet is nog nooit 'down' geweest. De academici en de computergeleerden introduceerden de open structuur en de toegankelijkheid van het net. De commercie ten slotte bracht de kleur, de beweging, nog meer gebruiksvriendelijkheid en een keur van nieuwe toepassingen - van porno tot zoekmachines. Nog steeds heeft het net geen directie en is er geen duidelijke gezagsstructuur - al zijn er wel comités die bijvoorbeeld de naamgeving van websites coördineren. In die zin is de droom van Berners-Lee uitgekomen. Het net heeft een hoog zelf-regelend vermogen, en een cultuur die het best kan worden omschreven als productief anarchisme. Daaruit vloeien de grote successen van het net voort. E-mail was daar het eerste voorbeeld van: niet voorzien, maar ontstaan dankzij de soepele opstelling van de onderzoeksleiders van het eerste uur. Maar ook nieuwere successen van het net zijn een product van de experimenteerlust van de gebruikers en door niemand van te voren bedacht: downloaden van muziek, internetradio, versturen van foto's en filmpjes, weblogs, de opkomst van vriendennetwerken, online gamen, wikipedia, telefoneren over het net.

Maar hoe bijzonder is dat precies? Is dat de verdienste van het net, of is het net alleen maar een afspiegeling van hetgeen zich toch al in de samenleving afspeelde? Ook de wereld zelf is zich immers steeds meer in de richting van een netwerk aan het ontwikkelen. In plaats van overzichtelijke gebieden met een duidelijke hiërarchie zien we steeds meer grensoverschrijdingen, verschuivende machtscentra, steeds meer globalisering en flexibiliteit. Die ontwikkeling was voor een deel al ingetreden voordat het net tot bloei kwam, maar toen het er eenmaal was, fungeerde het als een aanjager ervan.

Toch is het ook nog meer dan dat. Het is meer dan een efficiënt kanaal, het net vormt zelf ook een wereld op zich, met eigen wetten en mogelijkheden. Internetgames zijn daar de spectaculairste voorbeelden van. In het internetspel Second Life dwaalt nu een miljoen mensen met een zelfgekozen identiteit door een fantasiewereld. Maar hoe onecht ook, sommige consequenties zijn reëel. Grote bedrijven, zoals Coca-Cola, adverteren in Second Life en deelnemers kopen en verkopen elkaar land, kleren en andere attributen. Rondom grote internetgames als

World of Warcraft en City of Heroes is een hele speleconomie ontstaan, waarin gehandeld wordt in spelattributen. Aziatische spelers zitten in volgepropte computerwerkplaatsen urenlang wapens en spel-levels te verdienen die dan weer voor harde dollars aan rijkere spelers in het Westen worden doorverkocht.

Maar er zijn ook serieuzere argumenten voor de stelling dat internet zo langzamerhand veel meer is dan alleen een handig communicatiekanaal. Om te beginnen is er inmiddels via het net zoveel informatie beschikbaar dat je gerust kunt spreken van een reuzensprong, een quantum leap. Wie wil weten hoe de wereld werkt, kan op internet zijn geluk niet op. De fabricage van plastic vazen, de landbouw op Java, het leven van Aristoteles of de werking van een kerncentrale - het net weet het allemaal. Over alle regeringen, ondernemingen, instellingen en universiteiten is op het web informatie te vinden en die groeit nog voortdurend aan. Daar komt nog een enorme hoeveelheid informatie bij die allerlei wereldburgers over hun privéleven op het net zetten. Wanneer ze getrouwd zijn, hoe hun hond heet, hoeveel kinderen ze hebben en welke foto's ze tijdens hun laatste vakantie in Thailand hebben gemaakt. Plaatsgebrek is er op het net niet. Veel van die informatie is irrelevant of niet betrouwbaar, maar ook dat wordt vaak haarfijn aangetoond. Het net heeft zo langzamerhand redelijk werkende correctiemechanismen - zie de internetencyclopedie Wikipedia, waar de revisie voortdurend doorgaat en onmiddellijk resultaat heeft. De samenstellers hoeven niet te wachten op een nieuwe druk.

