Engelen van de jungle zijn verlegen

Aan de oevers van diep in het oerwoud van Mexico verscholen lagunes wonen de laatste nazaten van de Maya’s. Vissend en vruchten plukkend proberen de Lacandón` indianen in de staat Chiapas hun traditionele bestaan voort te zetten.

De eerste aanblik is onwezenlijk. In het dichtbegroeide Mexicaanse oerwoud bij de grens met buurland Guatemala lopen kleine, donkere mensen met lang pikzwart haar en hagelwitte gewaden die tot de kuiten reiken. Van een afstandje is niet te zien of het mannen of vrouwen zijn. En de verbazing is trouwens wederzijds. Bij de ontmoeting schieten de Lacandón indianen meestal links en rechts het bos in. De engelen van de jungle zijn verlegen.

Vanuit de stad Palenque in de Mexicaanse staat Chiapas is het een kleine drie uur hobbelen. De weg is voor het grootste deel een slecht onderhouden pad dat alleen voor grote, stevige auto’s begaanbaar is. Na Palenque volgen eerst kaalgekapte heuvels. Maar allengs is er niets dan snikheet tropisch bos. Brulapen kondigen een nieuw spectaculair onweer aan. Stenen grenspalen markeren de ingang van de reservaten van de Metzabok en Nahá indianen die tot de Lacandón behoren.

Sinds 1998 is het leefgebied van deze inheemse bewoners beschermd. Ze zijn de meest directe nazaten van de Maya’s die vroeger, voor de komst van de Spanjaarden, in dit deel van het Amerikaanse continent woonden. Ze zijn ook de enige indianen in Chiapas die niet door de kolonisatoren werden onderworpen, omdat ze zich bijtijds terugtrokken in het dichte bos. Tot een jaar of dertig geleden waren de nederzettingen van de Lancandón indianen in deze bergachtige jungle vol onbedorven lagunes en rivieren vrijwel afgesloten van de rest van de wereld. Het gebied was alleen met kleine vliegtuigjes goed bereikbaar.

Over de weg zijn de Tzeltal en de Tzotzil indianen – twee van de in totaal 62 indiaanse volken die Mexico telt – de afgelopen jaren stevig opgerukt in oostelijke richting. En de Tzeltals en de Tzotzils zijn nijvere landbouwers en ze houden vee. „In tegenstelling tot de Lacandón werken wij hard”, zeggen ze. En dat betekent dat ze het bos kappen om maïs te zaaien en hun koeien te laten grazen.

„We moeten voortdurend alert zijn op invasies. Andere indianen dringen steeds ons reservaat binnen. Ze zeggen dat wij de grond toch niet gebruiken”, vertelt de 32-jarige Kayum. Hij is comisariado, een soort burgemeester, van de Nahá. Terwijl zijn achtjarige dochter slappe koffie serveert, legt Kayum in zijn houten huis uit hoe ze leven.

Het bos is voor de Lacandón – bijgenaamd Hach Winik (Echte Mannen) – één formidabele voorraadschuur. Hier vissen ze, jagen ze en plukken ze vruchten. Het omhakken van bomen gebeurt alleen bij hoge uitzondering. Het bos is immers het kleed van de aarde. Als je dat vernietigt, staat de wereld naakt te kijk.

„Iedere keer als je een boom kapt, valt er een ster uit de hemel”, was de gevleugelde uitspraak van Kayuns vader, Chankín Viejo. De wijze voorman van de Nahá was naar verluidt 120 jaar oud toen hij in 1997 de geest gaf.

De Lacandón indianen tellen nog zo’n zevenhonderd man. Ze wonen in het oerwoud verspreid over een vijftal nederzettingen. De leefgebieden van de Metzabok (79 man) en Nahá (256 man) zijn de meest afgelegen dorpen. Metzabok betekent ‘God van de Donder’ en Nahá betekent ‘Huis van Water’. Beide gebieden zijn ruige en natte reservaten, ook al is de natuur een stuk minder uitgestrekt dan vroeger. „Mijn vader vertelde me dat hij in zijn tijd vijf dagen moest lopen voordat hij andere mensen tegenkwam”, zegt de 45-jarige Rafael Tarano Gonzalez. Zijn indianennaam is Kien en dat betekent zon.

Maar het is er nog steeds heerlijk rustig. Kien neemt me kort na zonsopgang mee in een boot en roeit over de lagune van de Metzabok. Boven de bossen hangen slierten nevel. Het groene water spiegelt de uitbundige vegetatie. Onderweg plukt hij exotische vruchten die naar kiwi smaken of naar zuurtjes.

De indiaan toont de grot Tzibana aan de rand van het meer waar botten en schedels van voorouders op de bodem liggen. Onbereikbaar hoog op de rotsen zijn primitief rode tekeningen te zien. „Die zijn gemaakt door de Goden die in de grot wonen”, zegt Kien.

De Mexicaanse biologe Manuela Morales Hernández die mee op pad is gegaan, mag de grot niet betreden. „En als ik het toch doe”, vraagt ze. Dan gaat ze dood en krijgt ze ook geen kinderen meer, wordt haar te verstaan gegeven.

