Wil hij zó gelezen worden?

Is dit nog Multatuli? vraag je je af bij de nieuwe editie van ‘Woutertje Pieterse’. De rigoureuze bewerking door Ivo de Wijs jaagt de discussie over het ‘hertalen’ van Nederlandse klassieken weer aan.

Standbeeld van Woutertje Pieterse met Femke op de Noordermarkt in Amsterdam Foto Jørgen Krielen Jørgen Krielen/Amsterdam 31-12-2006/Standbeeld van Woutertje Pieterse met Femke op de Noordermarkt. Krielen, Jorgen

Multatuli: Woutertje Pieterse. Bewerkt en bekort door Ivo de Wijs. Hoogland & Van Klaveren, 222 blz. € 24,50 (geb.) en €17,50.

Zo begin je een verhaal: ‘Het precieze jaar weet ik niet […] Mijn moeder klaagde over de prijzen van levensmiddelen en kolen. Het moet dus vóór de uitvinding van de economie geweest zijn.’

Zo maak je een grap van een opmerking die op zichzelf al humoristisch was: ‘Onze dienstbode was getrouwd met een kappersbediende die maar één been had. ,,Dat was goedkoop,” zei ze, ,,want de man had maar één schoen nodig.” Uit die opmerking valt af te leiden dat de economie misschien toch al uitgevonden was.’

En zo maak je een eind aan een perfecte alinea: Hoe ’t ook zij: ’t is lang geleden. In sommige beschaafde landen werden nog mensen aan de galg gehangen en Amsterdam had nog geen trottoirs.’

Uit Woutertje Pieterse van Multatuli kun je blijven citeren. Dit is nog maar het begin. In de volgende alinea beklaagt de verteller zich erover dat je geen fatsoenlijk romantisch verhaal kunt situeren ‘in een plaats die op ,,dam” uitgaat’; en kondigt hij de geschiedenis aan van ‘iemand die in z’n jeugd verliefd werd op een houtzaagmolen en die nog fikse tijd met die kwaal gesukkeld heeft.’ Waarna hij inzoomt op de leesbibliotheek in de Hartenstraat, waar een jongetje binnenstapt met de 14 stuivers die hij heeft overgehouden aan het versjacheren van zijn exemplaar van het Nieuwe Testament. In ruil voor de borg krijgt Wouter – ‘want hij heette Wouter’ – een beduimeld boekje met het ridderverhaal Glorioso. ‘Ik ben er zeker van,’ voegt de verteller daaraan toe, ‘dat de preken van dominee Splitvezel – in hun ongestoorde rust op de bovenste plank – met minachting neerzagen op zoveel trivialiteit. Maar ja, ’t is niet zo moeilijk om zuiver op de graat te blijven als men op de bovenste plank staat en nooit wordt uitgeleend.’

Subtiele ironie, een persoonlijke vertelstem, originele gedachtensprongen – Multatuli was een groot schrijver, zo blijkt eens te meer uit het eerste hoofdstuk van de nieuwe editie van Woutertje Pieterse. Maar is dit eigenlijk wel Multatuli? In de 19de eeuw sprak men niet van economie maar van staathuishoudkunde; een dienstbode heette een meid en een kappersbediende een barbiersknecht. En er is wel meer veranderd. Voordat de oorspronkelijke verteller begint over de volslagen ongeschiktheid van Amsterdam ‘tot toneel van romantische voorvallen’, heeft hij al geestig uitgeweid over de etymologie van de Hartenstraat (‘nooit heb ik in die buurt meer hartelijkheid opgemerkt dan elders en ook hertebeesten waren er niet menigvuldig’) en over de wenselijkheid van het dempen van de hoofdgrachten (‘Wat één mijner vele plannen is’). Maar die passages zijn in Woutertje Pieterse anno 2007 verdwenen, te midden van de 500 woorden waarmee dit hoofdstuk van circa 1400 woorden bekort is.

De opening van de nieuwe Woutertje Pieterse is exemplarisch voor de rigoureuze manier waarop de bewerker – hij heet Ivo de Wijs – zijn taak heeft opgevat. Uit ieder hoofdstuk zijn lange passages verdwenen. Alinea’s zijn bekort, zinnen gesnoeid, woorden herspeld en ouderwetse begrippen gemoderniseerd. Wie de editie 2006 naast die van Dr.G.Stuiveling uit 1950 legt, ziet dat in de eerste plaats de sprookjes en vertellingen waar Wouter zo dol op is het hebben moeten ontgelden. Daarnaast zijn grote delen van Stuivelings Vierde en Vijfde Boek verdwenen, en dus Wouters avonturen op het handelskantoor Ouwetyd en Kopperlith. Om het werk écht af te maken voegde De Wijs zelfs een slothoofdstuk toe waarin hij vertelt hoe het de hoofdpersonen verder vergaat. Immers: Multatuli maakte het verhaal over Wouter niet af en liet zijn inmiddels 17-jarige hoofdpersoon voor eeuwig bungelen tussen Haarlem en Amsterdam – bij Halfweg, wat De Wijs heel symbolisch noemt.