Een bijna nog groter wonder dan de beschikbaarheid van al die informatie is dat die ook in een fractie van een seconde gevonden kan worden en naar het scherm van iedere computergebruiker kan worden getransporteerd. En dat allemaal zonder dat de bronnen eerst door bibliothecarissen gecatalogiseerd en geïndexeerd zijn - dat doen de robots van de zoekmachines die onophoudelijk het net afstropen.

Is er ook kennis buiten het net? Natuurlijk, en ook als Google zijn plan uitvoert om de boekenvoorraad van de wereld te digitaliseren en via het net toegankelijk te maken, dan nog zullen er bronnen zijn waartoe een internetgebruiker geen toegang heeft. Maar op een dag zal een boek dat niet op internet is verschenen niet meer meetellen, omdat niemand het meer vinden kan.

Winkeldochters

Maar voorlopig is het omgekeerde het geval. Internet is de wereld van wat wel The Long Tail heet, naar het boek uit 2006 van Chris Anderson, hoofdredacteur van het internetblad Wired. Hij doelt daarmee op het verschijnsel dat de bedrijven die via internet hun producten verkopen het vooral van de breedte van hun assortiment moeten hebben. Amazon.com bijvoorbeeld, het grote verzendhuis van boeken, cd's en andere producten, haalt een aanzienlijk deel van zijn inkomsten uit de verkoop van boeken die eigenlijk niet goed verkopen. Maar omdat het om heel veel titels gaat, is de totale verkoop van al die winkeldochters toch substantieel. Een soortgelijk verschijnsel zag je bij het downloaden van mp3-muziek, zegt Anderson. Natuurlijk werden de grote hits gedownload, maar het peer-to-peer verkeer in het wereldwijde netwerk van muziekliefhebbers bood plotseling ook de mogelijkheid om obscure of onbekende muziek te vinden - en daarvan werd druk gebruik gemaakt. Internet heeft een heel scala van niche-markten geopend, en dat zie je overal. Op eBay of Marktplaats kun je producten verkopen waar maar heel weinig mensen belangstelling voor hebben, maar die mensen kun je op die plekken wel vinden. Geen winkel ter wereld kan overleven door onderdelen van incourante apparaten te verkopen, op internet kun je je daarin specialiseren en geld verdienen. En wat voor producten geldt, geldt ook voor andere dingen, voor informatie bijvoorbeeld. Het net maakt het mogelijk om ook voor zeer gespecialiseerde informatie belangstelling te vinden, of om een vraag te stellen waarop niemand een antwoord lijkt te weten. Het is een schepnet dat je in één seconde door de hele wereld kunt halen.

Massamedium

Maar het grootste wonder blijft de openheid van het net. Het net is fundamenteel democratisch en antihiërarchisch. Het gaat zijn eigen gang en trekt zich weinig aan van landsgrenzen en gezagsverhoudingen. De informatie wordt zonder aanzien des persoons in pakketjes gehakt, het net op gestuurd en bezorgd. En of het een illegaal gedownload liedje, de homepage van Microsoft, of het weblog van een astmapatiënt is, dat maakt het net niets uit, want het weet dat niet. Het is nog steeds 'neutraal', al zijn er internetproviders en kabelmaatschappijen die daar graag verandering in zouden brengen, zodat ze met verschillende tarieven kunnen werken. En natuurlijk zijn er landen, zoals China, waar de overheid er redelijk in slaagt het internet gesloten te houden, met weinig verkeer met het vrije Westen.

