Froe froe - sloet sloet langs zuigende moerassen

Van de oorsprong in Tsjechië tot de monding in Noord-Duitsland wordt de Elbe geflankeerd door de Elberadweg. Het fietspad voert door afgelegen natuurgebieden en door de bewoonde wereld. Maar wie langs de rivier fiets, wil water zien.

De brede Elbe en de smalle zijrivier Tanger gezien vanuit het vroegere Hanzestadje Tangermünde Foto Lien Heyting Heyting, Lien

Ja, we zullen door diepe sparrenbossen fietsen, langs akkers, weilanden en moerassen. Soms zal het pad ons vlak langs de Elbe voeren zodat we het water zien glinsteren tussen de wilgentakken. Boven de velden zal een groep ooievaars een adembenemende vliegshow geven. En reeën en herten zullen sierlijk wegsprinten van een bosweitje zodra ze ons in het vizier krijgen.

Maar nu is er nog even niets van dat alles. Nu, aan het begin van onze eerste fietsdag, passeren we deprimerende dorpen, afgewisseld met eindeloze, vervallen industrieterreinen, schroothopen en verruïneerde fabriekscomplexen. In Lutherstad Wittenberg maakten de dreigende luchten dat we niet kozen voor de ‘mooi weerroute’ door de natuurgebieden onderlangs de Elbe, maar voor een tocht door de bewoonde wereld aan de overzijde. In deze streek tussen Wittenberg en Dessau – ons fietsdoel voor vandaag – heten de dorpen Zieko, Luko, Buro, Buko, of Griebo.

Dit is ook de streek waar in de oorlog, in 1943 en ’44, de dichter en schilder Lucebert (1924-1994) tewerk gesteld was, ondermeer als arbeider in een researchfabriek voor springstoffen. Later vertelde hij hoe ‘bedreigend’ het daar was: „Die fabriek bestond uit veel kleine gebouwtjes waarvan er geregeld een aantal de lucht invlogen en dan gingen er ook weer een stelletje Russen, Hollanders en Fransen de lucht in.”

Lucebert was met een groepje Nederlanders ondergebracht in een kamp in Apollensdorf, een van de grijze dorpen waar wij doorheen fietsen. Ze mochten zich hier betrekkelijk vrij bewegen, ze konden met het treintje naar Wittenberg en Dessau, en ze zwierven langs de oevers van de Elbe. Over Apollensdorf schreef Lucebert het klaaglied ‘Apollensdorfer Elegie’, dat begint met de regels:

vereenzaamd, moedeloos en leeg

spreek ik over deze zwarte rivier

die hier juist angstig zich kromt

en smal wordt en wild, juist hier.

Misschien is er geen Nederlandse dichter van wie de poëzie zo vol is van water, stromen, branding, golven, zeeën, beken, bronnen en tranen – maar vooral van rivieren – als Lucebert: „Zijn de grote rivieren niet gemaakt om licht / statig en gestadig terug te dragen naar de zon (-)”. In zijn vroege gedichten gaat Lucebert meermalen terug naar de Elbe, hij gaat ‘met de elbe opwaarts, voorbij griebo griebo’, en in het gedicht ‘de elbe’ gaat hij weer ‘af het pad de rivier langs’, zoals hij in Apollensdorf meermalen gedaan moet hebben, en noteert : „froe froe opvlucht van vogels – dan / sloet sloet door de moerassen sloet sloet”.

Die twee regels, froe froe - sloet sloet, zullen ons de hele tocht langs de Elbe begeleiden. Als in de verte zwermen kwetterende vogels opvliegen en uitwaaieren in het blauw, als we de kikkers horen in de zuigende moerassen, of als zwaluwen vrolijk met ons mee scheren over de dijken.

De Elbe is 1.187 km lang en begint in het Tsjechische Reuzengebergte. Vandaar stroomt de rivier door Tsjechië en Duitsland, via Praag, Dresden, Wittenberg, Dessau, Magdeburg en Hamburg naar Cuxhaven waar ze uitmondt in de Noordzee. Van de oorsprong tot de monding wordt de Elbe geflankeerd door het Elbefietspad, in het Duits de Elberadweg.

Waarom kozen we voor deze tocht, die we eind augustus 2006 maakten, het traject Wittenberg-Tangermünde, ongeveer 200 kilometer stroomafwaarts?

Beide steden zijn met de fiets in de trein goed bereikbaar uit Nederland. Het traject, in de voormalige DDR, voert langs verschillende Unesco werelderfgoederen: de oude binnenstad van Wittenberg, waar Luther in 1517 zijn 95 stellingen tegen de deur van de slotkerk spijkerde, de parken en kastelen van het ‘Gartenreich Wörlitz’ bij Dessau, het Bauhaus in Dessau, en diverse beschermde natuurgebieden van het Flusslandschaft Mittlere Elbe. En dan is er nog het romantische kuuroord Bad Salzelmen, de stad Magdeburg met zijn Dom en halve bollen, en, als eindpunt, het vestingstadje Tangermünde, dat afgaand op de reisgidsen een sprookje van baksteen moet zijn. En niets van dat alles hadden we ooit gezien.

