‘We zijn bereid ons te verdedigen’

Tijdens zijn bezoek aan Kosovo ziet Arnon Grunberg steeds duidelijker hoe groot de haat tussen Serviërs en Albanezen is. Zijn plannen om in het land te investeren laat hij varen.

Zjelko Tvrdisic foto Arnon Grunberg voor Grunberg onder de mensen Kosovo Grunberg, Arnon

Afstand bewaren is een kunst. Het is de kunst die ik meen het beste te beheersen. Nu doet zich het merkwaardige feit voor dat ik voornamelijk in die mensen geïnteresseerd ben die op cruciale momenten geen afstand wisten te bewaren. Verbazingwekkend is dat niet. Distantie hangt aan het geloof dat het niet de moeite is een mededeling te doen die verder gaat dan het praktische of sociaal wenselijke. Voor het schrijven geen bevorderlijk geloof.

Zo besloot ik onder mensen te gaan die geen last hadden van afstand, maar die er ook geen vruchten van konden plukken: het ijzeren gordijn van de relativering.

Het tegenovergestelde van distantie bleek vervolgens een zekere opofferingsgezindheid.

En de tweede conclusie is dat je wel onder mensen kunt gaan die van afstand geen last hebben, maar dat dat de eigen afstand niet minder lastig maakt.

De relatie tussen mug en mens is een kwestie van geven en nemen. De een geeft, terwijl de ander vrijwel uitsluitend neemt.

Dat was wat Kosovo met me deed. Ik was hier nu een kleine week en ik voelde me een mug. Troost was een hand die de mug zou verpletteren.

Het plan om in dit land te investeren had ik laten varen, nadat Thor D. Hesla, een Amerikaan die een paar jaar in Kosovo had gezeten om het land op te bouwen, had gezegd: „Als je in Montenegro rondloopt denk je, daar moet ik investeren. Als je in Kosovo rondloopt denk je, hoe kom ik hier weg.”

Om daaraan toe te voegen: „Er is hier een cultuur waarbij het geaccepteerd is om elektriciteit te stelen. Maar ja, op het land is schrijnende armoede.”

De gemeenschap als gevangene van cultuur. De wereld verklaard voor fatalisten.

Voor hij me uitliet, zei Thor D. Hesla nog: „Het gevecht tegen corruptie moet door de vrije markt worden gewonnen.”

Montenegro, daar zou ik dus gaan investeren.

Maar eerst is nog de kolonel jarig, die mij hier heeft rondgeleid .

Hij nodigt me bij hem thuis uit voor het avondeten.

Het regent die avond.

De flat waar hij woont heeft het DDR-gevoel dat in bepaalde kringen voor nostalgie zorgt.

Bij deur doe ik mijn schoenen uit. Ik wil ze voor de deur zetten, maar de kolonel zet ze binnen. Hij vreest dat mijn schoenen er anders straks niet meer zullen zijn.

Eerst eten de mannen in de keuken, daarna trekken de mannen zich terug in de salon en eten de vrouwen. Zowel in de salon als in de keuken bevinden zich twee grote tv’s met plat scherm. Verder is er nauwelijks sprake van meubilair.

Gëzim, vriend van de kolonel, zegt die avond: „Ga naar Mitrovica, dan zie je de twee Kosovo’s.”

Mitrovica in het noorden van Kosovo is het nieuwe Berlijn. Het zuidelijk gedeelte van de stad is Albanees, het noordelijk gedeelte Servisch. De kolonel kan me niet begeleiden naar het Servische gedeelte. Dat is gevaarlijk voor hem.

„En ga naar Camp Bondsteel, de Amerikaanse basis”, zegt Gezim. „Albright zei: ‘De Turken waren hier vijfhonderd jaar. Wij zullen twee jaar langer blijven.’ ”

Via Thor D. Hesla vind ik een Servische tolk die bereid is met mij naar Mitrovica te rijden voor een vriendenprijs. Een chauffeur is bij de prijs inbegrepen. Milena Ristic is de naam van mijn begeleidster.