‘Wie vindt dat ik Woutertje Pieterse ,,met rust had moeten laten’’, krijgt het antwoord: ,,Woutertje Pieterse is veel te lang met rust gelaten’’.’ Aldus Ivo de Wijs in het nawoord van zijn Woutertje Pieterse. Multatuli’s fragmentarische verhaal over een romantisch Amsterdams joch dat opgroeit tussen de spitsburgers, werd door hem naar eigen zeggen ‘fors bewerkt en flink bekort’. Tegen het tweede kunnen weinig mensen bezwaar hebben. Omdat Multatuli zijn jongetjesboek ‘verstopt’ heeft in de zeven bundels losse Ideën die hij tussen 1862 en 1877 publiceerde, weet eigenlijk niemand wat er precies in hoort en wat niet. De vier voorgangers van De Wijs, te beginnen bij Multatuli’s weduwe Mimi, kwamen allemaal met een andere verzameling – die van Stuiveling besloeg zelfs bijna tachtig ‘ideën’ en vijfhonderd pagina’s. Er is wat voor te zeggen om de minst ter zake doende uitweidingen eruit te halen en flink te wieden in de laatste twintig ideeën (waarin Multatuli het er volgens De Wijs ‘bij heeft laten zitten’). Vele lezers van het origineel zullen gestrand zijn na een bladzijde of driehonderd, en daar hoeven ze zich niet voor te schamen. Een paar jaar geleden bekende de toenmalige kinderboekenrecensente van deze krant dat ze eindelijk Woutertje Pieterse (naamgever van de belangrijkste prijs voor jeugdliteratuur) had gelezen. Haar conclusie: ‘Wat is het allemaal leuk, scherp, grappig. En langdradig, helaas.’

Bekorten mag dus, graag zelfs. Maar hoe ver mag je gaan in de bewerking? Er is de afgelopen weken fel gereageerd op het nieuwe jasje van Woutertje Pieterse. ‘Woutertje is erin gestikt’, schreef de recensent van de Volkskrant. De Wijs’ modernisering van Multatuli’s ‘levend Hollands’ tast de humor aan en maakt de zinnen ‘saaier en minder ritmisch’, vond Elsbeth Etty. Zijn eigenhandig gefabriceerde slothoofdstuk – met een happy ending voor Woutertje en zijn geliefde Femke – zou een loopje nemen met een literair monument. En eigenlijk, zo reageerde Nelleke Noordervliet op de radio, moet je van dit soort klassieke teksten afblijven.

Misschien. Maar voor degenen die van niets weten, en zonder vooroordelen beginnen te lezen, is deze Woutertje Pieterse een aangename verrassing. De woorden vloeien over de pagina, de humor is op zijn minst zo fris als-ie ooit geweest moet zijn, en het beeld van het ínburgerlijk Amsterdam in de eerste helft van de 19de eeuw is haarscherp en onvergetelijk. ‘Ik trek te velde tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is’, zegt de verteller van Woutertje Pieterse in Idee 403. Het citaat is bij De Wijs gesneuveld, maar het had als motto kunnen dienen bij zijn controversiële bewerking.

In een Opinie & Debat-interview over zijn Woutertje (16.12.06) weigerde De Wijs te spreken van een ‘hertaling’. Waarschijnlijk omdat het woord beladen is; het doet denken aan de verkrachting van kinderboeken als De kameleon en Dik Trom waarin de personages met elkaar praten als moderne jongeren en waarin iedere verwijzing naar de tijd van ontstaan uitgebannen is. Dat neemt niet weg dat er de afgelopen jaren een handvol succesrijke hertalingen is verschenen. Wijlen Willem Wilmink, de oud-docent Neerlandistiek van Ivo de Wijs, herdichtte Beatrijs in 1995 en De burggravin van Vergi (14de eeuw) in 2000. Thomas Rosenboom maakte een natuurlijke en ongedwongen versie van Het Journaal van Bontekoe. En dan was er de nieuwe Bijbelvertaling van vorig jaar waarbij vérgaande modernisering gekoppeld werd aan een zo literair mogelijke weergave van de bronteksten.