Toen we ’s avonds om een uur of zeven met bepakte fietsen in Wittenberg uit de trein waren gestapt, hoorden we al op het station dat de Wittenberger Erlebnisnacht werd gehouden, het grootste feest van het jaar, waarbij alle musea en bezienswaardigheden van de stad geopend zouden zijn. En zo liepen we nog geen uur later met de menigte mee over de keitjes van het Marktplatz langs de talloze monumenten die hier ‘als parels aan elkaar zijn geregen’, langs het standbeeld van Luther en door de kerken waar hij ‘de ware leer van Christus’ predikte. We zagen dat de beroemde houten deur waarop in 1517 de reformatie begon, niet meer bestaat: die vloog in 1760 met de slotkerk in brand en werd later vervangen door een deur van brons waar Luthers stellingen nu in onuitwisbaar reliëf opstaan.

We bekeken het huis van de schilder Lucas Cranach (1472-1553), een museumpje over het leven in de DDR, en, in het mooie renaissanceraadhuis, een tentoonstelling van christelijke kunst uit de vorige eeuw, met – verrassing – werk van kunstenaars als Georg Baselitz, Keith Haring, Joseph Beuys en Otto Dix. In Wittenberg, ooit het ‘centrum van het geestelijk leven in Europa’, is het christendom alomtegenwoordig. Zelfs in de hotelkamer wemelt het van de religieuze folders over bezinningsdagen en gebedstonden en congressen over onderwerpen als ‘de macht van het kwaad en het kwade van de macht’.

We hebben lang niet alles gezien in Wittenberg als we de volgende ochtend onze fietstocht beginnen. Het dilemma zal zich in de vijf fietsdagen vaker voordoen: verder gaan of kijken, doorfietsen of afstappen. Stoppen is op de fiets makkelijker gedaan dan in de auto, maar wie een traject fietst, wil ook door. Dus dalen we in Apollensdorf niet in het voetspoor van Lucebert af naar de rivier en laten we ook het landschapspark bij Wörlitz met zijn waterpartijen, grotten, rozen- en palmentuinen voor wat het is. (Maar toen wisten we nog niet dat Goethe dit park ‘oneindig mooi’ noemde en het vergeleek met de Elyseïsche velden). We fietsen voorbij het informatiecentrum over het ‘Biosferenreservaat vloedlandschap Midden-Elbe’ en aan de ‘Biberfreianlage’ waar de schuwe bever, die hier veel voorkomt, in het wild te bezichtigen is.

We passeren een nepburchtje waar net een valkeniersshow wordt gehouden, een hondensportclub, Dany’s Snackbar en Petra’s Bierstübchen, maar we fietsen door, over klinkers, kasseien, asfalt, grint en zand, langs kerkhoven en dorpen. Soms besluiten we zelfs om een hele stad links te laten liggen, zoals Magdeburg, waar we in één ruk langsfietsen. En later, voorbij Magdeburg, stoppen we niet bij de waterwerken van Hohenwarthe, waar met kuipbruggen en sluizen ‘het grootste kruispunt van waterwegen in Europa’ is aangelegd. En als we op de derde dag zien hoe in het dampige ochtendlicht alles wuift – takken, bladeren en de rietpluimen in de moerassen – blijft het bij de vluchtige indruk van een passant. Zelfs als we in de verte Van Goghs beroemde schilderij van een korenveld met kraaien onder een donkere lucht ontwaren, houden we geen halt.

Maar soms stappen we wel van de fiets. Zoals in het dorpje Pretzien onder Magdeburg, waar we in de romaanse Thomaskerk uit 1140 de middeleeuwse muurschilderingen bekijken. Het kerkje lag toen aan de oever van het oude stroomgebied van de Elbe en vlakbij de ingang is Christoforus afgebeeld, wadend door de golven, met spartelende kreeften en vissen om zijn voeten. Op de witte muren voorin de kerk tekent zich in verschoten kleuren, levensgroot een heel bijbels stripverhaal af, met Jezus en Maria, heiligen, profeten, cherubijnen en maagden. Onder het orgel is een Jeroen Bosch-achtig tafereel geschilderd: een zielenweging waarbij het kwade wordt afgewogen tegen het goede; valse duiveltjes trekken de balans naar hun kant, maar aan de andere kant weet Maria met één duwtje een mensenziel te redden.

