Het flottielje overwint

In groot gezelschap gaan kanoën op de Loire. Wat moet je dan allemaal regelen? Een huis om in te slapen en een organisatie die is ingesteld op alle niveaus van kanovaarders. Ook zonder te peddelen was het vrede in Frankrijk.

‘Kanoën”, zei ze toen haar gevraagd werd wat ze met haar 75ste verjaardag wilde doen. „Op de Loire.” Aha. Een mooie wens. Zo’n wens slaat men niet in de wind. En dus gingen we organiseren.

Mee moesten: de jarige zelf en haar partner, respectievelijk 75 en 78 jaar oud. Zuster van 71 met haar via internetdating gevonden vriend van 72. Een gezin uit Zuid-Afrika bestaande uit vader (47), moeder (42) en zoon (11). Een Amsterdams stel van 35 en 42. Nog een Amsterdams stel van 49 en 61. En na een dag of vier zou nog een complete Canadese familie arriveren met ouders van begin veertig en twee dochters van achttien en zestien.

Al deze mensen waren op meer of minder ingewikkelde manieren aan elkaar gerelateerd, door nauwe familiebanden of juist via tweede partners die weer gezinnen hadden en daar dan weer de kinderen van. Iedereen was uitgekozen door de jarige en iedereen had er zin in. De vraag was nu: hoe gaan we dit allemaal doen.

De jarige zelf, beroemd optimist, stelde zich iets voor met veel auto’s en tenten en een bezemwagen en dan gewoon de rivier afzakken. Anderen stelden zich voor dat ze in dat geval thuisbleven. Of dat ze beslist niet degenen waren die de bezemwagen gingen rijden. Of dat ze beslist niet elke dag gingen kanoën, want elke dag kanoën leek veel te veel. Elke dag tent opzetten ook. Elke dag zien dat je aan boodschappen komt als je de hele dag in een kano zit, hoe ging dat? Of deed die bezemwagen dat? En wie zat daar dan in?

Enfin. Een heel gedoe. We begonnen van de andere kant. De andere kant bestond uit de vraag: waar gaan we heen? De Loire was het antwoord. Welke plaats aan de Loire ligt geschikt, is niet te groot en ook niet te ver om comfortabel vanuit Nederland te bereiken, vroegen we vervolgens. Amboise, was het antwoord. Kun je kanoën bij Amboise? Loire aventure was het antwoord. Le Canoë Kayak Club d’Amboise.

Loire aventure had helemaal gedacht aan mensen die niet zozeer wilden kanoën als wel op het water wilden vertoeven. Aan mensen van in de zeventig en aan mensen van elf. Aan mensen die wel aardig wilden zijn voor de jarige, maar haar passie voor kanoën in het geheel niet deelden. En aan enthousiastelingen die stonden te stuiteren van kanolust.

Het avontuur kon zo rustig zijn als men maar wilde. De Canoë Kayak Club bracht mensen en kano’s stroomopwaarts, zodat ze zich naar Amboise konden laten terugzakken, of ze liet de mensen gewoon vertrekken en haalde ze later stroomafwaarts weer op, met kano’s en al.

Dat klonk goed.

We huurden een huis en een aantal bijbehorende chambres d’hôtes ergens op het platteland zo’n half uur van Amboise. We verstrekten elkaar het adres, en op een zaterdagochtend in juli stapten we allemaal om ongeveer vijf uur ’s ochtends in onze auto’s om te gaan kanoën in Frankrijk. Dezelfde avond zaten we, nadat sommige verdwaalde schapen van naburige dorpspleinen naar onze gîte gecoacht waren, vanachter grote borden merguez en ratatouille op de jarige te drinken en ons heel veel voor te stellen van onze verrichtingen op het water dat nergens te zien was. Zonnebloemen en korenvelden zover als je kon kijken. We herinnerden ons de theorie van het snel draaien met de kano, althans sommigen meenden zich te herinneren dat er een theorie voor was die de praktijk vergemakkelijkte. We schepten op over de stroomversnellingen die we ooit genomen hadden in de hoop de ongeoefenden te zien verbleken. Dat lukte. Op iets te hoge, bijna gillende toon verklaarde een enkeling dat er van enige gelijktijdigheid van stroomversnellingen en haar aanwezigheid in een kano geen sprake kon zijn. We kregen er zin in.

