De Rus danst altijd en overal zonder gevoel van gêne

De zevendaagse cruise langs berkenbossen en stalinistische sluizen is voor de meeste Russen aan boord een goede gelegenheid om veel te drinken en te dansen. De rijke cultuur van kloosters en kerken neemt men voor lief.

Maandag 11 september

Zo breed, zo lang, zo veel hoogteverschil, zo veel sluizen, zo veel kubieke meter aarde verplaatst. Dat in vier jaar en vier maanden: sneller was nog nooit een kanaal gegraven. Nu had de Sovjet-Unie in de jaren dertig ook een onuitputtelijke voorraad Goelagslaven om van Moskou een ‘haven aan vijf zeeën’ te maken.

Wij varen door een heel smal deel van het Moskou-kanaal, roestige duwboten schuiven op enkele meters langs ons cruiseschip Sergej Koetsjkin. Op de oever zien we een wit kruis ter nagedachtenis van de ‘vijanden van het volk’ die stierven bij het graven van dit kanaal. Voor het eerst horen wij de Stem. De Stem geeft details over sluisgebouwen, over jachthavens waar witte strijkijzers van de Moskouse elite pronken, over de dorpjes aan de oever, ‘wereldberoemd om haar lakdoosjes’, ‘befaamd om haar appels en kersen’. Het witte kruis ontlokt de Stem een uitweiding over de Goelag. „Het eerste grote werkproject was het Witte Zeekanaal. Solzjenitsin schreef daarover...”

Wij zijn op weg. Om stipt half drie vertrok de ‘Sergej Koetsjkin’ uit Moskou naar Sint Petersburg, een tocht van zeven dagen. Ons schip heeft drie dekken in de kleuren mintgroen, lichtblauw en geel, twee restaurants, twee bars, een feestzaal en een sauna. Wij huren een ‘halfluxe’ cabine met badkamertje. De kapitein nodigt ons uit op het zonnedek voor een glas mierzoete Sovjetchampagne. Terwijl kolenbergen en kubistische buitenwijken voorbij trekken, stelt hij ons voor aan ‘burgerkapitein’ Aleksej, ons hoofd entertainment; Vera, het platinablonde stootblok dat de keuken leidt; zangeres Paula, een schone met ravenzwart haar in matrozenpakje. We scannen onze Russische medereizigers. Middelbare leeftijd en ouder, gegoede middenklasse. Weinig kinderen, nog minder jongeren. De ene helft heeft een camera, de andere helft laat zich fotograferen. ‘Water, water, overal water’, zingt Paula weemoedig.

Op onze gereserveerde lunchtafel staan vier onder mayonaise bedolven garnalencocktails klaar. Op een briefje moeten we ons menu voor de komende dagen aankruisen. Soep van paddenstoelenpuree, zwijnsbout Picador, schnitzel ‘Oogjes’ of toch boekweitpap Barnsteen? Russische keuken, dus alles overgoten met vet, mayonaise of zure room.

Onze tafelgenoot heet Jacques (63). Hij heeft zijn haar lichtbruin geverfd, maar vergat zijn borsthaar. Een gouden kruis bungelt tussen het grijze struikgewas. Jacques blijkt een Waal die zes toeristenboten uitbaat op Tenerife. Jacques is hier „voor de Russische vrouwen natuurlijk”. Hij gaat achterover zitten en vervolgt droog: „Maar nu ik zo om mij heen kijk, vrees ik dat ik een fout maakte.”

Jacques heeft maar 150 dollar op zak. Vrijdag ontmoette hij in Club ‘Oud Havanna’ te Moskou een meisje. Tweehonderd dollar voor de nacht: het leek een koopje. In zijn hotelkamer dronken ze een glas rode wijn en gingen ze samen onder de douche. „Daar viel opeens het licht uit, fini.” De volgende middag ontwaakte Jacques, ziek en duizelig. Portefeuille weg, creditcards weg. Te laat om ze te blokkeren: die nacht werd vierduizend euro uit een bankmachine getrokken. „Maar wát een vrouw! O-la-la! Waarom heeft ze mij niet pas ná de seks verdoofd? Heel onsportief.”