Kien loopt even later rap naar boven op de zogeheten Mirador. Dat is een 580 meter hoge heuvel die een prachtig uitzicht biedt op het 3.668 hectare grote gebied van de Metzabok. In de verte vliegt een witte adelaar. Hij vist.

De in het achttien kilometer verderop geleden dorp Nahá wonende Lacandón indianen gelden als de meest traditioneel levende inheemse bewoners. Dorpsoudste Chankín Viejo duldde namelijk niet dat er gemorreld werd aan de oude leefregels in dit reservaat.

„Mijn vader stond iedere ochtend om vijf uur op en dan moest het hele gezin mee werken op het land. Hij wilde niet dat we naar school gingen want dan zou er niet genoeg worden verbouwd”, zegt zijn zoon Kayum.

Vader had drie vrouwen en 27 kinderen. Hij was ook tegen elektriciteit, duldde niet dat er een weg werd aangelegd naar de nederzetting en stond ook niet toe dat de indianen hun haar knipten. „Op twee Zwitserse antropologen na hadden we tot voor kort totaal geen contact met de buitenwereld”, vertelt Kayum.

Maar nu, bijna tien jaar na de dood van Chankín Viejo, verandert het leven razendsnel. Veel mannen gaan naar de kapper in Palenque en laten hun haar kort knippen. In het dorp is elektriciteit en een schooltje. Sommige kinderen rijden rond op mountainbikes. En in de dorpswinkel kopen de indianen blikjes sardines of tonijn. Er is zelfs een dvd-boer die langskomt en aan de Nahá vechtfilms verhuurt. De schamele huisjes hebben namelijk wel vaak een dvd-speler.

De Lacandón worden ook al enige tientallen jaren belaagd door evangelisten die de wilde indianen willen bekeren. Op sommige plekken hebben de veelal uit de Verenigde Staten afkomstige predikanten succes gehad, maar in de meeste indianengemeenschappen worden ze beleefd genegeerd.

Bij de Metzabok hangen op veel plaatsen affiches waarop wordt aangekondigd dat binnenkort „de blinden gaan zien en de manken gaan lopen”. Het is een annonce in het kader van de Grote Campagne voor het Geloof en Wonderen. De enige voorwaarde is dat de indianen „het evangelie omarmen” en deelnemen aan de dienst van „internationaal evangelist Ruben Gomez jr”.

De indiaanse gemeenschappen zijn klein en hebben moeite te overleven. Er lopen ook opvallend veel albino indianen rond: inteelt is vrij gewoon. Tijdens mijn bezoek heeft een 78-jarige indiaan net verkering gekregen met zijn dertienjarige nichtje. En er mogen wel vrouwen van buiten worden geïmporteerd, maar geen mannen. „Als die hier gaan wonen, willen ze ook een deel van de grond bezitten en dat kan niet”, vertelt Kien.

Sinds een paar jaar proberen de indianen in samenwerking met en dankzij de financiële hulp van de Mexicaanse overheid, de Commissie voor Nationale Parken (Conanp), een graantje mee te pikken van het toerisme. Bij de ingang van de Metzabok en Nahá dorpjes zijn blokhutten gebouwd waar toeristen kunnen logeren. Er komen overigens nauwelijks buitenlandse bezoekers, omdat er vrijwel geen reclame wordt gemaakt voor een verblijf tussen de indianen. Er zijn nergens wegwijzers en de dorpen zijn bovendien moeilijk te bereiken.

„Door de indianen aan extra inkomen te helpen, draag je ook bij aan de instandhouding van het bos”, zegt Manuela Morales Hernández van de Conanp. ,,Het etnotoerisme geeft de indianen het gevoel dat ze een waardevol bestaan leiden. Het maakt ze trots dat buitenlanders op bezoek komen om te zien hoe de Lacandón leven.”

Manuela vertelt dat ze grote moeite heeft de vrouwelijke indianen te betrekken bij het toerismeproject. Ze wil dat de vrouwen koken of helpen om de blokhutten schoon te houden. „Ze mogen van hun mannen niet het huis uit.”

Het is wel de bedoeling dat slechts kleine groepjes toeristen de Lacandón indianen bezoeken. „Als er te veel mensen op afkomen dan kan het effect al heel snel zijn dat de indianengemeenschappen overspoeld raken en hun cultuur juist verdwijnt.”

En het handhaven van de oude tradities en gebruiken is nu al een hele klus, vertelt de oudste bewoner van de Náha. Hij heet Chankín Antonio en ziet er met zijn grote bos zwart krullend haar een stuk jonger uit dan de tachtig jaren die hij telt.

Chankín Antonio neemt me mee naar zijn tempel. Een houten gebouw op palen en zonder muren. Op een plankje staat zelfgemaakt aardewerk. Elk potje symboliseert een God en Chankín brandt er wierook in en zingt merkwaardige monotone liederen.

„Als er iemand vroeger een ziekte kreeg, werd er gebeden in de tempel. Dat hielp”, zegt Chankín Antonio. Nu gaan de Nahá liever naar de dokter en gebruiken ze moderne medicijnen. De ceremonies in zijn tempel worden nauwelijks nog bijgewoond. „Niemand wil mijn werk straks overnemen. Als ik doodga, is het gedaan met de tempel.”