De stelling van André Brink: In Zuid-Afrika dreigt een moreel vacuüm

Zuid-Afrika heeft alleen een toekomst als de armoede energiek wordt aangepakt. Het probleem daarbij is niet geld, maar corruptie en slechte planning, zegt André Brink tegen Marc Leijendekker.

André Brink is schrijver en hoogleraar moderne Engelse literatuur aan de Universiteit van Kaapstad. Zijn laatste boek is ‘De Bidspinkhaan’. Foto Jørgen Krielen Jorgen Krielen/Amsterdam 28-11-2006 / Andre Brink in gesprek met Marc Leijendekker. Krielen, Jorgen

Een jaar of tien geleden was u heel optimistisch over de toekomst van Zuid-Afrika. Maar op 2 september schreef u in deze bijlage een stuk over het toenemende geweld waaruit vooral pessimisme sprak. Wat is er veranderd en is dit pessimisme zo sterk dat u zegt, ik geloof er niet meer in?

„Ik ben van nature eerder optimistisch dan pessimistisch. Ik geloof inderdaad dat de dingen in Zuid-Afrika beginnen mis te lopen, maar nog niet zo sterk dat ik helemaal pessimistisch geworden ben. Het is wel een ontzaglijk moeilijk moment. De keuzes die nu worden gemaakt zijn beslissend voor de toekomst. Ik denk dat de regering een hele partij goede beslissingen gaat nemen, al is dat om de verkeerde reden: praktisch gezien moet je nú in actie komen wil je in 2010 het wereldkampioenschap voetbal goed kunnen organiseren.”

Dat zou dus een zegen kunnen zijn voor Zuid-Afrika, omdat dit toernooi het land dwingt een aantal zaken op orde te brengen?

„Ja. Natuurlijk, het zijn praktische, politieke redenen om in actie te komen, redenen die helemaal niets te maken te hebben met morele en ethische standpunten. Maar hoe dan ook: als nu de beslissing wordt genomen om een behoorlijke infrastructuur te scheppen voor het wereldbekertoernooi, met een vervoersstelsel; als nu wordt begonnen de problemen aan te spreken van armoede, van sociale misstanden die nog voortduren sinds het einde van de apartheid – dan wordt het mogelijk een begin te maken, een grondslag te leggen voor een sterkere positieve ontwikkeling na 2010.”

Het wereldkampioenschap als een positieve ervaring waar je op kunt voortbouwen.

„Ja. Het is toch in onze wereld zo dat sport een enorm belangrijke dimensie van ons bestaan is. En we hebben het al gezien gezien in 1995, net na de verandering. Toen won Zuid-Afrika de wereldbeker rugby. Dat had een geweldige invloed op de verbetering van de verhoudingen tussen zwart en blank. We hadden het gevoel een verenigde natie te zijn. Soccer is op het wereldtoneel natuurlijk zoveel groter dan rugby dat de mogelijkheden werkelijk uitstekend zijn. Tezelfdertijd: als de voorbereidingen niet heel snel beginnen, als de situatie niet snel beter wordt, weet ik helemaal niet wat er zou kunnen gebeuren. In 2008 zijn we nog twee jaar van de wereldcup verwijderd. Als er dan geen dramatische verbeteringen zichtbaar zijn, zou de FIFA kunnen besluiten: nee, we gaan hier niet mee voort. Dat zou een ramp zijn. Want dan zou er geen incentive meer zijn voor de regering om werkelijk de noodzakelijkste veranderingen aan te brengen.”

Wat zijn de verkeerde keuzes die zijn gemaakt, wat zijn de dingen die niet gedaan zijn?

„Het belangrijkste is dat de implicaties worden erkend van al het geweld in het land.”

Wat zijn die implicaties dan?

„Om het geweld aan te spreken, moet je beginnen met het sociale milieu waarin dat geweld plaatsvindt. Dat betekent dat je iets moet doen aan de ontzaglijke armoede, aan het onrecht dat nog steeds gepleegd wordt tegen een grote meerderheid van de bevolking. In de eerste plaats is dat nog steeds, zoals tijdens de jaren van de apartheid, de zwarte meerderheid – ofschoon de blanken die lijden onder geweld misschien luidruchtiger protesteren.

„Er zijn drastische maatregelen nodig om de armoede aan te spreken. Daar is al veel geld voor beschikbaar gesteld. Maar wegens het hoge niveau van corruptie en wegens het onvermogen om praktische plannen werkelijk uit te voeren is het geld nog niet gebruikt of is een deel ervan verdwenen in de zakken van de verantwoordelijken.”

