Verrijzenis van een vlinder

Volgens geleerden in de 17de eeuw was God de auteur van twee boeken: de bijbel en het ‘boek van de natuur’. Maar welke van beide verdiende de voorrang? Over ei-aanhangers, zaad-verdedigers en andere controversen.

Eric Jorink: Het Boeck der Natuere. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods Schepping 1575–1715. Primavera Pers, 510 blz. € 34,50

Matthew Cobb: De ei- en spermarace. Hoe zeventiende-eeuwse geleerden de geheimen van seks, leven en groei ontraadselden. Vertaald uit het Engels door Meile Snijders. De Bezige Bij, 376 blz. € 23,50

Jozien J. Driessen-van het Reve: De Kunstkamera van Peter de Grote. De Hollandse inbreng, gereconstrueerd uit de brieven van Albert Seba en Johann Daniel Schumacher uit de jaren 1711–1752. Verloren, 350 blz. € 29,–

Kijken gaat vanzelf, maar iets zien, dat doe je niet zomaar. Om iets daadwerkelijk op te merken, kun je niet zonder ideeën, gezichtspunten, een denkkader, een overtuiging. In 1614 spoelde aan de kust van de Baltische Zee een zeemonster aan. Dominee Baudartius, die het wonderlijke beest beschreef, stond er voor in dat het olifantstanden in de bek had, hellebaarden op de rug, en op zijn zij de woorden ’Wee menschen’. De hele natuur zat vol tekenen en voortekenen. Als toentertijd aan het firmament een komeet verscheen, was voor de ontstelde toeschouwer de vraag niet zozeer óf er aan zo’n spectaculaire staartster een diepere betekenis te hechten viel, maar wélke: hongersnood, pestilentie, oorlog, of zelfs een hele potpourri van ellende. Een eeuw later, omstreeks 1700, zien de meeste geleerden kometen niet langer als dreigende voortekenen van wat dan ook, maar als manifestaties van de onveranderlijke wetten die God in de natuur heeft gelegd. Er leefde nog wel twijfel over het al dan niet bestaan van de eenhoorn, maar dat de hoorns die met enige regelmaat aan de kust werden aangetroffen in werkelijkheid tanden waren van de narwal, daar was een flink deel van Europa’s intellectuele elite intussen wel van doordrongen geraakt.

De tegenstelling is niet absoluut. Ook vóór 1600 waren er wel nuchtere geleerden die weinig zagen in wat wij vandaag de dag beschouwen als fabels of als geheel uit de lucht gegrepen vormen van betekenisgeving. En ook na 1700 bleef er ruimte voor wat wij nu zonder aarzeling als bijgeloof afdoen. Toch is in de loop van de 17de eeuw de zienswijze onmiskenbaar veranderd. In alle drie hier te bespreken boeken werken de schrijvers die verandering op geheel eigen, steeds verrassende wijze uit.

Het is gangbaar deze forse verschuiving in zienswijze in de loop van de 17de eeuw op het conto te schrijven van de toenmalige opkomst van de moderne natuurwetenschap. Ontdekking van de wetten van de natuur brengt in die visie de ‘onttovering van de wereld’ met zich mee. Ook voor Nederland in de Gouden Eeuw is dit het gebruikelijke interpretatiekader.

In zijn uitermate leesbare Het Boeck der Natuere, waar je de herkomst als proefschrift nauwelijks meer aan afziet, wijst Eric Jorink op een heel andere, verrassende samenhang. Het waren niet alleen voorlopers van de huidige bèta’s die zich met de natuur bezig hielden: ‘Er blijkt hier te lande een zeer bloeiende cultuur bestaan te hebben van botaniserende humanisten, sterrenkundig geschoolde predikanten, tuinierende dichters en verzamelende regenten.’ Deze geleerden legden de natuur niet op de snijtafel, maar bezagen haar als een fijn gesponnen web van verborgen betekenissen en als bron van onophoudelijke verwondering.

Zo diende de schijnbaar plotselinge metamorfose van rups tot vlinder als symbool voor de wederopstanding van Christus. Ook andere betekenissen lieten zich ontraadselen vanuit grondige kennis van het christelijk erfgoed. Bij dit alles, zo betoogt Jorink, is het achterliggend gezichtspunt dat van ‘het boek der natuur’. Al sinds Augustinus circuleerde in Europa het idee dat God zich op twee manieren heeft gemanifesteerd: in de geopenbaarde waarheid van de bijbel, en in de natuurlijke werkelijkheid. Niet alleen de lectuur van de bijbel, maar ook het lezen van het boek der natuur leidt tot godskennis.