Doordat we gemiddeld maar zo’n veertig kilometer per dag afleggen, hebben we, eenmaal op onze bestemming, genoeg tijd om van alles te bezichtigen. Als we Dessau binnenfietsen, vragen we aan een vrouw bij een zebrapad waar het stadscentrum is. Ze aarzelt en zegt dan: „Leider haben wir hier in Dessau kein richtiges Zentrum.” In de oorlog is het weggebombardeerd. Maar Dessau heeft nog wel het Bauhaus, het wonder van glas, staal en beton dat in 1926 naar een ontwerp van architect Walter Gropius werd gebouwd. En, in een dennenbosje vlakbij het Bauhaus, de docentenwoningen van Gropius, waar onder anderen Vassily Kandinsky en Paul Klee woonden. In deze huizen, met hun heldere kleurstellingen, is alles even functioneel, strak, afgewogen en uitgekiend. In de DDR-tijd waren ze omgebouwd tot eengezinswoningen en was er weinig over van de oorspronkelijke architectuur, maar na de Wende zijn ze schitterend gerestaureerd. Hier, bij deze huizen, liep in 1927 de Russische schilder Kasimir Malevitsj toen hij een bezoek bracht aan het Bauhaus en ging lunchen bij Gropius – een legendarische lunch waarbij twee kunstrichtingen botsten en Malevitsj niets bleek te begrijpen van de functionalistische Bauhaus-idealen.

In Bad Salzelmen wandelen we door belommerde lanen langs negentiende-eeuwse kuurpaleizen, en zwemmen we in zout bronwater. Zoals in veel van de mooie stadjes en dorpjes waar we terechtkomen is ook hier alles, het hele kuurpark, de villa’s daaromheen en het oude centrum, gerenoveerd. Na de Wende heeft zich in Oost-Duitsland een verfkwastwonder voltrokken.

In het ommuurde stadje Barby, ook al helemaal opgeknapt, belanden we in een paradijselijk hotel, Augustusgabe. Uit onze ramen kunnen we pruimen en perziken plukken en we kijken uit over boomgaarden en tuinen. Bij het hotel is een kinderboerderij, met pony’s, ezels en konijnen. Hier zien we hele fietsgezinnen neerstrijken – langs de Elbe fietsen blijkt voor alle leeftijden, zo hebben we intussen gemerkt. Langs de route zijn overal nieuwe uitspanningen, fietsenmakers, hotels, b&b’s en pensions. We horen dat het fietstoerisme steeds belangrijker wordt en deze streken nog een beetje op de been houdt.

En de Elbe, waar het allemaal om begonnen was, wat merken we van de Elbe? Wie langs een rivier fietst, wil die rivier ook zien. Als dat niet zo is, vraag je jezelf voortdurend af: waar is de Elbe, hoe ver zijn we er vandaan, kunnen we er nog een glimp van opvangen?

We zijn zeven maal over de Elbe gegaan, drie keer over een brug en vier keer per veer. Pas op de derde dag zitten we aan de oever en steek ik mijn hand in het snelstromende water. De Elbe heeft vaak een honderden meters brede bedding en het is dan ook altijd weer een verrassing als het fietspad een stuk pal langs het water voert. Soms hangt een heel eind van de rivier nog verdroogd aanslibsel aan de boomtakken – de sporen van hoogwater.

Op de vierde dag, op het veer naar het dorpje Rogätz, zien we aan de overzijde een witte villa. Als dat eens een hotel was! Het blijkt waar, eindelijk kan ik uit mijn hotelkamer uitkijken over het ongerepte Elbe-landschap. De volgende dag hebben we wind mee, we fietsen niet, we vliegen op wielen naar onze eindbestemming Tangermünde.

Zoals overal is ook hier de Elbe-route aangegeven met wit-blauwe E-bordjes. Bij Grieben, zo’n 17 kilometer van Tangermünde, sturen die bordjes ons ineens het land in, terwijl de gids ons juist naar de rivier wil leiden. We kiezen voor de gids en worden beloond met een van de mooiste trajecten van de hele tocht en met idyllische doorkijkjes over het water waar we nu vlak langs fietsen.

In het vroegere Hanzestadje Tangermünde, vol oude torens en vakwerkhuizen, blijken niet alleen mensen te wonen, maar ook steenmarters (die ’s nachts tikkertje op de daken spelen) en – dit jaar in zeven nesten – hele groepen ooievaars. Elke dag vliegen ze uit over de beemden en moerassen langs de rivier om wormen, muizen en kikkers te vangen tot ze, eind augustus, weer vertrekken voor hun overwintering in Afrika.

Vanaf de hoge stadsmuur om Tangermünde kijken we ’s avonds nog eenmaal over de Elbe uit en zien in de schemering hoe de smalle Tanger ver onder ons in een spitse hoek uitmondt in de brede rivier. Zo moet de Duitse schrijver Theodor Fontane, die in 1859 te voet door deze streek trok, de Elbe hebben gezien. In de tragische novelle Grete Minde, die speelt in Tangermünde, schreef hij: „De nevels waren opgetrokken, zilvergroene weilanden strekten zich aan beide kanten uit en daartussen glansde de stroom waarover de maan net zijn brug van licht had gebouwd.”

    • Lien Heyting