Het grote raadsel van het water

Het menselijke verlangen naar water dateert uit de tijd dat de gegoede burgerij vakantie hield aan de Rivièra en bruin worden in de mode raakte. Strandvertier dus.

Geen klein probleem is dat: het raadsel van de waterattractie, de aantrekkingskracht van het water. De moderne mens wil naar het water, ook als hij uit Nederland komt. Maar waarom wil de mens dat? Het is raadzaam daar op tijd over na te denken want het waterverlangen kan ook zomaar weer verdwenen zijn.

Denk, bij wijze van oefening, eerst even aan het verlangen om een belvédère te beklimmen. Die belvédère is daar speciaal op de top van een beboste heuvel neergezet om beklommen te worden en alles aan de voet van de toren straalt uit dat hogerop iets onvergetelijks te beleven valt. Het wordt benadrukt door de hoge prijs die voor de toegang gevraagd wordt. Het belvédère-verlangen is onweerstaanbaar, maar het is er alleen zolang de belvédère zichtbaar is. Het is ad hoc.

Denk nu weer aan het water en voel hoeveel dieper het waterverlangen zit. Zo diep zit het dat je je kunt afvragen of het misschien een oerverlangen is. Zit er iets diep binnenin de mens dat hem onweerstaanbaar naar het water lokt, zoals de vlinder wordt aangetrokken door de vlam en de vlieg door de stront? Dat is de kwestie. En er zijn er genoeg die dat inderdaad denken. Ze weten ook hoe het komt: het leven begon in de oersoep en de herinnering aan die soep ligt ergens opgeslagen. Dat de samenstelling van de oersoep wordt weerspiegeld in het bloed – of in de urine – zegt eigenlijk al genoeg, vinden zij.

Anderen twijfelen. De oersoep gaat ze iets te ver terug, ze realiseren zich dat het geen mensen waren die in de oersoep zwommen maar bacteriën en dat het niet zeker is of die wel een geheugen hebben. Maar dan brengt de wateraap van Alister Hardy weer uitkomst. Onze verre voorouders, zei Hardy voor hij dood ging, leefden amfibisch aan de rand van de zee. Wij zijn eigenlijk waterdieren, daarom ook zijn we onbehaard en een beetje rond en dikkig. Wij aten van oudsher schelpdieren en kleine krabben en soms een zeekomkommer. Om het hoofd boven water te houden zijn we rechtop gaan lopen. Zo zijn we later ook het land opgegaan en nu weten we niet beter. Maar onze baby’s drijven nog en wie wil kan hen onder water ter wereld brengen.

Dat laatste is ook het uitdrukkelijk streven van degenen die het waterverlangen interpreteren als vruchtwaterverlangen en de zee zien als een soort reuzenbaarmoeder. Dat is natuurlijk weer een heel andere groep.

Het waterverlangen als oerinstinct dus – het is niet moeilijk aan te tonen dat het onzin is. Waarom zouden uitgerekend wij naar de oersoep terugverlangen en poezen of korenwolven niet? Als wij dan zo naar het oorspronkelijk milieu van de wateraap verlangen, waarom verlangen wij dan niet ook naar rauwe krabben en zeesterren? Trouwens: waaróm ging de wateraap destijds eigenlijk het land op als het in zijn water zo fijn was? En hoe komt het dat uitgerekend veel peuters en kleuters in eerste instantie een diepe afkeer van zee en koud water vertonen?

Wie niet ziende blind is beseft dat de liefde voor het water de mens helemaal niet in het bloed zit. Hij is verworven of aangeleerd om niet te zeggen: opgedrongen zoals kinderen net zo lang spruitjes en witlof naar binnen krijgen gepropt tot ze later denken dat ze er altijd van gehouden hebben. Toen Pieter Louwerse rond 1870 het schitteren van de blanke top der duinen bezong, was het in werkelijkheid unheimlich stil op het vlakke strand aan de voet van die duinen. De zon gloeide, het zand was schoner dan wij nu voor mogelijk houden en de zee rook zoals hij alleen in maritieme romans ruikt. Maar geen mens die er oog voor had. En toen Mesdag het strand tien jaar later levensecht in zijn panorama naschilderde, werd er nog steeds niet gejuicht. Je ziet er alleen vissers en een kunstenares onder een parasol. En verderop oefent veilig de cavalerie, wetend dat landinwaarts de charges door het prikkeldraad gevaarlijk werden. Het is een lekkere dag maar er wordt niet gezwommen want niemand kon zwemmen. En niemand wilde zwemmen in dat onbetrouwbare water.

Dat zogenaamde onbedwingbare verlangen naar zon, wind en water heeft zich pas kunnen ontwikkelen toen de gegoede burgerij vakantie ging houden aan de Rivièra en mensen als Coco Chanel de gebruinde huid in de mode brachten. De strandvakantie op zichzelf had al eerder status gekregen door de bloei van kuuroorden en heilbaden die alleen voor de verweekte elite betaalbaar waren. Toen ook aan het baden in zee een geneeskrachtige werking werd toegeschreven rook de kleine man zijn kans. Weldra ging men en masse naar het water, in het volste vertrouwen dat dat zon, zout en zand ontzettend goed waren voor de gezondheid. Er kwam een duwtje bij van de opkomende sportbeoefening en de Körperkultur en van de commercie die chocomel ging verkopen. En schepjes.

Want de doorslaggevende ontdekking was dat kleine kinderen zich met minimale hulpmiddelen wisten te vermaken op het strand. Ook bleken ze er weinig kwaad te kunnen en liepen ze er aanmerkelijk minder gevaar dan, bijvoorbeeld, bij het bermtoerisme dat een paar decennia later nog even populair zou worden. Op het strand had je geen kind aan de kinderen, het is niet eenvoudiger te zeggen. Ook dat inzicht heeft zich snel verbreid.

Daar komt het waterverlangen vandaan. Het raakt aan jeugdsentiment en nostalgie, weemoed en verlangen, maar brengt bij een enkeling ook bittere herinneringen terug aan geveinsd enthousiasme en geveinsde bewondering: ‘Wat een prachtig kasteel en wat kun jij al goed zwemmen’. Het kan een leven lang duren voordat een mens merkt dat hij daar aan de waterkant flink voor de gek gehouden wordt en sommigen zullen het wel nooit begrijpen. Die willen nog steeds elk jaar naar het water.