Geluidloos langs de scherenkust

Zweden is een stiltegebied voor kanovaarders. De meren zijn betoverend. De rivieren vereisen peddeltechniek. Met een kano kom je op plekken die zeilend onbereikbaar zijn.

Water, zeeën en golven van de zee: onderweg naar zuidwest Zweden is het water overal. De pont heet ‘Hamlet’, op de oever van het Deense Helsingør prijken de transen van kasteel Elseneur, waar de geest van de dode vader zich aan Hamlet openbaarde: ‘There’s something rotten in the state of Denmark.’

De zee-engte die we oversteken heet Oresund. Ruig water. Najaar. Mistflarden hangen laag. Rotsblokken en enorme keien slingeren op de oever. Zou dit een beek zijn, dan zeg je in kanotermen: het water is ‘verblokt’. Keien als enorme blokkades.

Mist: ook water. Net als regen, sneeuw, hagel, ijs, opspattend schuim, snelstromende beken. De wolken aan de hemel, ook water.

Zweden: waterland. De autoweg voert langs de zuidelijke kust. De zee dringt het land binnen met diepe inhammen. Waar de bomen in koperen herfsttooi plots uiteenwijken, toont zich een meer. Uitgestrekt. Verstild. Hiervoor zijn we gekomen. Om over de meren met een kano te varen.

De waterrijke stad Karlskrona in het zuidoosten, ons eerste reisdoel, is strategisch gelegen. De Baltische Zee tot aan Rusland ligt in het vizier. Dat had de zeventiende-eeuwse koning Karl XI goed gezien. Hij maakte van een aantal eilanden een versterkte vesting, een marinehaven met werven, kazernes, oorlogsbodems.

In het Marinmuseum op het eiland Trösso is de zeevaarthistorie van Zweden en Karlskrona te zien. Om de sensatie van ‘onder water’ te proeven, is in het museum een afdaling. Net of onze tocht beneden de waterspiegel begint. Een trap gaat in wijde slingers omlaag. Vensters met ronde hoeken bieden uitzicht op de zeebodem. Wrakhout, een brok kanon, zand waar het water doorheen woelt, keien, een touw dat zwiert: zo oogt het in de diepte. Het water is troebel. Miljoenen zanddeeltjes en kleine waterdieren nemen de helderheid weg.

Een van de kanotochten begint bij het eiland Dragsö. Waar de oever van de scherenkust geleidelijk afloopt, liggen open vaartuigen klaar, de ‘canadees’. Gemaakt van aluminium, niet mooi, wel sterk en bestendig. De verhuurder geeft een kaart mee en aanwijzingen. Je ziet de gevaarlijke stroming niet, toch sleept die je mee naar open zee. Het heet Borgmästerefjärden, elders Dragsöviken.

Een open of toerkano ontleent zijn vorm aan de kano’s die ooit in Canada zijn ontwikkeld. Boeg en achtersteven zijn gelijk. De rechte kiellijn zorgt voor koersvastheid. In het midden waaiert de stabiele kano uit. Je kunt de kano knielend op de bodem voort peddelen of zittend op een van de bankjes. In tegenstelling tot de kajak of jachtkano bedien je de toerkano met enkele of met steekpeddels.

De golfslag van de Baltische Zee dringt niet tot de beschutte baai door. De houten peddels met gebogen blad liggen stevig in de hand. Gelijkertijd steken we ze in het water, over stuurboord of bakboord. Degene die achter zit, gebruikt de peddel ook als roer. Elementaire vaarkunst. Moet de boot keren of dwars uit gaan, dan geeft de voorste meer kracht en de achterste steekt de peddel dwars in het water.

De tocht voert langs een rijk van eilandjes. Sommige onbewoond en een paradijs voor zeevogels. Op andere staan de kenmerkende Zweedse huizen, rood geschilderd met een speciale verfstof om het hout tegen de weersinvloeden te beschermen. De kunst is in een gelijk ritme te peddelen. Een schipper moet één zijn met zijn of haar vaartuig. Vergeet de haast op het vasteland. De torens van Karlskrona verdwijnen uit het zicht en dat is ook de bedoeling: kanoën of kajaken is de mooiste vorm om dicht onder de wilde kust te varen. Kajaks zijn ontstaan in Groenland en op de Aleoeten, waar de inuits ze gebruikten voor de jacht.

Langs de zuidkust is de kano of kajak met zijn geringe diepgang, grote stabiliteit en wendbaarheid het enige vaartuig dat tussen rotseilanden, steenbrokken, inhammen en grillige formaties kan manoeuvreren. Met een zeilboot ben je hier verloren. Elke beweging of stroming van het water merken we. Het contact is intens.

Het water is hier en daar bezaaid met rotsblokken. Als we tegen een rotsblok stoten, geeft het aluminium een sonore klank. We oefenen een snelle keeractie. De achterste peddel met kracht rechtstandig in het water steken. De boot beschrijft een cirkel. Kanoën is ook de kunst onder omgevallen bomen door te varen, al zwiepen de takken in je gezicht. We bereiken plekken die op geen enkele andere manier te vinden zijn. De oevers lopen steil en rotsig af. De kano glijdt geluidloos over de waterspiegel.