In de geleerde discussies die de hele eeuw door in de Noordelijke Nederlanden werden gevoerd, valt de uitdrukking ‘het boek der natuur’ om de haverklap. Meteen in het begin maakt Jorink de ons zo vreemd geworden betekenisgevingen fraai duidelijk aan de hand van Constantijn Huygens’ buitenplaats Hofwijck. Nu een door de A12 en station Voorburg afgesneden stukje historisch erfgoed, toen de zinnebeeldige uitdrukking van de Hof van Eden, en van de mens als afspiegeling van het universum in klein formaat. Op de achtergrond stond bij Huygens en tal van andere humanisten de vrome verwondering. Wie het boek der natuur leest, wordt daardoor gebracht tot verwondering over, en bewondering voor, de manier waarop God in zijn almacht zijn schepping heeft ingericht.

Jorink laat ook zien hoe nauw de bijbel-exegese vervlochten was met gedachtegoed uit de klassieke oudheid. Dan volgt een uitvoerige verhandeling over de exegetische problemen die aan het idee van Gods dubbele openbaring vastzaten. Uniek in Europa, zo stelt Jorink, is het opnemen ervan in de gereformeerde geloofsbelijdenis. Daarbij is meteen vastgelegd welke van beide boeken het primaat heeft: voor een juist inzicht in de aard van de schepping moeten we terecht bij de bijbel. Een eeuw later al ligt het feitelijk omgekeerd, en zijn vooruitstrevende denkers druk doende de bijbel te toetsen aan de natuur, of althans aan hun ideeën over hoe de natuurverschijnselen in elkaar steken.

Het aantal woordrijke folianten dat Jorink heeft doorgenomen loopt in de honderden. Hij gebruikt ze om de uiteenlopende manieren in kaart te brengen waarop Nederlandse theologen en classici tegen de natuur en haar verborgen betekenissen aankeken. Maar hij beoogt meer. In het vervolg van zijn zelf ook nogal woordrijke boek demonstreert hij hoe dit alles in concreto verliep aan de hand van vier in detail uitgewerkte voorbeelden. Nauwkeurig en bij vlagen meeslepend laat hij zien hoe kometen werden geduid, hoe tegen insecten werd aangekeken, hoe rariteiten werden verzameld en hoe ze in ‘wonderboeken’ werden beschreven en afgebeeld. Elk van deze voorbeelden dient telkens als illustratie van zijn hoofdstelling: de vanzelfsprekende verwevenheid van woorden en dingen wordt in de loop van de eeuw onklaar gemaakt. Geesteswetenschappers hebben daar stevig de hand in gehad.

Onderworpen aan hun tekstkritiek verschrompelen de wonderverhalen uit de klassieken en de bijbel; het web van betekenistoekenningen gaat rafelen. Met het wegvallen van de manifestaties van God in hele reeksen bovennatuurlijke verschijnselen, komt de weg vrij voor verwondering over een God die de natuur zo heeft ingericht dat alles prachtig in elkaar past. Tot Darwin toe zal deze zogeheten ‘fysico-theologie’ het voornaamste bewijs voor Gods bestaan blijven leveren.

Op de meeste plaatsen in zijn boek poneert Jorink de tekstgeleerde bestudering van het boek der natuur als een aanvulling op het gangbare idee van de onttovering van de wereld. Maar tegelijk bestrijdt hij met nadruk het verklarend vermogen van dat begrip ‘onttovering’. Daarbij ziet hij teveel over het hoofd dat Max Weber, die het begrip zo’n honderd jaar terug smeedde, het rechtstreeks ontleende aan De betoverde wereld, het fameuze boek van de hand van één van Jorinks hoofdfiguren, ds. Balthasar Bekker. Weber had wel degelijk oog voor precies het soort historische verbanden waar Jorink op gespitst is geraakt. Weber haalde graag de kernachtige zinsnede aan van Jan Swammerdam dat ook Jorink citeert, en die als kenmerkend kan gelden voor de 17de eeuwse natuurvisie: ‘Ik presenteer U Edele alhier den almaghtigen vinger gods, in de anatomie van een luijs.’ Swammerdams ontleding van luizen, eendagsvliegen, rupsen en andere insecten toonde onder veel meer aan, dat de vlinder al kant en klaar in de rups gereed ligt, en dus onmogelijk kan dienen als metafoor voor de Wederopstanding. Gods almacht schuilt in zijn natuurlijke orde, niet in wat voor specifieke symboliek dan ook. De bladzijden die Jorink aan deze geniale insectenontleder wijdt, horen tot de indringendste en meest vernieuwende van zijn boek.

Een heel andere, maar niet minder geldige kant van Swammerdams denken en werken komen we tegen in een boek van Matthew Cobb onder de fraaie titel De ei- en spermarace. Hier gaat het niet zozeer om wat je ziet in de natuur wanneer je die als een door God geschreven tekst opvat, maar wat je ziet in de natuur wanneer je die met het ontleedmes en de microscoop te lijf gaat. Swammerdam past in beide vertogen. Verder bevolken andere hoofdpersonen Cobbs boek dan dat van Jorink. Cobb schreef een meer klassieke wetenschapshistorische verhandeling. Het onderwerp is de vroeg-wetenschappelijke wedloop om inzicht in de kwestie: mensen en dieren krijgen kindertjes, maar hoe gaat dat eigenlijk in zijn werk?

