Tjalings dagboek

Wat vooraf ging: Katja en Tjalling zwerven zoekend rond, door een ondergrondse wereld, die bestaat uit meerdere kamers. Ze weten inmiddels niet meer waar ze nou zijn.

Ik had gedroomd, iets over mijn heit en mem. En nu werd ik wakker en het leek alsof ik nog droomde. Katja lag naast me, op zand. En om ons heen stonden tientallen hardgele eenden.

„Katja!” zei ik.

„Het was in een achtbaan”, mompelde ze.

Ik porde haar wakker. Wrijvend in haar ogen kwam ze overeind.

„Rubber duckies”, zei ze slaperig. „Voor in bad.”

„Dat is correct”, zei de grootste eend. „Wij worden wel eens Duckies genoemd en wij zijn voor in bad!”

Het verbaasde me niet. Ik bedoel, we hadden intussen al in zoveel rare situaties gezeten.

„Waar zijn we hier?” vroeg ik.

„Dit is het rijk van Badman”, zei de grootste eend. „Badman, de schepper van het bad! Halleluja!”

„Halleluja!” herhaalden de andere eenden.

„We komen net uit een soort van bad, geloof ik”, zei ik. „Hoe ziet die Badman eruit?”

„Badman is de onzinkbare”, zei de eend. „De Grote Kwaak. Soms is hij een reusachtig oog dat langskomt, maar altijd in een wolk. Een wolk maakt regen en regen is goed. Regen maakt baden!”

„Ja, ja, prachtig!” zei Katja. „Maar hebben jullie wel eens gehoord van Sebastiaan? Dat is mijn verdwenen vriend.”

„Luister”, zei de eend. „Wij hebben belangrijker dingen te doen dan het zoeken naar verdwenen vrienden. Wij zijn bezig met een heilige oorlog. En we hebben bondgenoten nodig. Dappere bondgenoten, die een goeie klap kunnen uitdelen. Bondgenoten met van die lange zwempoten en van die harde vleugels, zoals jullie die hebben. Nou stel ik dit voor: jullie helpen ons met vechten. En als we gewonnen hebben, dan helpen we jullie met zoeken.”

„Vechten?” vroeg ik. „Met wie?”

„Met de levensgevaarlijke zwabbers”, zei de eend ernstig.

„Zwabbers?!” riep Katja.

„Zwabbers”, zei de eend. „Eerst hebben we oorlog gevoerd met de zeepmeerminnen. Daarna kwamen de spons-Bobjes. Toen de shampopo’s. Dat waren stuk voor stuk keiharde veldslagen, mevrouw! Allemaal ter meerdere eer en glorie van Badman. Allemaal voor een vredig bad! En nu zijn er de zwabbers. Lach er maar niet om. Ze bijten je doormidden als het zo uitkomt. En ze spuwen gif.”

„Zwabbers!” zei Katja.

„Waarom vechten jullie daartegen?” vroeg ik.

„Ze strooien haren in het water!” zei de eend.

Alle eenden begonnen nu verontwaardigd te snateren en te kwekken.

„En wat hebben jullie voor wapens?” vroeg ik.

„Wij”, zei de eend somber, „wij zijn erg taai.”

Gelukkig was Katja eindelijk opgehouden met die lachstuipen.

„Kom op!” zei ze. „Wij ruimen die zwabbers wel even uit de weg!”

„Dus jullie doen mee?” vroeg de eend.

„Mij best”, zei Katja.

„Alle eenden begonnen weer te snateren, maar dit keer klonken ze tamelijk opgewekt.

„Ik wist het!” zei de eend. „Toen jullie zeiden dat jullie uit een bad kwamen, toen wíst ik dat jullie gezonden waren om ons te helpen! Ik benoem jullie tot kolonel! En ik ben trouwens generaal Daffie MacDonald.”

(Wordt vervolgd)

    • Judith Eiselin
    • Daan Remmerts de Vries