'Het web is echt een nieuw slagveld'

Niet iedereen die internet gebruikt, heeft goede bedoelingen. Voor terroristen of jihadisten is het een ideaal platform voor haatzaaien, propaganda en instructie. Er zijn nu meer dan vijfduizend sites van terroristen bekend. De Israëlische hoogleraar communicatiewetenschappen Gabriel Weimann in Haifa volgt hun verrichtingen op de voet. 'Het web opent een raam naar de subcultuur van de terroristen.'

Zo'n acht jaar jaar geleden begaf Gabriel Weimann zich voor het eerst in wat hij noemt 'de meest duistere steegjes van het internet'. En nog altijd is hij er niet uitgekeken. Het internet, besefte Weimann, is niet alleen een prachtige vinding waar een steeds groter deel van de wereldbevolking veel nut en plezier van heeft. Het is ook de droom van iedere terrorist.

Eind jaren negentig kregen terroristische organisaties overal ter wereld in de gaten wat ze allemaal met het net konden doen. Ze bouwden websites om propaganda te maken, geld en aanhangers te werven en contacten met elkaar te leggen. En later ook om aanslagen op te eisen, hun gruwelijke 'successen' aan de wereld te tonen en lessen te geven in de praktische kanten van hun 'vak' - hoe blaas je als zelfmoordterrorist een bus op, hoe maak je explosieven, dat soort zaken.

Weimann, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Universiteit van Haifa, begon de websites van terreurorganisaties te volgen en ze op te slaan in een archief. Na jaren studie publiceerde hij in april 2006 het boek Terror on the Internet, waarin hij laat zien hoe terroristen het internet gebruiken.

Bovenop de berg Carmel ligt de campus van de Universiteit van Haifa er vredig bij. Deze zomer was het hier, in het noorden van Israël, nog oorlog. Israëlische vliegtuigen vlogen over om Libanon te gaan bombarderen, Hezbollah bestookte Haifa met katjoesja-raketten. Maar daar is, op een zonnige middag een paar maanden later, weinig meer van te merken in deze academische omgeving.

Studenten, sommige met hoofddoekjes, staan buiten in groepjes met elkaar te praten, zitten aan tuintafels te lunchen of lopen ontspannen te bellen. Het uitzicht is adembenemend: in het westen Haifa, de haven en de Middellandse Zee, in het zuiden lange stranden, in het oosten de rotsige bergen en heuvels van Galilea en in het noorden ligt in de verte Libanon.

In zijn werkkamer in het moderne Yitzak Rabin-gebouw, genoemd naar de in 1995 vermoorde premier, maakt Weimann met verse munt een beker thee voor me. Hij trekt een extra stoel bij zijn bureau, zodat hij me op zijn computerscherm voorbeelden van terreursites kan laten zien om zijn woorden mee te illustreren.

'Internet is echt een nieuw slagveld', zegt hij. 'Het is een slagveld zonder tanks, geschut of munitie - maar er wordt een harde strijd geleverd. Alle terroristen zitten tegenwoordig op internet, allemaal. Ze kunnen er niet meer buiten. En veel groepen hebben meer dan één, soms zelfs tientallen websites op verschillende locaties.'

Weimann klikt met zijn muis een website van Tsjetsjeense opstandelingen uit zijn archief te voorschijn. Op de welkomstpagina staat een foto van een groepje vervaarlijk uitziende, baardige Tsjetsjenen op een kale berghelling. Ze hebben zich uitdagend opgesteld in een klassieke rebellenpose: met geweren en granaten in de aanslag, een grote vlag en een laptop. 'Dit is de nieuwe werkelijkheid', zegt Weimann. 'Deze combinatie kenmerkt het nieuwe type terrorisme.'

Anoniem en razendsnel

Toen internet in de jaren negentig massaal begon door te breken, hebben terroristen snel ingezien dat ook zij er hun voordeel mee konden doen, zegt Weimann. 'Ga maar na. Je kunt er over de hele wereld eenvoudig toegang toe krijgen. Je kunt anoniem blijven, je boodschap erop zetten en weer verdwijnen. En dat alles razendsnel. Verder kan niemand je tegenhouden of censureren. Je kunt de hele wereld ermee bereiken. Het is interactief, wat ook heel belangrijk voor ze is. En niet te vergeten: het is goedkoop. Ook voor een terrorist is het dus een ideaal medium.'

Maar als gewone internetgebruiker krijg je voortdurend te horen dat je totaal geen privacy meer hebt op het net, dat al je gangen kunnen worden nagegaan. Maakt dat terroristen op internet niet kwetsbaar?

