Adrenaline giert langs steile klif

Coastering en hoogtevrees gaan niet echt samen. Het is een avontuur in de natuur voor waaghalzen die van steile rotsen naar beneden springen. Klimmen en klauteren vereisen conditie.

Het spannendste onderdeel bij coastering: van de rots springen Foto Preseli Venture DCF 1.0 Preseli Venture

De slagersknecht uit Birmingham – stevig gespierd, kort blond haar, tatoeages op zijn bovenarmen – ritst zijn wetsuit dicht. Ruim vijf minuten heeft hij geworsteld om in het pak van zwart namaak rubber te komen. „Nu weet ik hoe een ontbijtworstje zich voelt wanneer ik het in een darm heb gestopt”, zegt Tony Hoggart. Hij doet zijn wetsocks en sportschoenen aan. Klikt vervolgens het zwemvest vast en zet zijn helm op. De 23-jarige Tony Hoggart is klaar voor coastering; de fysieke activiteit waarbij in zee wordt gezwommen, rotsen worden beklommen en vervolgens weer in de zee wordt gesprongen.

Tony’s vader heeft hem met de auto van Birmingham naar Mathry gebracht, een dorpje op een paar kilometer afstand van de kust van Wales. „Mijn vriendin vindt dat ik zo’n grote mond heb en altijd stoer doe”, legt Tony uit. „Een dagje afkoelen in het water leek haar wel een goed verjaarscadeau”. Om er op fluistertoon aan toe te voegen „en ik heb een beetje hoogtevrees”.

Coastering is een activiteit die wereldwijd wordt beoefend in kustgebieden met steile rotsen. Het wordt gedaan door natuurliefhebbers die zo op plaatsen komen waar ze anders niet zouden komen én door mensen die de (adrenaline)-kick willen beleven van het springen van steile kliffen.

De onderdelen – zwemmen, klimmen en springen – zijn zo oud als de mensheid. Maar de term coastering verschijnt voor het eerst in 1973 in het boek Sea Cliff Climbing van John Cleare en Robbin Collumb. De auteurs voorspellen dat dit kustvermaak erg populair gaat worden. Aan de rotskusten van Nieuw-Zeeland, Australië, West-Europa, Canada en de Verenigde Staten wordt coastering steeds vaker beoefend. Op de klippen van West-Engeland zijn inmiddels zo’n honderd organisaties actief die cursussen aanbieden – vooral de kust van Wales is geschikt en populair.

Bij Preseli Venture in Mathry volgt Tony een cursus van één dag. Na een inleiding van een half uur van de instructeurs Denise Marriott en Fen Richards stappen de elf cursisten in een bestelauto op weg naar Abereiddy, een klein gehucht aan de kust van Wales. Vandaag heeft de ebstand het laagste niveau sinds twintig jaar. Zwarte labradors rennen op het brede zandstrand achter de meeuwen aan. Als babypinguïns rennen de elf cursisten achter Denise en Fen de zee in. Het wetsuit vult zich met koud water. Na een paar minuten neemt het zeewater de temperatuur van het lichaam aan en liggen de dertien coasteerers te dobberen in de zee.

Zwemmen gaat moeilijk in het zwarte ‘michelin-mannetjes-pak’. Door een dikke laag deinend zeewier wordt de eerste rots bereikt. De zeepokken op de rotsen geven grip waardoor het relatief makkelijk is om uit het water te klauteren. Na een kleine wandeling volgt de eerste sprong. „We hebben drie neuzen”, zegt Fen tegen Denise. „Bij coastering is het gevaarlijk om in je neus te knijpen wanneer je in het water springt”, legt Denise uit. Door de klap die je maakt wanneer je in het water terechtkomt, kan je duim in je oogkas schieten. De truc is met je handen de schouderbanden van je zwemvest vast te houden en door je neus uit te ademen wanneer je in het water landt.

Stap voor stap wordt de hoogte van de sprongen vergroot. Het klauteren en klimmen over en langs de rotsen wordt steeds moeilijker. Fen gaat voorop, Denise sluit de rij. Eén voor één worden de smalle richels gepasseerd. Beneden klotst de zee tegen de rotsen en dat geeft het – geruststellende – gevoel dat een val nooit al te pijnlijk kan zijn.

De verplichte pauzes, wanneer de groep zich één voor één om een rotspunt wurmt, zijn een verademing. De rotsen van blauw grijze kalksteen (ook arduinsteen genoemd) markeren de klifkust zover als het oog reikt. Stenen van dit gedeelte van de kust van Wales zijn gebruikt voor de prehistorische constructie Stonehenge in het Engelse graafschap Wiltshire, waarbij stenen – sommigen met een gewicht van 45 ton – in een cirkel zijn geplaatst.

Op het grensvlak van water en steen is de oppervlakte met een bruin/zwart mos bedekt. De lichina pygmaea gedijt, volgens Denise, daar waar het zeewater zuiver en zuurstofrijk is.

De route naar de hoogste rots gaat door een rotstunnel van ongeveer honderd meter. Door de extreem lage ebstand is het niet al te moeilijk door de tunnel te zwemmen, het wateroppervlak ligt bijna een meter onder de rots. In de rotswanden zijn ovale stenen te zien met een lengte van ongeveer twintig centimeter. Het creëert een surrealistische omgeving. „Het lijkt wel een pizzeria”, galmt Sahra Cali, een studente uit Boston die in Oxford een uitwisselingsprogramma volgt.

Met een interval van ongeveer vijf meter worden de spronghoogten vergroot. De volgorde is steeds hetzelfde. Fann springt als eerste, controleert de diepte van het water en kijkt of er geen gevaren – wiermassa’s, uitstulpingen – onder water zijn. Wanneer ze met duim en wijsvinger de o (van oké) heeft gemaakt, mag één voor één worden gesprongen.

Na een (in)spannende klauterpartij wordt de laatste afsprong bereikt. Vier mensen zijn dan al afgehaakt en liggen als zeerobben op hun rug in de zee. De afspringhoogte is inmiddels zo’n vijfentwintig meter boven het waterniveau. De truc is niet te lang naar beneden te kijken – alleen een snelle controle of er niemand onder de afsprong zwemt.

Fann spreekt moed in, Denise is voor de techniek. Niet springen maar stappen. De handen parallel langs het lichaam, of gekruist aan de schouderbanden van het zwemvest. Altijd recht vooruit kijken, niet naar beneden. En proberen als „een potlood” beneden in het water terecht te komen. En dan de stap, niet te lang wachten – want twee kandidaten hebben zich na een minutenlange aarzeling teruggetrokken.

Het hart gaat als een wilde tekeer in de wetsuit, maar de beloning is groots. Sneller dan gedacht (ongeveer drie seconden) sluit het water zich om de springer heen. Dan maakt Tony Hoggart zich klaar voor zijn sprong. „Jane”, gilt hij onderweg naar het water. Proestend, en lachend komt hij boven. „,Leuk cadeau, ik ga het maar niet ruilen.”