Die andere Brown

James Brown is dood, maar Chuck Brown, de godfather of Go-Go, leeft en treedt nog op. „Ik ben 71, weet je. Over het algemeen heb ik geen idee wat ik gisteren gedaan heb.”

'Godfather of Go-Go-' Chuck Brown Foto Margriet Oostveen Oostveen, Margriet

James Brown is dood, maar Washington heeft Chuck Brown nog.

Op een donker industrieterrein in Hyattsville zit ik op de witlederen achterbank van zijn SUV. Niet eerder zag ik een levende legende van zo dichtbij. En hij ziet er fantastisch uit. Zijn gouden voortand! Zijn glanzende jas, zijn hoed, zijn massieve Dior-zonnebril!

Chuck Brown!

James was de godfather of soul: Chuck Brown, nu eenenzeventig jaar oud, is hier een grootheid met de bijnaam godfather of Go-Go.. Niets is zo exclusief Washingtons als die hier door Chuck Brown uitgevonden muziekstroming.

Go-Go heeft de stad eigenlijk nooit willen verlaten. Tientallen Go-Gobands telt Washington nu, met namen als Rare Essence en Trouble Funk. Hier zijn ze beroemd en werden ze rijk. Maar een cd maken ze zelden en Go-Go concerten buiten de stad zijn schaars. Go-Go is muziek om life te horen, muziek die moeilijk in een bestaande muziekstroming te passen is, en dan komt het niet op de playlists van de grote radiostations.

Chuck Brown is de uitzondering. Hij speelde tot in Japan en trad vaak op in Europa. Hij bewaart nog altijd de beste herinneringen aan een optreden op het North Sea Jazzfestival in 1987. En dat zegt hij niet omdat ik uit Nederland kom, hij memoreert dat optreden vaak. Omdat al zijn helden er waren: Ray Charles, B.B. King, Miles Davis. „En een half miljoen bezoekers. En ik speelde voor James Brown!”

Dat is Chuck ten voeten uit – trots omdat hij op mocht voor James Brown. Terwijl James Brown hém hier ooit kwam opzoeken voor een beroemd, gezamenlijk optreden.

Eind jaren ’60 werd Chuck Brown betaald om met een paar muzikanten in de clubs van Washington covers van top-40 hits te spelen. „,Dat was onverdraaglijk saai”, lacht hij hees. „De mensen dansten niet. Je kon ze niet ráken.” Hij ging Latin ritmes proberen. Combineerde ze met een Afrikaanse, repeterende manier van zingen, en met jazz. En met nooit ophoudende percussie. Dat kreeg de mensen de dansvloer op. Om ze aan de gang te houden begon hij, als een rapper-avant-la-lettre op zijn publiek in te praten. „People wanted to groove and we gave them music that didn’t stop”, zegt Chuck Brown. Vandaar: Go-Go. Hij kreeg een platencontract. Begin jaren zeventig maakte hij een paar grote hits. ‘Bustin’ Loose’ stond weken op nummer 1 van de Amerikaanse hitparade.

Nog altijd treedt hij meermalen per maand op voor uitverkochte zalen in de stad en omgeving. Vanavond zou hij met zijn bandleden repeteren bij Perfect Sound in Hyattsville, niet veel meer dan een lege loods met een Pepsi-machine en een bevlogen geluidstechnicus. Maar de vrachtwagen met versterkingsapparatuur en muzikanten heeft oponthoud. Dus Chuck zit in zijn SUV te wachten. Met de mooie JaJa, die een lange jas van mink draagt en 26 jaar jonger is – ze zijn 24 jaar samen.

Slechts twee jonge muzikanten, Vince en Mo, bereiken Hyattsville. Ze tikken tegen het raampje van de SUV. Chuck draait het open en knuffelt ze.

We gaan naar binnen. Chuck Brown pakt mijn elleboog, escorteert me naar een hoekje en knikt naar Mo die op een toetsenbord een lome melodie inzet.

Dan praat Chuck Brown. Hij klinkt diep en zwart, een stem om je ogen bij dicht te doen en het allemaal te zien: hoe hij op dertienjarige leeftijd van huis ging. Dat de jeugd elkaar nog niet doodschoot in Washington, zoals nu, want ze hadden helemaal geen wapens, iedereen bokste gewoon. Hoe hij schoenpoetser werd. Op straat leefde. En daarna ging katoenplukken in North-Carolina voor veertig cent per uur. Dat je als zwarte nog nergens naar binnen mocht. Hoe hij pas op zijn éénentwintigste een wafelrestaurant durfde te betreden en hoe eten daar smaakte. En hoe hij kort daarna de gitaar ontdekte.

Wat een mooie avond. Nu en dan pakte Chuck Brown een microfoon om er een paar regels bij te zingen. Hij rookte, draaide aan zijn diamanten ringen, raakte vaak op drift in een verhaal, tolde daar rond en rond, niet in staat zich uit vroeger los te werken.

„Chuck, you’re the greatest”, glimlachte Mo, of Vince, op zo’n moment. Dat bracht hem terug. „Ik heb de mooiste herinneringen aan wat ik zestig jaar geleden meemaakte, jongens”, grinnikte Chuck Brown dan. „Maar ik ben 71, weet je. Over het algemeen heb ik geen idee meer wat ik gisteren deed.”

Tot slot haalde hij zijn grote liefde uit de SUV. Zachtjes zette hij Jaja naast me. Zij gaf hem een kopje.

JaJa, o, zei Chuck Brown. Zoetje. Voor haar zong hij een slaapliedje.

    • Margriet Oostveen