Die openheid zit in de structuur van het net en dat is er door de bijzondere ontstaansgeschiedenis in geslopen. Daarmee is internet het eerste massamedium geworden waartoe de massa toegang heeft - en de revolutie van de afgelopen jaren is dat de massa ook steeds meer van die mogelijkheid gebruikmaakt. Vaak worden de internetters daartoe uitgenodigd - bij steeds meer websites wordt om reacties gevraagd. Maar ze doen het ook steeds vaker op eigen initiatief. De vormen waarin dat gebeurt variëren: achterlaten van een persoonlijk profiel op een vriendensite, opsturen van een videofilmpje of een foto, meedoen aan een gespreksgroep of het bijhouden van een internetdagboek. Maar gemeenschappelijk is het verlangen een spoor achter te laten op internet, om een bestaan te hebben in die levenssfeer die steeds belangrijker wordt.

De mensen die op internet een dagboek (weblog) bijhouden worden meestal bloggers genoemd. Technorati, een zoekmachine die in weblogs zoekt, telde in augustus vorig jaar 50 miljoen weblogs op het net. Dat waren er honderd keer zoveel als drie jaar daarvoor. De meeste bloggers komen uit de Verenigde Staten, maar Europa is aan een inhaalslag bezig.

Wat de invloed van al die weblogs is, is moeilijk vast te stellen. Er zijn een paar bekende gevallen waarin Amerikaanse bloggers een beslissende invloed hadden op de loop van de gebeurtenissen. Het waren bloggers die in het najaar van 2004 de authenticiteit betwistten van bronnen waarop de Amerikaanse cbs-anchorman Dan Rather zich baseerde. Rather had minder fraaie details uit de diensttijd van president Bush geopenbaard. De bloggers bleken gelijk te hebben en niet lang daarna nam Rather ontslag. In datzelfde jaar maakte de Amerikaanse politicus Howard Dean in zijn aanvankelijk succesvolle poging Democratisch presidentskandidaat te worden productief gebruik van een leger van bloggers.

Bloggers kunnen een zorgvuldig opgebouwde reputatie in een paar dagen beschadigen en dat is ook meermalen gebeurd. De slotenfabrikant Kryptonite ging bijna ten onder toen een blogger in september 2004 op het net in een videofilmpje liet zien dat een stevig fietsslot van deze fabrikant met een plastic bic-balpen te openen was. In de zomer van 2006 werd via blogs duidelijk dat het probleem van de exploderende laptop-accu's veel groter was dan computerfabrikant Dell eerst wilde toegeven. Softwarebedrijf Microsoft heeft onder de hoon van bloggers flink geleden en uiteindelijk is een medewerker van het bedrijf zelf de blogosphere ingetrokken om te proberen de reputatie van het bedrijf op te vijzelen - met redelijk succes overigens.

Dat is ook de kracht van het net: een minder aangename ervaring met een product of een dienst wordt onmiddellijk gevonden door iedereen die naar dat product of die dienst zoekt - en tegen authentieke hartenkreten kunnen uitgebalanceerde recensies in kranten of tijdschriften vaak niet op.

Zo zijn er nog wel een paar voorbeelden van effectief bloggen, maar in de meeste gevallen zal de aanwijsbare invloed van de bloggers geringer zijn. De werkelijke betekenis van het bloggen ligt waarschijnlijk ergens anders. Sinds het beschikbaar komen van gebruiksvriendelijke software, een jaar of drie geleden, kan iedereen bloggen. Niet eerder konden gewone mensen zo gemakkelijk toegang krijgen tot de productiemiddelen en daarmee tot een miljoenenpubliek. Zonder dat er een redacteur, een uitgever of een andere poortwachter aan te pas komt. Daardoor kan iedereen nu op het net de ongefilterde en vaak niet erg correcte meningen van een tot dusver stille meerderheid lezen.