Op het voordek gaat de zon onder achter een majestueus stalinistisch sluisgebouw. Het is dringen tussen de Russische paren, die arm in arm dromerig naar de berkenbossen staren. Romantiek is een serieuze zaak. We zijn in feestelijke stemming, dus vermijden we de bar op de voorplecht, waar een duo met gitaar en viool een klassiek concert verzorgt. We willen wodka, popsa-muziek en dansen. Gelukkig is het in de bar ‘ontspanningsavond’. We leren meer over Jacques, diens alcoholistische Duitse ex, diens ‘ziekelijk jaloerse’ Vietnamese ex en de Braziliaanse schone die hij binnenkort uit Rio haalt. Zangeres Paula zingt onder een glitterbol verdienstelijk popsa, afgewisseld met ballades in gemangeld Engels. Het dansvloertje stroomt vol schuifelende, forsgebouwde paren. Als de hoofden rood worden van bier en wodka, zet het personeel de geluidsboxen op het achterdek. Daar danst men onder de sterrenhemel op Boney M, Eurostampers en zomerhitjes: ‘Oosters sprookje/Waarom flirten jouw oogjes?’

Binnen heeft Jacques onze fotograaf Oleg als tolk in dienst genomen. Hij drijft zangeres Paula meedogenloos in de hoek. „Zeg haar dat zij de vrouw van mijn leven is. Vraag haar of ze mee wil naar mijn kajuit. Ik heb daar een heel exclusieve fles Krug-champagne.”

Dinsdag 12 september

Vroeg in de ochtend zijn we de Wolga opgevaren. De langste rivier ter wereld, de slagader van Rusland. Rusland, met zijn dichte naaldwouden en beroerde wegen, is een product van zijn rivieren. Haar natiebouwers waren Vikingen die in de negende eeuw een route zochten naar keizerrijk Byzantium, voor handel en plundertochten. De natie verenigde de Slavische stammen die eeuwen eerder voor de Hunnen naar het noorden waren gevlucht.

Jacques struint al sinds zes uur ’s ochtend over het dek. We misten enkele fabelachtige vergezichten, vertelt hij. Een ruïne van een kerk, half in een stuwmeer verzonken. We leggen aan bij Oeglitsj, een oud stadje van de ‘Gouden Ring’, de rij steden die het hart vormen van Moskovitisch Rusland. Aan wal wacht een meisje met brood en zout en toetert een blaasorkest in Russische klederdracht ‘Viva Espanja’. Voorts zijn er bedelaars, dronkenlappen, trieste baboesjka’s die bosjes bloemen verkopen voor tien roebel. En veel souvenirtentjes.

Na een bezoek aan de kerk volgt een klooster, en nog een klooster. En in de avonduren draaien ze in de feestzaal een film over kloosters. Anderhalf uur wit gesausde muren en gouden koepels, iconen en natuurschoon. De commentaarstem kabbelt op hypnotiserende toon over ‘onze voorouders’, ‘ons erfgoed’, ‘de Russische traditie’. Veertig passagiers zitten voor het beeldscherm: niet verveeld, niet geboeid, maar vredig, als rond een knapperend houtvuur.

Woensdag 13 september

Het hoogtepunt vandaag: een klooster. Het is koud en mistig, het klooster bij Kirillov dat uit de nevel opdoemt, blijkt het ‘oudste nonnenklooster van Rusland’. Tevens het beroemdste, het mooiste, het belangwekkendste, en met de fraaiste collectie 16de eeuwse iconen. Zoiets zeiden ze gisteren in Oeglitsj ook over hún kloosters.

We lummelen achterin groep 5, buigen dan af naar het dorp. Beroete baksteengevels in de Leninstraat, daarachter schimmelige houten kotjes. In het lokale restaurant knabbelen we een koolbroodje, autochtonen houden ons uit hun ooghoeken wantrouwig in de gaten. Buiten staan Fransen van cruiseschip ‘Michail Kalinin’ te kokhalzen op de stoep van een viswinkel. ‘Ruik toch, die geur! Hier kaviaar kopen is zélfmoord.’