Weimann wimpelt die gedachte weg. 'Welnee. Ze hebben geleerd hoe ze hun sporen kunnen uitwissen. Een website lanceren is bijvoorbeeld heel eenvoudig. Dat kun je in alle rust voorbereiden op een computer die niet online is. Vervolgens ga je met je usb-stick naar een internetcafé of een bibliotheek. Daar zet je de zaak in vijf seconden op het web en dan verdwijn je weer.'

Toen Weimann met zijn project begon waren er twaalf websites van terreurorganisaties.

In 2003 waren het er 2.650 en nu zijn er meer dan 5.000 sites van terroristen en hun aanhangers. Weimann richt zich niet alleen op moslimterreur, ook andere terroristen en gewelddadige bevrijdingsbewegingen waar ook ter wereld volgt hij via hun uitingen op internet. 'Wij houden ze zeven dagen per week, 24 uur per dag in de gaten. En alles wat we zien downloaden we. We archiveren, vertalen en analyseren het allemaal. En we coderen het, zodat we het materiaal later goed kunnen terugvinden en doorzoeken.' De websites bevatten doorgaans veel informatie en nieuws, zakelijk gepresenteerd, fraai ontworpen, toegankelijk in meerdere talen en voorzien van biografieën van de helden van de beweging, eregalerijen van martelaren en links naar verwante organisaties. Soms zijn er zelfs online giftshops waar posters, vlaggen, lectuur en cd's besteld kunnen worden.

Onthoofdingen

Maar vaak zijn het ook gruwelijke beelden die Weimann en zijn mensen verzamelen. Hij haalt een video-opname op zijn scherm van Daniel Pearl, de Amerikaanse journalist die in 2002 in Pakistan door een aan Al-Qaeda gelieerde groep werd ontvoerd en voor de camera onthoofd. 'Psychologische oorlogsvoering staat bij terroristen centraal en internet is daar erg geschikt voor. Het leger van de vijand angst aanjagen, het moreel van de publieke opinie ondergraven, tweedracht zaaien tussen het leger en zijn leiders en ga zo maar door.

'De executie van Daniel Pearl was een beslissend moment. Terroristen executeerden al veel eerder gijzelaars, en filmden het ook al eerder. Maar dit was de eerste keer dat iemand zo'n filmpje online zette - en binnen een paar minuten was het de hele wereld over. Als je nu het net op gaat kan je het nog steeds vinden - niemand kan het blokkeren. Pas met Daniel Pearl drong ten volle tot de terroristen door hoe nuttig internet voor hen kan zijn en hoe makkelijk het gebruik ervan is.'

In Irak bleek in 2004 dat de Jordaanse terrorist Abu Musab Al-Zarqawi die les goed geleerd had. Met een groep gemaskerde mannen onthoofdde hij de Amerikaanse gijzelaar Nicholas Berg voor de camera, en hij toonde de kijkers het afgesneden hoofd. Het filmpje liet hij op internet zetten, waardoor ook díe beelden weer een enorme verspreiding kregen. Het was een nieuwe doorbraak, want omdat veel mensen inmiddels breedband-internet hadden ging de wereldwijde verspreiding nog veel beter en sneller dan twee jaar eerder. In mei 2004 was bij de zoekmachine Google de op één na meest ingetikte zoekterm 'Nick Berg' (het populairst was 'American Idol', de Amerikaanse versie van het tv-programma Idols). Verschillende websites waarop het filmpje te zien was bezweken onder de enorme bezoekersaantallen.

Het is het 'theater van de terreur' ten voeten uit, om de titel aan te halen van een boek dat Weimann in 1993 schreef met zijn Canadese collega Conrad Winn: The Theater of Terror; Mass Media and International Terrorism. Ten tijde van de publicatie van dat boek speelde internet nog geen rol voor terroristen, maar wel was toen al zonneklaar dat het bereiken van een groot publiek voor hen cruciaal is. Maar moesten ze destijds hun boodschap van angst en geweld nog via tv-zenders en andere massamedia zien te verspreiden, nu kunnen ze zich direct tot hun publiek richten en zelf bepalen welke beelden en dreigementen de wereld rondgaan. Weimann: 'Hezbollah heeft eens gezegd: internet is voor ons een manier om Israëlische huizen binnen te komen.'

Propaganda

Maar wie willen de makers van dit soort websites eigenlijk bereiken? En is angst zaaien hun enige doel? 'Integendeel', zegt Weimann met nadruk. 'Ze willen hun tegenstanders natuurlijk intimideren, demoraliseren en psychologisch kapot maken. Dus behalve die onthoofdingsfilmpjes heb je ook nog allerlei andere soorten wreedheden. Beelden van troepen van de vijand die in een hinderlaag lopen en doodgeschoten worden. Beelden van lijkkisten met Amerikaanse vlaggen met daarbij teksten als: Jij bent de volgende!, of: We zullen je hoofd eraf hakken! Gruwelijke foto's van slachtoffers van de militaire acties van de vijand, vaak kinderen.