Cobb is tot in detail thuis in de huidige stand van het onderzoek over de voorplanting, zonder dat zijn historisch besef daardoor wordt aangetast. Zijn hoofdthema is een grensverleggende reeks ontdekkingen, gedaan tussen 1665 en 1680 door een drietal mannen die vrijwel tegelijk in Leiden hadden gestudeerd, Niels Stensen (Steno), Jan Swammerdam en Reinier de Graaf, plus de autodidact Antonie van Leeuwenhoek. Opgewekt en met grondige kennis van het bronnenmateriaal, beschrijft Cobb hun vriendschappelijke samenwerking zogoed als hun met kracht uitgevochten rivaliteit.

Hoogtepunt van dit spannende boek is waar Cobb uitlegt welke beperkingen er zoal waren gesteld aan de toenmalige interpretatie van hun natuurwetenschappelijke doorbraken. Het experimenteel bewijs dat insecten niet uit het niets komen, de ontdekking van het zoogdier-eitje en de zaadcel losten eeuwenoude raadsels op, om die onmiddellijk door nieuwe te vervangen. De vraag wat in de voortplanting de doorslag geeft, ei of zaad, zou tot diep in de 19de eeuw de geleerde wereld verdeeld blijven houden. Ei-aanhangers en zaad-verdedigers bestreden elkaar met klem van argumenten, terwijl de hedendaagse lezer zich verbaasd afvraagt waarom er zo nodig een keuze moest worden gemaakt: de afstammeling dankt zijn erfgoed toch in gelijke mate aan beide? Het punt is, en Cobb laat dat knap zien, dat het idee van erfelijkheid in die tijd helemaal niet voor de hand lag. Zo hebben sommige kinderen veel meer weg van een grootouder dan van de ouders zelf. Theorievorming over erfelijkheid op heel andere gronden was een vereiste om de strijd tussen de partijgangers van ei en zaad te beslechten in het voordeel van beide.

De eerste zin van Cobbs boek luidt: ‘Waarschijnlijk wilt u er liever niet over nadenken, maar als u niet als reageerbuisbaby werd verwekt, dan bedreven uw ouders ongeveer negen maanden voor uw geboorte de liefde met elkaar.’ Dit pittige begin blijft de stijl en vaart van Cobbs boek kenmerken, en in de adequate Nederlandse vertaling zijn pit en vaart over het algemeen goed behouden gebleven. Het is een even verantwoord als spannend relaas geworden over een onderwerp waarvan (sinds de ontmaskering van de mythe van de spontane generatie) letterlijk geen sterveling kan volhouden dat die hem persoonlijk niet aangaat.

Jorink wijdt in zijn boek een paragraaf aan een Amsterdamse 17de eeuwse verzamelaar van objecten uit de natuur, de apotheker Albert Seba. Deze man komen we als hoofdfiguur tegen in het proefschrift De Kunstkamera van Peter de Grote van Jozien Driessen-van het Reve. Zij is één van die gelukkigen die, half door vlijtig zoeken en half door toeval, een samenhangende voorraad nog onbekende documenten in handen is gevallen. Het betreft hier een hele reeks brieven gewisseld tussen deze Seba en twee hooggeplaatste ondergeschikten van tsaar Peter de Grote, die belast waren met de aankoop van bij zijn verzameldrift passende collecties.

De correspondentie stelt haar in staat het beeld te corrigeren als zou Peter de Grote lukraak op rariteitenjacht zijn geweest. Net als bij Jorink wordt hier duidelijk hoezeer bij Seba en zijn tijdgenoten het verzamelen van rariteiten ondergeschikt raakte aan stelselmatige pogingen de hele wereld in vitrinekasten exemplarisch te omvatten. De Tsaar aller Russen blijkt nu naadloos bij die nieuwe aanpak aan te sluiten. Ook blijken de door hem aangekochte collecties, van Seba en van de geleerde Amsterdamse arts Frederik Ruysch, de doorslag te hebben gegeven bij de oprichting van de Russische Academie van Wetenschappen. De presentatie van het materiaal is wat schools en onhandig, maar maakt de conclusies niet minder de moeite waard.

De 17de eeuwse natuurbeschrijving kon natuurlijk niet zonder illustratie in houtsnede, kopergravure of aquarel. Alle drie hier besproken boeken zitten vol fraaie reproducties. Zelfs wie de geleerde betogen zou laten rusten om zich alleen op de plaatjes te concentreren, kan uren plezier beleven aan het bekijken van de veranderingen die het zien in de 17de eeuw onderging.

    • Floris Cohen