De volgende dag verkenden we het gebied. We aten éclairs, keken hongerig naar de complete gegrilde konijnen op de markt, kochten stinkende kaasjes en bobbelige worsten en bekeken vanuit het hoog boven het stadje oprijzende kasteel van Amboise de Loire. Breed. Onder de enorme brug: niets dan stroomversnellingen waar niemand meer luchtig over deed. Hoe kom je daar níet in, dat was de vraag die ons bezighield. Het kanodebuut naderde.

De volgende dag pakten we een picknick in met tonijnsalade en koude kip en koude wijn en gegrilde paprika en meloenen en verse stokbroden – mochten we vast komen te zitten of niet verder kunnen of willen, dan hoefde ons dat in ieder geval niet meteen fataal te worden.

We kozen voor een tocht van twintig kilometer, ondanks luid protest (te ver! te lang!) van de oudste en meest geoefende kanoër in ons midden. We raakten bijna de jarige kwijt die op het moment dat de bus met daarin ons en daarachter de kano’s zou vertrekken, op de wc was gaan zitten. Onderweg gaf iemand voorin de bus instructies die achterin niet werden verstaan en die voor het overige door iedereen anders werden geïnterpreteerd. Ze gingen over de enige manier om veilig weer de kanoclub te bereiken. Dat kon alleen door de meest linkse/rechtse boog van de eerste/tweede brug te nemen die voor/na het ile d’or/ een corridor/ een of ander eiland lag.

De bus stopte boven aan een vrij steile helling die beneden overging in grasland waarlangs de rivier liep. De kanoman legde een kleedje over het stenen muurtje dat bovenaan de helling stond. Help even, gebaarde hij naar de mannen in het gezelschap en die tilden de kano’s op het muurtje waarna ze zo de helling afdoken, al in hun eentje op weg naar het water. Het was meteen duidelijk: deze kano’s hadden ons helemaal niet nodig. Ze konden het zelfstandig af. Daarom stortten wij ons in een kruising tussen zakdoekje leggen, stoelendans en pand verbeuren op de waterdichte tonnen waar nummers op stonden en spullen inzaten, zonder dat iemand goed had opgelet welke spullen in welk nummer. Na enige tijd zat iedereen vol zonnebrand, had iedereen een ton en een zwembroek of zwempak aan. Zwemvesten hingen losjes om schouders of waren braaf aangesnoerd, naar de mate van het ingeschatte gevaar.

Het was een stralende ochtend. De Loire stroomde voor het oog nauwelijks zichtbaar voorbij. Het dorp boven ons, vanwaar we de kano’s naar beneden hadden laten glijden, ademde rust, stilte en ochtendkoffie. Langs de rivieroevers schoot af en toe een sterntje, het mascottevogeltje van de streek, dat op elke ansicht was afgebeeld. Pas op de visdiefjes, wees lief voor de visdiefjes, verstoor de visdiefjes niet! riepen borden langs de waterkant.

Wij embarkeerden. Het eerste stel dreef al midden op de rivier met triomfantelijke hoedjes op en blije kreetjes. De senioren gaven gilletjes bij het instappen in de kano’s, de junior ook, alleen klonken die gilletjes anders. Angstig de ene, opgetogen de andere.

En daar dreef iedereen. En daar gingen de peddels en daar kwamen de eerste instructies: ,,Jij moet harder peddelen”, „Jij moet je peddel nu stilhouden.” ,,Jij bent degene die moet sturen.” ,,Jij peddelt aan de verkeerde kant.”

Het verliep vlekkeloos, we schoten over het water, we konden het, iedereen kon het, het was vrede, het was Frankrijk, het was één grote verjaardag, we glimlachten allemaal en we begonnen te zwijgen en te genieten en tevreden te knikken naar elkaar. Na een poosje merkten we dat je net zo goed niet kon peddelen. Dat je elkaars kano kon vasthouden en zo met z’n zessen bij elkaar lui in de zon drijven, als af en toe iemand aan de buitenkant maar een slagje gaf om te zorgen dat het flottielje in het midden van de stroom bleef. Of dat je je in het water kon laten zakken en zwemmen. Of dat je je in het water kon laten zakken en de kano met je ouders erin omgooien.

Het jongste stel probeerde het gezin te verslaan in een wedstrijdje tegen de stroom oproeien. Iedereen ging zachtjes achteruit.

We legden aan op een eiland en picknickten. Nooit smaakt wijn zo goed als wanneer je aan het eind van de ochtend, fris uit het water, naast je kano in de lauwe schaduw aan een Franse rivier zit. Nooit.

Kanogeluk.

    • Marjoleine de Vos