‘De politie moet je niet landelijk willen organiseren’

Het huidige kabinet wil dat ministers de politie gaan aansturen. ‘De vaders’ van de huidige Politiewet zijn bang dat dan rijksambtenaren de politie gaan besturen. „En wie controleert hen?”

Piet Stoffelen (l) en Frans Jozef van der Heijden zijn de ‘vaders’ van de oude Politiewet. Foto Bas Czerwinski 05-01-2007, LEIDEN. Gesprek tussen Dhr. Stoffelen PvdA en Dhr van der Heijden CDA. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Uiteindelijk is het een „greep naar de macht”, zegt Frans Jozef van der Heijden, voormalig Tweede Kamerlid van het CDA. Bij debatten over de noodzaak van een nationaal gestuurde politie gaat het over de toenemende dreiging van terrorisme en internationale criminaliteit, de gebrekkige samenwerking en inefficiëntie van een in 25 regio’s „verbrokkelde politie”. Maar het zijn „allemaal woorden” in de strijd om wie de baas van de politie mag zijn, zeggen Van der Heijden (68) en zijn oud-collega Piet Stoffelen (67) van de PvdA.

In de stationsrestauratie van Leiden Centraal praten beide mannen over de mislukte poging van het kabinet om vlak voor de verkiezingen nog met een nieuwe wet meer controle over de politie te krijgen. Daarvoor wilde het de oude Politiewet uit 1993 vervangen. Wat er met het onbehandelde wetsvoorstel moet gebeuren, ligt in de handen van de formateurs van het nieuwe kabinet.

Ze zijn de vaders van de oude Politiewet 1993, zeggen de ex-politici. Samen schreven ze „van A tot Z” de tekst voor de regeringsverklaring van het kabinet Lubbers III (gevormd in 1989 uit CDA en PvdA) over de noodzaak van een nieuw politiebestel. In eendrachtige samenwerking loodsten zij de wet in de jaren daarna door het parlement.

Met uw wet kunnen ministers de politie niet sturen, zegt het kabinet.

Stoffelen: „Dat kunnen ze nu wel. Wat ik de bewindslieden kwalijk neem, is dat ze nooit gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid in te grijpen bij ergerlijke fouten van korpsleiders, zoals het nooit invoeren van een gezamenlijke automatisering door de 25 korpsen.”

Maar de ministers kunnen de instrumenten in uw wet niet hanteren.

Van der Heijden: „Ze proberen hun eigen onvermogen te repareren met een nieuwe greep naar de macht. Zij willen aan de hoofdcommissarissen kunnen vertellen wat ze moeten doen, en met welke middelen. Maar de afstand tussen de minister, zijn ambtenaren en de politieagent op straat in Rotterdam of Biddinghuizen maakt iedere goede samenwerking onmogelijk.”

Stoffelen: „Je kan niet zeggen: wij gaan over de opening van een bureau in Wormer, of het vervelende gedrag van een ambtenaar in Spijkenisse. Als de minister zich daarvoor in de Kamer moet verantwoorden, is hij reddeloos verloren.”

Waarom wil de minister dan tóch de baas worden, volgens u?

Van der Heijden: „Een minister zit helemaal op het topje van die grote piramide. Dus wat dreigt, is dat de vijf tot tien ambtenaren net onder de minister het bewind over de politie van Nederland gaan voeren. En wie controleert hen? De minister is vaak loyaler aan zijn ambtenaren dan aan vragen van buiten.”

Voorstanders van centraal gestuurde politie zeggen dat burgemeesters en politiecommissarissen vooral bang zijn hun macht en vrijheid kwijt te raken.

Stoffelen: „En dan moet je zeggen, laat het maar over aan die paar ambtenaren op de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken? Wat een onzin!”

Ingrijpen wegens het nationaal belang, is dat geen legitieme wens?

Stoffelen: „Het is een soort wedstrijd in welsprekendheid. Iemand begint over internationale misdaad, en verwacht dat de ander dan, met stomheid geslagen, eerbiedig zijn knieën buigt. Het is vast uitzonderlijk belangrijk en gevaarlijk, maar het is maar 10 procent van het politiewerk. Zoek dan een 10 procentsoplossing. Misschien moet je het voor de minister makkelijker maken om te sturen. Maar de gedachte dat je nu een hele andere kant op moet, is heilloos.”

Van der Heijden: „Absoluut. „Je moet ook niet doen alsof er dertien jaar niets gebeurd is. De ministers zeggen: jullie kunnen dat niet, laat mij maar even. Maar de korpschefs van de politie zien ook allang dat ze moeten samenwerken, en elkaar moeten steunen.”

De oud-Kamerleden vertellen hoe hun fracties in 1989 tot een akkoord waren gekomen over een nieuwe decentrale politie – om er vervolgens achter te komen dat Ernst Hirsch Ballin, die minister van Justitie zou worden, dat absoluut niet wilde. Hij wilde juist een sterke landelijke politie, net als nu is voorgesteld. Tot vier uur voordat Lubbers zijn regeringsverklaring zou voorlezen, vochten ze het met Hirsch Ballin uit in het ministerskamertje.

Stoffelen: „Het liep zeer hoog op. De sfeer was nét te harden. Maar wij wisten, als je aan de mensen op straat vraagt waar ze criminaliteit ervaren, dan is dat in de wijk. Als je dus een politie wil die toegesneden is op de werkelijkheid, moet je het niet landelijk organiseren.”

In de jarenlange debatten over de wet probeerden de beide Kamerleden met tientallen moties en amendementen op de voorstellen van Hirsch Ballin hun zin te krijgen. Stoffelen: „Wij hebben geamendeerd aan de hand van brede steun van de samenleving.” Hij zwaait met de nieuwe wetstekst: „Deze regering is er in geslaagd een geharnaste wet te maken waar bijna iedereen fel tegen is. Dat is een knap stukje werk.”

Heeft u een beter idee?

Van der Heijden: „Als je nationaal politiebeleid wil, is het veel belangrijker één minister te hebben voor alle politietaken dan dat je één nationale politie krijgt die aangestuurd blijft door twee ministers. Maar daar is bij eerdere kabinetten niets van gekomen. Het CDA was bang dat als zij die minister dan niet zouden krijgen, ze geen greep op het veiligheidsbeleid zouden hebben.”

Welke rol zal de politie bij de lopende formatie spelen?

Stoffelen: „Ik denk dat ze bezig zijn met andere vragen, die zo belangrijk zijn dat ze niet aan de politie toekomen.”

Van der Heijden: „Maar ze komen er niet onderuit een afspraak te maken over het liggende wetsvoorstel. Vergeet niet dat Hirsch Ballin weer in het spel is als minister van Justitie. Onze les is dat je niet kan toestaan dat een minister vanuit een persoonlijke visie zijn gang gaat. Als vluchtpoging zou je in het regeerakkoord zoiets kunnen schrijven als: ‘We zullen ons buigen over het management van de Nederlandse politie en alle aspecten die daarbij een rol spelen.’ Of nog zo’n mooie zin: ‘De regering zal voorshands niet aandringen op spoedige behandeling van de wet.’”

U denkt niet dat die politiewet er komt.

Stoffelen: „Ik ga uit van het gezonde verstand van de samenleving.”

Dit is het tweede deel van een serie interviews over thema's die tijdens de formatie aan de orde komen. Het eerste deel is na te lezen op www.nrc.nl/binnenland.

    • Derk Stokmans