Grote bedrijven hebben al snel doorgekregen dat hier een goudmijn aan informatie gratis wordt aangeboden. Personeelschefs surfen nu al naar de vriendensite Hyves (een half miljoen deelnemers) voor wat extra informatie over een sollicitant en grote bedrijven kunnen uit de blogs informatie over hun imago halen die anders alleen met duur marktonderzoek is te vinden. Ze worden daarbij geholpen doordat veel jongeren het helemaal geen probleem vinden om en publique veel van zichzelf prijs te geven. Ze vertellen over hun hobby's, favoriete tv-programma's, favoriete merken (opvallend veel Tommy Hilfiger, h&m, Zara en Zwitsal) en ze vertellen wie hun vrienden zijn. Columniste Anna Woltz schreef onlangs in de Volkskrant dat Hyves een uitkomst is, want je kunt snel iemands doopceel lichten: 'Elke jongen die we bij het uitgaan tegenkomen wordt gehyved.' Zelf geeft ze ook niks om privacy. 'Wie wil er nou volledig onbekend en ongekend door het leven gaan?'

Overigens wordt ook iedereen die zich rustig houdt op het net geschaduwd. Wie nu via het zoekvenster iets te weten wil komen over kiespijn, krijgt naast de sites met informatie over deze aandoening óók een aantal advertenties van tandartsen op zijn scherm. Google is niet de enige die hier geld mee verdient. Het grote Amerikaanse internetportal Yahoo heeft een jaar geleden een grote onderzoeksafdeling opgericht, Yahoo Research, die de gewoontes en voorkeuren van zijn gebruikers nauwkeurig volgt. 'We verzamelen elke dag ongeveer 15.000 gigabyte aan informatie van 500 miljoen gebruikers over de hele wereld', zei de leider van dit project, Usama Fayyad, vorig jaar met ontwapenende eerlijkheid tegen het Britse tijdschrift New Scientist.

Zend-knop

Met een druk op de zend-knop kan nu iedereen de hele wereld op de hoogte stellen van zijn ideeën, van zijn voorkeuren en van hetgeen hij afwijst. Steeds meer mensen doen dat, en hun uitingen zijn soms verfrissend en soms angstaanjagend.

Tot nu toe stonden de persen, de ether en de schermen onder toezicht van verlichte regenten die bepaalden wat er wordt afgedrukt en wat er wordt getoond. Maar sinds kort is er dat medium waar de professional net zoveel te vertellen heeft als de amateur en kenners evenveel gezag hebben als dilettanten. Dat is op geenstijl.nl, volkomenkut.nl, YouTube, Hyves en al die andere vrijplaatsen heel goed te zien. Daar zijn mensen aan het woord die zich daar thuis voelen en fris van de lever, zonder veel eerbied voor gevestigde reputaties, hun gemoed luchten - in volle openbaarheid.

De stijl is persoonlijk, het levensgevoel dat eruit spreekt heeft weinig op met grote verbanden, collectiviteiten of instituties. In gevestigde media bestaat weinig vertrouwen, de eigen ervaring is maatgevend. Het gaat er soms onbehouwen aan toe, maar je ziet ook dat mensen elkaar tot de orde roepen, met elkaar in discussie gaan of elkaar bepaalde regels voorhouden.

De elites in dit land slaan de internetdiscussies met gemengde gevoelens gade. Ze beseffen dat hun iets ontglipt: gezag, controle, macht. Misschien begrijpen ze dat er twee mogelijkheden zijn. Ze kunnen zich terugtrekken in de vertrouwde instellingen en het gezelschap van gelijkgezinden zoeken. Maar er is ook die andere mogelijkheid: cyberspace intrekken, Hyves-lid worden, het debat aangaan op geenstijl.nl, eigen gespreksgroepen oprichten.

Meedoen dus.

Warna Oosterbaan is redacteur van NRC Handelsblad.

Wim Klerkx is fotograaf.

Voor het eerst groeit een generatie op die van jongs af aan met internet vertrouwd is.

De blog van een bijstandsmoeder uit Delfzijl is even toegankelijk als de site van Bill Gates.

Het net is meer dan een efficiënt kanaal, het vormt ook een wereld op zich.

Internet is het eerste massamedium geworden waartoe de massa zelf toegang heeft.

Een van de vier kooien met schakelapparatuur van de Amsterdam internet-exchange, het grootste internet-knooppunt in de wereld.

    • Warna Oosterbaan