Dit is dus een Russische riviercruise. Een vaste cadans van ontbijt-lunch-avondeten, klooster-kerk-Kremlin, spelprogramma-concert-dansen. Je moet je eraan overgeven, maar vandaag verzet ik me. De conversatie van tafelgenoot Jacques gaat tegenstaan: zijn avonturen met hoeren, zijn geplande maar bij voorbaat kansloze veroveringen van Russinnen. Tot zover leende ik Jacques al tweehonderd dollar, die hij uitgeeft aan prulsouvenirs en gratis drankjes voor zijn amourettes.

Op het voordek staren we naar de trage kronkels van de Wolga. Het is oer-Russische kitsch: zwart naaldbos, houten hutjes met moestuintjes op de hoge oever, blaffende honden en een melancholieke trekharmonica in de avondschemer. Generaalsdochter Anasthasia is op huwelijksreis met generaalszoon Andrej. Voor driehonderd dollar konden ze naar Egypte, maar Anasthasia betaalde liever het dubbele om het echte Rusland te beleven. Behalve Moskou kent zij alleen Sotsji aan de Zwarte Zee, waar de familie al haar vakanties doorbracht in een gesloten militair ontspanningscomplex.

Anasthasia is in een poëtische bui. „Nu ik het echte Rusland zie, begrijp ik de liederen die onze oma’s zingen. Zij hebben zo diep geleden zodat wij goed kunnen leven.’’ We vertellen haar over een baboesjka die gisteren in snikken uitbarstte toen we zomaar honderd roebel gaven. Zij leefde in armoede, zonder kinderen. Snikkend zegt Anasthasia: „Dat kan toch niet in Rusland? Wij zijn toch niet zo kil als het Westen? Wij zorgen toch voor onze grootouders?’’

Donderdag 14 september

Vandaag stomen we het Onegameer op, een van de grootste meren van Europa. Een prachtige wolkenlucht, een frisse bries, een stevige, korte golfslag. De kapitein nodigt ons uit op de brug om zijn navigatieapparatuur te bewonderen. Hij is trots op zijn cruiseschip van 136 meter, het grootste van de Russische binnenvaart. Verloopt een cruise nu anders dan in de Sovjettijd? Zeker, knikt de kapitein zuinig. Vroeger werden de boten gevuld door de vakbonden. De mensen waren met weinig tevreden. Nu liggen ze liever aan het strand in Turkije of Egypte. Van de veertien cruiseschepen van zijn bedrijf worden er nu elf gevuld door buitenlandse reisbureaus. En wat begrijpen buitenlanders van Rusland? „Mijn vader vocht bij Stalingrad, zij weten niet eens dat 32 miljoen Russen hun leven opofferden voor de vrijheid van Europa”, gromt de kapitein.

Het reisdoel van vandaag is Kizji, een museumeiland vol oude boerderijen, windmolens en een prachtige houten kathedraal, een cascade van koepels en kapellen. Een zwoele avond. Op het achterdek zitten Tatjana, Arkadi, Sasja en Ljoeda. Vijftigers die wat uit de toon vallen onder de Russische bourgeoisie. De lompe kleding, de zwarte gebitten en gouden tanden: provincialen. Voor Arkadi is dit de derde cruise van Moskou naar Sint Petersburg. De vorige twee waren in de Sovjettijd. Hoe ging dat? „Je voer van A naar B en legde onderweg doelloos aan. Kloosters en kerken waren taboe, eten schaars. De eerste dag serveerde de keuken vissoep, paddenstoelen, vlees en compote. De volgende dag paddenstoelsoep, vis en brood, op dag drie paddenstoelen en brood, op dag vier alleen droog brood. In Sint Petersburg was zelfs de wodka op en dronken we spiritus. Maar gezellig dat we het hadden.”

