Beledigde beledigers

Beledigen is ook niet meer wat het geweest is, constateert Joost Zwagerman. Vroeger had het nog iets stoers, maar dat is er wel vanaf

NIET BELEDIGEN GRAAG! Beatrix tijdens haar Kersttoespraak 2006

De kersttoespraak van vorstin Beatrix ging gehuld in wolkende woorden over verdraagzaamheid en respect. Eén zin uit de toespraak trok de aandacht, en dat was die waarin Beatrix tussen neus en lippen door meldde dat het recht op beledigen niet bestaat.

Oei. Zeg zoiets niet hardop in het huidige Nederland. Wie aan degenen komt die prat gaan op het – eigen – recht op beledigen, komt kennelijk aan nationaal cultuurgoed. Direct regende het in diverse kranten ingezonden stukken, waarin publicisten en columnisten zich – nou ja, misschien niet beledigd, maar dan toch aangesproken voelden.

Er was een tijd dat columnisten, cabaretiers of schrijvers overwegend laconiek waren over de kansen dat zij sommigen onder hun publiek kwetsten en beledigden. Over de belediging werd niet gedacht in termen van ‘rechten’ en privileges. Wie in een column of op het podium beledigde, wist in de regel aanvankelijk niet dát hij beledigde. De reactie van de beledigden overviel de belediger nogal eens. Een als beledigend opgevatte uitspraak legde in die tijd nog wel eens een pijnpunt bloot in de samenleving. Het waren de oude, vertrouwde tijden.

Tegenwoordig steekt het anders in elkaar. Veel beledigers bedenken iets waarvan ze van tevoren vurig hopen dat het beledigend zal zijn. Daarna slingeren zij de belediging, liefst met veel misbaar, de wereld in. Als anderen dan inderdaad beledigd zijn, voelt de belediger zich niet overvallen, maar: gekrenkt, gekwetst, in zijn vrijheden aangetast, en wat al niet meer. Vervolgens gaat de belediger de beledigde partij een potje opvoeden. Kom kom, kan de beledigde partij niet eens wat relaxter zijn? Het liefste zou de belediger de beledigden willen verordonneren hoe en op welke manier zij beledigd moeten zijn.

Deze reflex van de huidige belediger – eerst beledigen, dan klagen over de beledigden – typeert hem als een neurotische bemoeial die – en dat is nog wel het opmerkelijkste – via een vooropgezette belediging hengelt naar goedkeuring en instemming. Als die instemming uitblijft, is de belediger danig in zijn wiek geschoten en kan hij zich bepaald nuffig opstellen. Een nuffige belediger is vanwege die nuffigheid al meteen een halve beledigde. Reden van die nuffigheid: zijn belediging is niet naar waarde geschat. Dit type belediger wil alles in één keer: het recht te beledigen, maar óók een onvoorwaardelijke waardering omwille van de geuite beledigingen. Dat lijkt me een onmogelijke spagaat. Het tekent dit type belediger dat het de onmogelijkheid van het eisenpakket niet inziet.

Je vraagt je af waarom veel huidige beledigers niet wat zuiniger zijn op de groep van potentieel beledigden. Want wat betekent een belediging nog als er geen beledigden voorhanden zijn of als die beledigden het vertikken beledigd te zijn op de manier die de belediger hen impliciet opdraagt? Eén ding is zeker: wie zonder beledigden zit, kan van het recht op beledigen pardoes geen gebruik meer maken. Beledigers hebben de doelgroep der beledigden nodig zoals een toreador een stier. De toreador kan pas gloriëren met zijn balletpassen met de rode lap als er een dolle stier in aantocht is. Zonder stier maken die passen een malle, loze indruk. Zo verliest ook een grap waar anderen zich eventueel beledigd door zouden kunnen zijn aan kracht en spanning als er in geen velden of wegen een beledigde partij is te vinden. Vaak ook houden de beledigers op een ingewikkelde manier van hun groep van beledigden. In een verre krocht van hun ziel voelen sommige neoconservatieve publicisten zich sterk verbonden met de moslims tegen wie zij ageren en die zij door middel van de belediging en kleinering denken te kunnen emanciperen.

Dwingende vraag: wat wíl de huidige belediger precies? Begrip. Begrip voor het herhaalde beroep dat hij doet op zijn recht op beledigen. Maar juist dat begrip is de doodssteek voor de belediger. Een belediging houdt op een belediging te zijn als er warme dekens van begrip over de belediging neerdalen. De schaker Jan Hein Donner merkte ooit op: „De vreselijkste belediging van de belediging is het begrip.”

Het was nog niet eens zo lang geleden de grootste angst onder de beroepsbeledigers zoals cabaretiers en columnisten: in het valluik van de beledigdheid te vallen. Maar tegenwoordig beschouwen opmerkelijk veel beledigers dit valluik als een erepodium. Ze beklagen zich harder en huileriger dan de beledigden – en vragen zelfs voor dit beklag ons begrip. Verweekter kun je de beledigers niet krijgen, lijkt me.

Er is veel bij gebaat als de beledigden een eindje opschikken, zodat ook deze nieuwe diersoort van beledigers zich kunnen voegen in de gelederen der beledigden. Zelfverklaarde beledigers die begrip vragen en beoogde beledigden zijn dan tot één en dezelfde roedel gaan behoren, een en ondeelbaar in hun verongelijktheid. Met die onvermoede handreiking tussen beschimpte beledigden en beledigde beledigers zou Nederland op één vlak ineens weer een gidsland kunnen zijn. Wij vormen het eerste land ter wereld waar de grievers en spotters met succes zijn overgeheveld naar de grote blurb van gegriefden en bespotten.

Die eenwording van beledigers en beledigden vormt het verlossende eindpunt van een schier onuitputtelijk zelfbeklag. Nooit meer de omhooggestoken middelvingers, nooit meer de schreeuwende cabaretiers met hun gehamer op het aambeeld van kleinburgerlijkheid, nooit meer de polemiserende godloochenaars of de zelfverliefde tv-dominees. Nooit meer de grimmige theedoeken en de humorloze baardmannen. Nooit meer de hysterische neoconservatieven die zeggen de moslims te willen emanciperen, zonder dat ze erbij zeggen dat het een emancipatie is die slechts een teruggang is, en wel naar de jaren vijftig van de vorige eeuw. Nooit meer deze types tegenover elkaar, want er resten ons alleen nog maar kniezende zielen die bitter wenen om het verdwijnen van de wereld die hun daarvoor nog furieus kon maken. Met geknakte nekjes en pruilende mondhoeken zoeken ze steun bij elkaar. Fijn om te weten dat er dankzij die onvermoede eenwording niemand over zal zijn die ons Nederlanders zal uitmaken voor zelfvervettende klagers die liggen te garen in een onnavolgbare fusion-saus van doorgeschoten assertiviteit, ingesleten verongelijktheid en luid beleden slachtofferitis.

    • Joost Zwagerman