'Maar behalve psychologische oorlogsvoering hebben dit soort websites nog andere bedoelingen, zoals propaganda. Daarvoor richten ze zich op volgelingen of potentiële volgelingen, soms ook op de media of zelfs op de publieke opinie - en als dat je doelgroep is, dan wil je mensen niet bang maken maar juist voor je winnen.' En dat vergt een heel andere aanpak, en een ander soort website dan het digitale horrorkabinet dat mensen de stuipen op het lijf jaagt.

'In de loop der jaren zijn de meeste groepen heel bedreven geworden in het afstemmen van hun stijl en hun boodschap op die verschillende doelgroepen. De Tamil-tijgers hebben een website in hun eigen taal, die er heel strijdvaardig uitziet, met veel wapens en uniformen. Maar hun Engelstalige website ziet er bijna steriel uit: geen geweer te bekennen, de mensen dragen witte overhemden, en alles straalt rust en vreedzaamheid uit, bijna als de website van een universiteit.'

Sommige groepen hebben ook speciale sites voor vrouwen en weer andere voor kinderen, zegt Weiman. 'Net als in de bovengrondse mediawereld heb je ook hier de trend van narrowcasting. Met broadcasting richt je je op een zo breed mogelijk publiek, via televisie of kranten. Met narrowcasting probeer je een specifieke groep te bereiken, en daar pas je de stijl, argumenten en beelden op aan. Zo gaf een website van Al-Qaeda voor vrouwen (Al-Khansa) tegen een roze achtergrond praktische tips: hoe je je man of je broer het best kan steunen in de strijd, hoe je de kinderen opvoedt tot martelaren, hoe je zelf een zelfmoordaanslag kunt plegen.

'En omdat kinderen grote internetgebruikers zijn krijgen zij ook hun eigen websites.' Op het scherm verschijnt een kleurige tekening, je zou denken uit een kinderboek of een tekenfilm, maar het blijkt een website van Hamas voor kinderen. 'Het ziet er onschuldig genoeg uit, het is een eenvoudig verhaaltje. Maar als je doorklikt blijkt het heel wat minder onschuldig. Het gaat bijvoorbeeld over een kind dat eenzaam is op school, de ouders worden vernederd door Israëlische soldaten, de vader wordt vermoord door Israëliërs - en alles getekend in die naïeve, kleurrijke stijl. Het kind in het verhaal wil dan wraak nemen en dat gaat gebeuren door een zelfmoordaanslag. En dan opeens' - Weimann klikt snel langs de heldere prentenboektekeningen tot het verhaal uitmondt in een keiharde persfoto - 'opeens zie je dan een foto van een vrouwelijke zelfmoordterrorist zonder hoofd. Dat ligt los wat verder op, kijk. Het ziet er gruwelijk uit, maar de moraal is: dit is het verhaal van een heldin. Zo worden kinderen vertrouwd gemaakt met het idee van dit soort aanslagen. Het zelfde gebeurt via online computerspelletjes.'

Persoonlijk contact

Als instrument om strijders te rekruteren is internet maar van beperkt nut, zegt Weimann. 'Niemand wordt van de ene dag op de andere terrorist. Je kunt er geen digitale aanmelding voor invullen, voor echte rekrutering is persoonlijk contact nodig. Alleen de eerste fase, de kennismaking en het rijp maken van de geesten, gebeurt via websites en discussiegroepen op internet. Ze proberen een band te scheppen, virtuele gemeenschappen te creëren, ook in Amerika en Europa, ook in Nederland. Terreurbestrijders over de hele wereld maken zich daarover grote zorgen. Ze houden daarom scherp in de gaten wat er op internet gebeurt, hoe jonge mensen bijvoorbeeld worden benaderd door jihadistische bewegingen. Die zeggen heus niet: kom op, wees bereid je op te blazen voor het goede doel. Ze geven jonge moslims die zich niet op hun plaats voelen in hun maatschappij het gevoel dat ze toch ergens bijhoren. Ze creëren een verbondenheid en sporen die jongeren aan met hen in gesprek te gaan over hun onvrede, over het geloof. Het begint nooit met terrorisme.'

Het ouderwetse trainingskamp voor terroristen heeft zich wél voor een belangrijk deel naar internet verplaatst. 'Dat is een recente en gevaarlijke ontwikkeling', zegt Weimann. 'Terroristen gebruiken internet als een soort open universiteit, een online encyclopedie en tegelijk als virtueel trainingskamp. Online kun je niet alleen boeken en handleidingen vinden over chemicaliën en explosieven, maar ook over ontvoering, moordaanslagen, het gebruik van vergif en encryptie (het ontoegankelijk maken van e-mail voor derden). Al-Qaeda had op internet een publicatie, Al-Battah (de ziel), waarin heel praktisch werd uitgelegd wat de onderdelen van een bepaald wapen zijn, hoe je het in elkaar zet, hoe je ermee kunt oefenen. Een andere aflevering gaat over ontvoeren: hoe je het moet doen, hoe je het best kan onderhandelen dan wel je gijzelaar kan executeren, hoe je dat weer moet filmen en de beelden de wereld in kan sturen.