Na enige oefening kunnen we het water ‘lezen’. Je ziet grillige stroomfiguren en versnellingen. De luwte achter een rotsblok heet ‘keerwater’ ofwel ‘eddy’. Snelstromend water wordt door een obstakel uiteengedreven. Hierachter ontstaat, door het wegstromende water, een laagte. Die wil het water weer opvullen. Achter een rotsblok ontstaat een zuiging juist naar dat rotsblok toe.

In de Zweedse zuidhoek wemelt het van de meren: reusachtige verstilde wateren omsloten door bossen. Vanaf de heuvels eromheen stromen snelle rivierlopen omlaag, de zogenaamde whitewaters. Witte wateren omdat ze bruisen en schuimen, soms hagelwit zijn. Hier past een kajak, geen open canadees. In een kajak varen werkt verslavend. Het is een van de rankste, doeltreffendste vaartuigen ooit uitgedacht. De eskimo’s maakten ze van hout en dierenhuid.

De wildwaterkajaks zijn van kunststof. Je zit laag op het water, de benen gestrekt naar voren en de voeten tegen een steun. Het spatzeil bind je met een koord om je middel. De bladen van de dubbele peddel staan in een hoek van 90 graden tot elkaar. Dit om bij de bovenslag zo weinig mogelijk wind of luchtdruk te vangen: terwijl het ene blad door het water duwt, snijdt het andere door de lucht.

Vanaf het gehucht Urshult, naar het noordwesten, aan het meer Åsnen, trekken we met twee slanke kajaks de wildernis in. Onze kanowoordenschat is gegroeid. Er is het begrip ‘eskimoteren’, wat betekent dat je met een kajak een koprol door het water kunt maken. Een oude truc: bij omslaan zo snel mogelijk, zonder de boot te verlaten, weer boven komen. Ook de ‘alpiene of Himalaya-start’ is nieuw. Hierbij glijd je vanaf de hoge oever in een duikbeweging het water in, de voorsteven schiet onder en je scheert weg. ‘Traverseren’ betekent niet alleen een bergflank in een zijwaartse manoeuvre nemen, het houdt ook in een rivier over te steken zonder stroomafwaarts te geraken. En dan zijn er nog de diverse slagen, zoals de voor- en achterwaartse slag, de trekslag, de boogslag en de slalomslag ofwel ‘duffek-slag’.

De droom van elke kanoër is wildwater vanaf klasse 4 tot 6. Vanaf klasse 4 is de stroom niet meer overzichtelijk en extreem moeilijk bevaarbaar met verblokking, rotspartijen, watervallen, vervaldrempels en genadeloze stroomversnellingen. Zover gaat het niet, hier in Zweden. De boot sluit als een tweede huid om het lichaam. We glijden vooruit. Aanvankelijk is het evenwicht wankel en zijn we bang om te slaan. We dragen een helm, handschoenen en waterbestendige kleding. De kajak geeft een wonderlijk gevoel van geborgenheid. Met enkele krachtige slagen stuwen we de boten vooruit. Verderop neemt de stroom ons mee, we sturen door met de peddels weerstand in het water op te bouwen. Een van ons raakt verstrikt in laaghangende takken. De ander stoot tegen een rotsblok aan. Ik kantel bijna. Gelukkig is de punt versterkt met een ‘ramkap’. De stroom legt me dwars en ik moet weer recht in de stroomlijn zien te komen. Als het water ondiep wordt, raakt de kano de rotsige bodem. Golven spoelen over het dek, maar we blijven droog. Onder het elastiek aan het voordek heb ik een geplastificeerde kaart van het gebied gestoken met namen als Ugglekull, Törnabygd, Akavik.

Sommige zeekajakken zijn uitgerust met een kompas; deze niet. We zijn ver in de wilde bossen en wateren. Een kano is een teer en minuscuul vaartuig, maar een kajakvaarder kan uitgroeien tot een meester over een van de meest verfijnde en zeewaardigste vaartuigen. Een kano kan brekers nemen en door de smalste waterstromen varen, waar niemand anders kan komen. De kuip biedt veiligheid. De peddel is je werktuig.

Het water zoekt zich een weg langs dichtbegroeide oevers en onder overhangende boomstammen, rotsen en takken door. De rivier duikt neerwaarts en de stroom versnelt zich. We worden gedragen op de rug van de rivier. Door de huid van de boot heen voel ik elke golf, elke waterbeweging.

Waar de rivier eindigt in een uitgestrekt meer varen we de grote stilte tegemoet. Op de waterkaart lees ik dat het meer 140 meter diep is. Dennenbomen staan ver weg. Daar komen we pas als de zon ondergaat en het meer in rode gloed zet. Vonkend water.

    • Kester Freriks