God als herintredend vormingswerker?

Redacteur NRC Handelsblad

Dat koetshuis waar de leiders van CDA, PvdA en ChristenUnie deze week zaten te chillen voor het vaderland was een knap hedonistische verstopplaats. Het hoort bij een Fries verwenhotel waar je eerder nieuw geld dan christelijk-sociale deugdzamen verwacht. Gepocheerde golfballen op een bedje van declarabele uren. Een beetje uit de tijd toen God met de vut was.

Nu is het weer ruim baan voor geloof en spiritualiteit. Meer dan de helft van de Nederlanders gelooft in iets achter de horizon. Steeds vaker wordt geschreven en gecongresseerd over de terugkeer van religie. Boeiend om te horen wat allerlei mensen hebben gevonden om hun leven zinvol of begrijpelijk te maken. Maar daar blijft het niet bij.

In één adem wordt de terugkeer van religiositeit in ‘het publiek domein’ gemeld en als wereldwijd gegeven besproken. Moslimimmigratie en -fundamentalisme dwingen er toe, zeggen sommigen. Velen hadden niet genoeg aan de leegte van secularisme en atheïsme, menen anderen. Een vleugje revanchisme is nooit ver weg. De vervolgde christenen hoeven niet langer door de Romeinse schemer te snellen. Zoals de fundamentalistische evangelicals in Amerika de laatste tien jaar: wij zijn lang genoeg beschimpt, nu is het onze beurt.

In het licht van deze relirestauratie is het een interessant trio dat de Haagse regeermacht verkent. Balkenende sprak in 2006 heel wat niet-strikt-confessionele kiezers aan met zijn zingevingsretoriek. Eind mei vorig jaar kruisten de twee andere koetshuizers al de degens over de nieuwe ongrijpbaarheid. Bos en Rouvoet besnuffelden elkaar hoffelijk in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer. Zij waren het over veel eens. Aanleiding was de bundel Ongewenste Goden, De publieke rol van religie in Nederland, onder redactie van Marcel ten Hooven en Theo de Wit.

Binnen de VVD was toen heibel over Hirsi Ali’s pleidooi voor afschaffing van artikel 23 van de Grondwet. Bos deed niet mee. Hij wilde niet af van de daarin geregelde onderwijsvrijheid. De wet mag best wat worden aangescherpt om sommige islamscholen bij de les te houden, maar „we moeten niet tornen aan het door de overheid gesubsidieerde bijzonder onderwijs”.

Rouvoet verweet Bos wel minachting voor mensen die geloven in ‘intelligent design’, het door CDA-minister van Onderwijs Van der Hoeven omhelsde idee dat de wereld zo vernuftig in elkaar zit dat er een Schepper achter moet zitten. Bos opnieuw mild: liever Rouvoets opvatting dat creationisme een zaak van religie is dan Maria van der Hoeven die doet alsof het om een wetenschappelijk alternatief voor de evolutietheorie gaat.

De CU-leider was toen al tekeergegaan tegen ‘Verlichtingsfundamentalisme’: „Niet religie maar secularisme verdeelt Nederland”. Die opvatting is nu bijna gemeengoed: wie herinnert aan het belang van de scheiding tussen staat en godsdienstbeleving is een Hirsi Ali-liberaal – extreem, afgedaan. Rouvoet bespeurde een streven religie uit het openbare leven te bannen, om van allerlei islamitische verschijnselen af te komen. „Te makkelijk wordt gekozen voor een naked public square. Dat zal een illusie blijken te zijn.”

Vlak voor Kerstmis bediende de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid de ChristenUnie-voorman op zijn wenken. De WRR publiceerde een ‘verkenning’ van zo’n halfduizend pagina’s over Geloven in het publieke domein. WRR-voorzitter Wim van de Donk, mederedacteur van de bundel, signaleerde in de Volkskrant een taboe rondom geloof in de openbare ruimte. Dit was „een agenderende verkenning die probeert de ongemakkelijke stilte te doorbreken”.

Welke stilte zou hij bedoelen? Die rond Jan Siebelinks extreem gelovige vader? Zowel PvdA als CDA wijdde vorige zomer een congres en een bundel opstellen aan het onderwerp. Bij de christen-democraten leverde dat een boek op met de curieuze titel Zonder geloof geen democratie. De achterliggende gedachte was dat ook atheïsten en liberalen iets geloven. Kortom, een bewust spel met het begrip ‘geloven’, meer uitdagend dan excuserend bedoeld door de ‘echte’ gelovigen.

Amsterdams burgemeester Cohen pleitte in Socialisme & Democratie (nummer 7/8, 2006) voor ‘een omgekeerde doorbraak’, van zijn PvdA naar de religie. In zijn knappe Willem van Oranje-lezing (2004) kwam hij nog vierkant uit voor handhaving van een seculiere democratische staat. De ervaringen in zijn roerige stad en misschien een gevoel van ideologische leegte in zijn eigen partij brachten hem er toe de merendeels goddeloze sociaal-democraten te adviseren de spiegel van christendom, islam en andere geloven voor te houden. Volgens Cohen hebben religieus geïnspireerden „een morele agenda die vaak haaks staat op een aantal min of meer geaccepteerde praktijken in onze samenleving; denk aan opvattingen over alcohol- en drugsgebruik, echtscheiding, pornografie, fraude, de commercialisering van het bestaan, menselijke relaties”. Alsof je zonder godsdienst niet tegen die excessen kan zijn.

Maar Cohen maakte het echt bont toen hij die religieuze inspiratie nog verder uitlegde aan zijn ongelovige broeders: „De werkelijke dynamische kracht van religie kan alleen maar worden begrepen als we inzien dat religies aan hun gelovigen een perspectief bieden op een rechtvaardige of rechtvaardigere samenleving.” Cohen leek deze toekenning van hogere morele waarden voor gelovigen wat af te zwakken in zijn Buitenhof-optreden de dag voor Kerstmis. Geloof was in de publieke ruimte net iets als sport, je hebt er mee te maken.

Misschien heb ik in de Verenigde Staten de laatste jaren te veel religieus gemotiveerde ‘wij-hebben-gelijk’-politiek meegemaakt, maar iedereen die in Nederland suggereert dat er zonder openbare religiositeit een moreel vacuüm dreigt, moet zich nog eens goed in de arm knijpen. Het is modieus spelen met vuur om in het publieke domein ruimte te vragen voor vaag gedefinieerde gelovigheid.

De WRR heeft het verkennen van de nieuwe religiositeit voorlopig aan deskundigen van buiten overgelaten, zonder al te veel oog voor evenwicht. In het dikke boek van vorige maand was de Nijmeegse hoogleraar theologische ethiek Jean-Pierre Wils de enige die de keerzijden van goed en kwaad-schema’s in het publieke verkeer inventariseerde.

Misschien moet de Raad het hier maar bij laten. Hij adviseert over regeringsbeleid. Zingeving is geen beleidsterrein. De 18 procent ‘niet-religieuze niet-humanisten’, buitenstaanders genoemd, soms grimmige landgenoten, kunnen problemen veroorzaken. Maar Gods terugkeer in de publieke arena, als rijksvormingswerker, brengt grotere risico’s met zich mee voor de democratische rechtsstaat dan 26 LPF-zetels en te veel vuurwerk op Oudjaar. Gewoon de wet handhaven blijft het proberen waard.

opklaringen@nrc.nl