De puitaal merkt al dat de Waddenzee wat warmer wordt

Puitaal, Zoarces viviparus. illustratie universiteit Göttingen

De opwarming van de zee onder invloed van het broeikaseffect kan de zuurstofvoorziening van vissen en ongewervelde zeedieren in gevaar brengen. De verslechterde mogelijkheid tot zuurstofopname is te meten en kan een goede voorspeller worden voor de reactie van vispopulaties op klimaatverandering. In ieder geval is dat aannemelijk voor de puitaal in de Waddenzee, blijkt uit een studie van Hans Pörtner en Rainer Knust van het Alfred Wegener Institut für Polar- und Meeresforschung in Bremerhaven (Science, 5 januari).

De puitaal (Zoarces viviparus) is een aalachtig vis uit de orde van de baarsachtigen die in de Waddenzee ruwweg het zuidelijkste deel van zijn verspreidingsgebied bereikt. Het bodembewonende diertje leeft van kleine kreeftachtigen en kan ook in brak water leven. Hij is levendbarend en brengt zijn jongen rond januari ter wereld. De meeste puitalen worden hooguit vier jaar oud.

De puitaal ondergaat in Waddenzee en Duitse Bocht een geleidelijke opwarming van zijn milieu. De gemiddelde zeewatertemperatuur rond Helgoland is de laatste veertig jaar met 1,13 °C gestegen. Extreem koude winters met watertemperaturen beneden –1 °C worden steeds zeldzamer. De onderzoekers gebruiken het onderzoek aan de verspreiding van de puitaal als model voor de mogelijke reacties van andere vissen op klimaatverandering. Zij ontdekten dat er een helder verband is tussen warme zomers en de afname van de populatie puitaal een jaar later.

Maar de temperatuurveranderingen zijn maar bescheiden. Dezelfde kleine veranderingen zijn in het laboratorium niet levensbedreigend voor individuele puitalen. De hypothese van de onderzoekers is dat de vitaliteit van de populatie toch ernstig kan worden aangetast door het effect van de temperatuur op de zuurstofvoorziening van de vissen.

Ze gebruiken het relatieve verschil tussen de maximaal haalbare zuurstofopname en het zuurstofverbruik in rust als maat. Uit laboratoriumproeven blijkt dat dit quotiënt (de aerobic scope) al bij een kleine temperatuurverhoging kan gaan afnemen, wellicht doordat de bloedcirculatie tekort gaat schieten. Het afnemend zuurstofgehalte van opwarmend water versterkt dat effect.

Als vissen niet in staat zijn tot een voldoende hoge zuurstofopname, als is het maar korte tijd, dan verminderen hun kansen bij het voedsel zoeken en bij het ontwijken van roofdieren. Daarom is de temperatuur waarboven de zuurstofprestaties gaan afnemen (de auteurs gebruiken de term pejus-temperatuur, van het Latijnse peius dat slechter betekent) een goede voorspeller voor het lot van de populatie, aldus Pörtner en Knust. De metingen in de Waddenzee lijken hun gelijk te geven.

Een begeleidend commentaar is behoedzaam en wijst erop dat nog onbekend is hoe populaties zich aan een veranderend milieu kunnen aanpassen. De puitalen zouden bijvoorbeeld nog kunnen acclimatiseren. Pörtner en Knust hebben vertrouwen in hun benadering en menen dat snel pejus-temperaturen van dominante soorten in mariene ecosystemen moeten worden bepaald om belangrijke veranderingen te kunnen voorspellen. Karel Knip