De zon gaat onder, ‘financieel genie’ Sasja tuurt over het meer. „Zie je dat eiland?” Ik knik. „Daar zitten de geheimste gevangenen van Rusland. Zo geheim, dat niemand zelfs weet dat ze gevangen zitten.” Sasja knijpt zijn ogen tot spleetjes en knikt veelbetekenend.

Vrijdag 15 september

Vannacht bereikten we het Ladogameer, het grootste van Europa. Over deze binnenzee liep in 1942 de enige levenslijn naar het belegerde Sint Petersburg, reden trucks in file over het dikke ijs. Ons reisdoel in Valaam, een klooster op een rotsachtig eiland.

Die avond doen we mee aan het entertainment. We klemmen bierflesjes tussen onze benen en moeten die tussen de benen van onze buurvrouw drukken zonder onze handen te gebruiken. Even later zitten de mannen met een ballon op schoot. Zwaarlijvige matrones klimmen er bovenop om de ballonnen met hun achterwerken te laten knappen. De zaal huilt van het lachen. Russen dansen altijd en overal, zonder enige gêne. Die avond staat het achterdek vol hossende Russinnen.

Zaterdag 16 september

Vandaag een sprookjespark. De inspiratie is de aanhef van Poesjkins gedicht ‘Roeslan en Ljoedmilla’, met de zwarte kat en de zeemeermin in de boom. Een Russisch Disneyland, lezen we, en dan weten wij wel hoe laat het is: vreemde houten huisjes, krakende kermisattracties, een wandelroute met uit hout gesneden beelden, wat hokken met mottige dieren.

Die middag zien we ons laatste klooster. Jacques opent op het achterdek plechtig zijn fles Krug-champagne. Hij heeft zeshonderd dollar geleend voor cadeautjes en drankjes, geen Russin hapte toe. Jacques heeft gisteravond zijn jachtterrein verplaatst. Nu het met de passagiers niet lukt, richt hij zich op het jonge personeel. Vandaag is Jacques verliefd op Jelena uit Nizjni Novgorod. Zij maakt kajuiten schoon en verkoopt aquarellen. Jacques kocht er drie voor tweehonderd dollar – twee maandsalarissen – maar daar staat iets tegenover. Jelena heeft een date toegezegd, Jacques draagt vanavond zijn mooiste grijze glimblouse. Rond twee uur ’s nachts dansen we voor het laatst op het achterdek, glibberig van de omgevallen flessen Sovjetchampagne. Fotograaf Oleg wordt diep in de nacht in zijn kajuit gewekt om Jelena te redden. „Help ons toch”, smeekt zangeres Paula. „De man is een vampier.”

Zondag 17 september

Afscheid van de Sergej Koetsjkin. We laten de ochtendexcursie in Sint Petersburg schieten om Jacques te helpen. Hij heeft een politieverklaring voor zijn gestolen creditcard, maar houdt de ware toedracht liever vaag. En ik wil graag mijn geld terug, dat zijn bedrijf aan Western Union heeft overgemaakt. Aan de politie geeft Jacques 50 dollar smeergeld. Omkopen vereist hier een ritueel van dreigementen en gefronste wenkbrauwen, hulpverzoeken en menselijkheid. De ambtenaar laat zich niet omkopen, hij helpt je omdat hij een hart van goud heeft.

En we drinken nog een kopje koffie met ‘burgerkapitein’ Aleksej Annikov. Dit is het laatste jaar dat Sergej Koetsjkin een Russische cruise organiseert, sombert hij. De boot gaat op de werf om hem op te poetsen tot ‘Europese klasse’. De nauwe kajuiten worden dubbel zo groot en krijgen bankstellen, koelkasten en tv. Aleksej vaart in de toekomst vooral buitenlanders rond, in Rusland slinkt de markt voor riviercruises. Alleen ‘dronkemansschepen’ hebben toekomst: korte reisjes van Moskou naar Oeglitsj en terug. „Drie dagen hossen, zuipen en seks. We vinden op de gekste plaatsen condooms. Daar is de Russische jeugd wel voor te porren.”

    • Coen van Zwol