Als Milena mij komt afhalen blijkt de chauffeur Milena’s man te zijn en Milena zelf zeven maanden zwanger.

Milena vertelt dat ze binnenkort naar Belgrado zal verhuizen. Ze zegt dat er geen toekomst is voor Serviërs in Kosovo.

„Waarom niet?” informeer ik.

„Het geweld van de Albanezen tegen de Serviërs begon in de Tweede Wereldoorlog. De Albanezen waren fout in de oorlog.”

Weer de oorlog.

Telkens in het gesprek valt de datum van de 17de maart 2004. Op die dag vielen Albanezen Servische eigendommen en heiligdommen in Kosovo aan. Of het geweld georganiseerd was of niet, daarover lopen de meningen uiteen.

„Kosovo is ons heilige land”, zegt Milena.

Het is niet de eerste keer

in Kosovo dat de gedachte aan dat andere heilige land bij me opkomt.

Voor we Mitrovica binnenrijden haalt de man van Milena de nummerborden van de auto. In het noorden van de stad zijn auto’s met een Kosovo-nummerbord ongewenst.

„Er zijn twee manieren om Mitrovica binnen te rijden”, zegt Milena. „Maar de Serviërs nemen nooit de brug.”

De brug, dat is de beroemde brug waar op 17 maart 2004 de rellen begonnen. Franse troepen bewaken de brug om de volksdelen gescheiden te houden.

„De Servische overheid heeft de Serviërs in Kosovo nooit goed beschermd”, zegt Milena. „Milosevic was een spion.”

Voor wie Milosevic precies heeft gespioneerd, het zal een raadsel blijven.

Overal in Kosovo is de euro de officiële munt. In het noorden van Mitrovica betaalt men met de Joegoslavische dinar.

Ik heb een afspraak met Zjelko Tvrdisic, hoofdredacteur van een onafhankelijk Servisch radiostation in Kosovo genaamd Kontakt Plus. Voor westerse begrippen een curieuze naam voor een radiostation.

Het radiostation bevindt zich in het politiegebouw.

Zjelko laat ons een half uur wachten. Niet om onbeleefd te zijn. Hij was het nieuws aan het voorlezen.

Er is cola.

Zjelko zegt: „Aan de rellen van de 17de maart 2004 deden vijftienduizend Albanezen mee. Daarvan hebben vierhonderd een rechtszaak gekregen en van die vierhonderd zijn tweehonderd en twintig schuldig bevonden. Dit zijn officiële cijfers. Wist je dat vijftig procent van de buitenlanders in Europese gevangenissen Albanezen zijn?”

Ik schud mijn hoofd.

„En ze hadden wapens op die 17de maart. Dus dat het Kosovo Liberation Army ontwapend is, is een mythe.”

„En jullie?” vraag ik, „hebben jullie wapens?”

Zjelko zwijgt.

Als een suikeroompje zeg ik: „Je mag het off the record aan me vertellen.”

Zjelko barst in een hard gelach uit.

„Eens een soldaat altijd een soldaat”, zegt hij uiteindelijk.

„En als Kosovo onafhankelijk wordt?” vraag ik.

„Dat moet je aan de Albanezen vragen.”

„Maar wat doen de Serviërs?”

Na een lange stilte zegt Zjelko: „We zijn bereid ons te verdedigen. Ik herhaal: verdedigen.”

Met Milena rijd ik nog naar de beroemde brug.

In café Dolce Vita aan de Servische kant kijken potige mannen af en toe naar de rivier en de overkant. Een Franse officier met een snor drinkt koffie op het terras.

In Kosovo heb ik niets meer te zoeken. Montenegro roept. Ik moet alleen nog naar Camp Bondsteel omdat ik wil weten waarom de Amerikanen ruim vijfhonderd jaar in dit land willen blijven waar geen investeerder het langer dan een week uithoudt.

(wordt vervolgd)