Hertalen moet; we zijn het zelfs aan de klassieken uit de Nederlandse letterkunde verplicht. Ten opzichte van de anderstalige hoogtepunten van de wereldliteratuur zitten die toch al in verdomhoekje. Meesterwerken als Great Expectations, Dode zielen, De broers Karamazov en zelfs Oorlog en vrede worden om de veertig, vijftig jaar uitgebracht in een hervertaling, waarin gedateerde woorden het veld moeten ruimen, ouderwetse zinsconstructies worden afgebroken, en recente spellingshervormingen worden doorgevoerd. Het resultaat is een boek dat voor een nieuwe generatie weer als nieuw is. Maar bij Nederlandse klassieken uit de 18de, 19de of zelfs 20ste eeuw moet vaak al een loopgravenoorlog gevoerd worden om iets in de spelling te mogen veranderen. Veel tekstbezorgers en andere gestaalde neerlandici vinden dat je Louis Couperus groot onrecht aandoet door zijn eigenaardige circonflexen en dubbele klinkers aan te passen; zodat het je op een boze brief komt te staan als je Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan zonder ‘ch’ in ‘mensen’ en zonder puntjes achter ‘voorbijgaan’ schrijft. De historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken, een van de aantrekkelijkste verhalen uit de 18de eeuw (een kwaliteitssoap avant la lettre), is al decennialang een onleesbaar boek voor de gemiddelde scholier, omdat het in de oude spelling uitgebracht en niet hertaald wordt.

Het zou goed zijn om die boeken uit het Nederlandse verleden ook van tijd tot tijd met nieuwe ogen te bekijken, net zoals de gemiddelde vertaler Engels of Frans dat doet met Treasure Island en Sans famille. Een complete ‘vertaling’ is niet altijd nodig, maar een verantwoorde herziening kan wonderen doen. En soms zul je hard moeten ingrijpen. Neem De roos van Dekama van Jacob van Lennep. Vier jaar geleden verscheen die roman uit 1836 in de Delta-reeks van het Constantijn Huygens-instituut – een ‘leeseditie’ waarvan de openingshoofdstukken door Atte Jongstra in Boeken werden gekenschetst als ‘de top van onze 19de-eeuwse literatuur en de laatste tweehonderd bladzijden als ‘ronduit langdradig’ met ‘gekunstelde dialogen’. De liefhebber van historische romans (maar ook Van Lennep!) was beter af geweest met een drastisch verkorte editie.

Betekent dit dat Ivo de Wijs iets groots heeft verricht? Dat zijn editie – ‘bloemlezing’ schrijft hij voorzichtig in zijn nawoord – van Woutertje Pieterse een voorbeeld is voor toekomstige hertalers? Nee, daarvoor heeft hij de hogedrukspuit te fluks gehanteerd. Met zijn selectie uit de Ideën (een kwart minder dan Stuiveling koos) kun je het eens zijn. Maar wie de versie van De Wijs nauwkeurig bekijkt, en vergelijkt met de originele ideeën, ziet dat hij binnen de alinea’s onnodig veel heeft weggesneden – ook dingen die nog steeds leuk zijn om te lezen. Bovendien heeft hij de hebbelijkheid om Multatuli stilistisch te willen verbeteren, wat op z’n minst aanmatigend is. De slotzin van Idee 1146, waarin wordt beschreven hoe Wouter dankzij een rondvliegend stuk vuurwerk wordt gered van ontmaagding door een opdringerig vrouwspersoon, is geen wonder van helderheid. Maar wat De Wijs ervan maakt (‘De zevenklapper ging uit als ’n zevenklapper. En dit hoofdstuk als ’n nachtkaars’) is uit de duim gezogen en behoorlijk flauw.

Woutertje Pieterse eindigt in Halfweg, de discussie over hertalen ergens op de gulden middenweg. Ivo de Wijs heeft misschien het kind met het badwater weggegooid bij zijn loffelijke streven om Multatuli (‘Ik wil gelezen worden’) aan een groter publiek te helpen. Maar met een serieuze sparring partner als tegenwicht zou hij de Nederlandse literatuur in de toekomst nog grote diensten kunnen bewijzen. ,,Als men mij zou vragen om eens naar Sara Burgerhart te kijken of naar Hildebrands Camera obscura, dan zou ik dat graag doen,” zei hij in het interview in Opinie & debat. Sommige beroepslezers zullen – net als de preken van dominee Splitvezel in het eerste hoofdstuk van Woutertje Pieterse – zich schamen ‘hun onbezoedeld gewaad in aanraking te brengen met zoveel vuiligheid.’ Maar zoals Multatuli schreef: ‘’t is niet moeilijk rein te blijven als men op de bovenste plank staat, en nooit wordt uitgevraagd.’

Wilt u reageren? Schrijf naar boeken@nrc.nl

    • Pieter Steinz