U zegt: er is geld maar het wordt niet of verkeerd gebruikt. Maar de beste manier om armoede te bestrijden is toch vooral mensen een toekomst bieden, uitzicht op een baan?

„We moeten gewoon grote programma’s in werking stellen waardoor de werkende bevolking veel groter wordt. Denk aan het bouwen van huizen, daarmee zou je duizenden of zelfs honderdduizenden banen kunnen scheppen. Denk ook aan het gebruikmaken van de gevangenisbevolking om bepaalde projecten te versnellen.”

Ik neem aan dat u daarbij niet denkt aan dwangarbeid.

„Je moet gelegenheid om te werken scheppen voor mensen die nu gewoon jarenlang ledig zitten. Zo kunnen ze nuttige arbeid bieden, kunnen hun nuttige vaardigheden worden bijgebracht, vaardigheden die hen zouden kunnen helpen nadat ze uit de gevangenis vrijgelaten zijn. Er moet ook beter gebruik worden gemaakt van de mensen die nu thuis zitten. Sommigen van hen hebben onderwijskwalificaties, tot op universitair niveau. Maar er gebeurt niets mee.”

Omdat er geen werk is?

„Voor een deel. Maar ook omdat zoveel van het werk nog steeds in blanke handen is. Omdat er geen intelligent raamwerk voor alle plannen is.”

U noemt armoede als bron van veel problemen. In hoeverre komt daar de politieke erfenis uit het verleden bij, de onderdrukking, en als reactie daarop het gevoel: nou is het mijn beurt?

„Dat speelt zeker een rol. Een van de problemen is de verschuiving van de gemoedsgesteldheid, van wat de Engelsen de mind set noemen. Mensen waren gewend aan een bepaalde vorm van leven. De grote meerderheid van zwarte mensen in Zuid-Afrika heeft in de tijd van de apartheid geleerd dat eigen initiatief weinig zin heeft, dat er weinig ruimte voor is. Laat het maar aan anderen over, laat de staat er maar voor zorgen. Veel zwarte mensen hebben nu de instelling: ik hoef geen enkele inspanning te doen om iets te verdienen, het komt zo wel. Je ziet daar wel een verschuiving in, een verandering. Maar een van onze grote problemen is tijd. Er bestaat veel ongeduld onder jonge zwarten. Zij zeggen: 15 jaar geleden, 12 jaar geleden is er zogenaamd veel veranderd in Zuid-Afrika. Maar dat is allemaal verandering op papier. We zien en voelen er nog niets van, daarom nemen we het heft in eigen handen en maken we gebruik van onze mogelijkheden – en dat zijn niet allemaal legitieme mogelijkheden.

Veel blanken denken nog dat ze op grond van hun kleur voorrechten kunnen genieten die gewoon niet meer bestaan. Nu verlaten ze het land, of ze protesteren en klagen – meer klagen dan protesteren, want ze zijn zich ervan bewust dat ze een kleine minderheid zijn geworden. Maar daar bestaat nog steeds een atavistisch racisme.

Veel problemen dus die aangesproken moeten worden. In plaats daarvan zie je dat veel mensen die ineens dicht bij de macht zitten, gewoon willen profiteren zonder werkelijk een bijdrage te leveren aan wat er moet gebeuren. Veel mensen die nu in het centrum van de macht zitten, zitten daar wegens hun verdiensten in de jaren van de strijd tegen de apartheid. Dan heb je te maken met mensen die inderdaad voortreffelijke figuren waren als de voormalige ANC-politicus Tony Yengeni, maar die onlangs veroordeeld is wegens corruptie. Toen hij naar de gevangenis ging, werd hij vergezeld door de voorzitter van het parlement en enkele ministers, en werd hij letterlijk op de schouders gedragen en als een held behandeld. Wat voor voorbeeld stelt dit nu aan andere mensen die ook een neiging tot misdaad hebben?”

U merkte op dat rugby een gevoel van saamhorigheid had geschapen. Is het probleem van Zuid-Afrika ook niet de vraag: wat bindt ons?

„We zijn eigenlijk nog steeds bezig de gronden daarvoor te zoeken. Na de overgang, na de vrijlating van Mandela, was er een moment van euforie, een geweldige opgewondenheid. Er kwam een nieuwe grondwet, en mensen zeiden, we zijn hier in een nieuw Zuid-Afrika, laten we samenwerken, een nieuwe identiteit creëren.

„Maar toen kwam geleidelijk en onvermijdelijk de desillusie. Een nieuwe identiteit scheppen, dat blijkt nog niet zo eenvoudig.”

    • Marc Leijendekker