'Zo zijn er talloze websites met tips: hoe je een bom legt zonder gepakt te worden, waar je explosieven het best kunt plaatsen om de grootste schade toe te brengen, hoe je een mobieltje kan gebruiken om een ontstekingsmechanisme in werking te stellen, en ga maar door. Om dat allemaal te leren hoef je niet meer naar een trainingskamp in Afghanistan of Jemen.'

Zou het niet voor de hand liggen dat terrorismebestrijders zulke websites sluiten, of zorgen dat ze niet meer toegankelijk zijn door ze met een computervirus te infecteren? Dat is wel geprobeerd, zegt Weimann. Maar het is eigenlijk onmogelijk. 'Als er één website gehackt of uit de lucht gehaald wordt, dan duiken ze meteen weer ergens anders op. Ze hebben altijd alternatieven, het is heel dynamisch. Je kan internet nu eenmaal niet afsluiten. Het hele idee van het net is immers dat er geen centraal gezag is.

'Ik geloof meer in een andere benadering: kijk wat je van deze websites kan leren, beschouw ze als bron van informatie over de denkwereld van de terrorist. Het web opent een venster op die subcultuur. Kijk er goed rond, zie waar ze zich mee bezighouden, wat ze belangrijk vinden, wat hen motiveert en waarover ze praten in discussiegroepen. Je zou zelfs aan chatrooms kunnen deelnemen en een alternatief geluid kunnen laten horen, dat nu eens niet in het teken staat van pessimisme, dood en verderf. We zullen nooit van het terrorisme afkomen, we zullen er mee moeten leven. Maar we kunnen wel ons best doen het te beperken.'

Koortsachtige fantasie

De voorbeelden die Weimann noemt in zijn boek en opdiept uit zijn archief klinken indrukwekkend, maar hoe weet hij dat het allemaal echt is - en niet bijvoorbeeld het produkt van de koortsachtige fantasie van verder keurige schooljongens? 'Aan wat er gezegd wordt in chatrooms en discussiegroepen zou je kunnen twijfelen. Maar als je het goed volgt, ken je de mensen die daar aan het debat deelnemen net zo goed als de buren in je straat. Onze onderzoekers wonen dag en nacht in deze virtuele buurt, ze kennen niet alleen het geloof, ze spreken niet alleen de taal, ze kennen ook de dialecten en de omgangsvormen. Ik ben erg afhankelijk van de druzen, moslims en christelijke arabieren onder mijn assistenten, zij helpen mij dingen te begrijpen die mij als jood anders ontgaan, ook al beheers ik het Arabisch. Iemand die in een jihadistische discussiegroep doet alsof, valt snel genoeg door de mand.'

Inmiddels houden ook veel overheden de activiteiten van terreurgroepen op internet in de gaten. Er zijn zelfs particuliere groepen die zich daarop toeleggen, zoals de Amerikaanse organisatie site. 'Deze groepen zijn nuttig', zegt Weimann. 'Maar ze worden gedreven door ideologie, niet door wetenschappelijke nieuwsgierigheid, zoals wij.' Weimann benadrukt dat hij ook niet samenwerkt met geheime diensten, en dat die geen toegang hebben tot zijn omvangrijke archief. 'Ze mogen mijn boeken kopen en mijn lezingen bezoeken, maar daar houdt het mee op.'

Een paar weken geleden waarschuwde de Amerikaanse regering voor een terroristische aanval op internet, waarmee bijvoorbeeld banktransacties, e-mailverkeer of de stroomsector lamgelegd zouden kunnen worden. Zo'n cyberattack, een 'digitaal Pearl Harbor', is in de vs al jaren een schrikbeeld. Maar Weimann spreekt er nuchter over. 'Het is een dreiging van de toekomst. Maar er is nog niet één voorbeeld bekend van een internetaanval die je terroristisch kan noemen. Voorlopig kunnen we ons beter richten op wat er nú gebeurt. De treinaanslagen in 2004 in Madrid speelden zich gewoon af in onze wereld, maar ze waren voorbereid op internet. Als je kijkt hoe terroristen nu van internet profiteren, dan lijkt het me onwaarschijnlijk dat ze het onklaar willen maken.'

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad. Ilse Frech is fotograaf.

'Hezbollah heeft eens gezegd: internet is voor ons een manier om Israëlische huizen binnen te komen'

    • Juurd Eijsvoogel