Schandaal

‘Openbaringen’ is ....

Jarenlang werd er in de kunstwereld gesmeekt om betrokkenheid bij de wereld. Tijdens ontelbare discussieavonden en debatsessies werd er smachtend opgeroepen tot nieuw engagement, bij iedere onverwachte verschrikking werd er in manifesten vastgesteld dat de kunst dit keer niet aan de kant mocht blijven staan – en al die tijd koesterde ik de verdenking dat het helemaal niet om de wereld ging, maar dat de kunst wanhopig op zoek was naar een manier om zichzelf te legitimeren. Steeds weer hoorde je dat het engagement in de kunst terug moest komen. Het gaf eigenlijk niet waarmee, Sarajevo, aids, zeehonden, als de kunst maar weer betrokken was. En iedere keer leek het er verdacht veel op dat het de kunst was die Sarajevo, aids en zeehonden nodig had om zichzelf weer betekenis te geven.

Er was crisis in de kunst. Er waren weliswaar miskende kunstenaars die riepen dat er helemaal geen crisis was, het lag allemaal aan die museumdirecteuren met hun modieuze monturen en dunne ideetjes, aan die geïnflateerde kunstmarkt met zijn hypes en woekerprijzen – ondertussen werden er nog steeds erg mooie dingen gemaakt, kijk zelf maar. Dus crisis, welke crisis? Maar het ging helemaal niet om erg mooie dingen, het ging erom dat de kunst maatschappelijk aan belang had ingeboet, dat het niet langer duidelijk was wat de verhouding tussen de kunst en de wereld zou kunnen zijn. Kunsthatende populisten kregen ruim baan, wanneer ze kunst voor elitair, onnodig complex en nutteloos uitmaakten – vanuit de kunstwereld klonk alleen onverstaanbaar gemonkel.

Heel lang had de kunst grote aanspraken kunnen laten gelden, ze beloofde radicale omwentelingen en blijvende transformaties. Eerst, in de negentiende eeuw, nam ze bevlogen de rol van de godsdienst over; kunst zou de mensheid, die hopeloos was afgestompt in een door-en-door materialistische wereld, een permanente transcendente verlossing brengen. Iemand die een opera van Wagner onderging, liep als een ander mens het operahuis uit. Vincent van Gogh wilde de grauwe werkelijkheid laten oplichten in zijn schilderijen. Rimbaud bevrijdde de taal door radicale ontregeling.

Later, in de twintigste eeuw, eiste de kunst brutaal de rol van de politiek op. Kunst zou waarlijk revolutionair kunnen zijn. Ze zou eigenhandig de Nieuwe Mens scheppen, in een wereld zonder onrecht en ongelijkheid. De wereld smeekte om een kunst die zou verheffen en bevrijden.

Toen die droom in bloed was gesmoord, trok de kunst parmantig haar handen van de wereld af – en ze veroordeelde zichzelf blijmoedig tot het domein van de schoonheid en speelsheid, een domein dat in werkelijkheid vaak genoeg verdacht veel op een pretpark leek. Want de grenzen tussen kunst en vermaak vervaagden; als kunst alleen nog wilde vermaken, waarom mocht vermaak dan geen kunst heten? De vorige week overleden kunstpaus Frans Haks was de belichaming van het blijmoedige cynisme dat in de jaren tachtig en negentig voor zoveel kirrende opwinding zorgde: aangezien de kunst niet langer hoogmoedig kon beweren dat ze de wereld veranderde, mocht de wereld nu de kunst veranderen.

De aanspraken van de avant-garde werden ongeldig verklaard, als reclame mooi was mocht het ook kunst heten, en uitzonderlijke kitsch eveneens, het betekende toch allemaal niets. En aangezien de kunstkritiek zich in een steeds kleinere kring bewoog en geen enkel contact meer leek te hebben met de massa, werd het wellicht tijd om andere criteria voor geslaagde kunst aan te leggen – zoals de wetten van markt. In de literatuur kwam een paar jaar later dezelfde discussie op gang: als Willem Brakman na jarenlange jubelzangen van de Nederlandse literaire critici maar niet populair wilde worden, werd het misschien tijd om nog eens goed naar Heleen van Royen te kijken.

Dat werd de nieuwe legitimering van de kunst in de wereld: populariteit. Tentoonstellingen en voorstellingen worden beoordeeld op bezoekersaantallen, literatuur op oplagecijfers. Wanneer er tegenwoordig voor de kunst gepleit moet worden, gaat het al gauw over economie. Het belang van kunst kan het best tegenover kunsthatende politici verdedigd worden door aan te tonen hoeveel mensen er wel degelijk van genieten – en wat het oplevert. En kijk: de kunst bloeit. Er worden boeken gelezen, musea en concerten bezocht. Iedere gemeente afzonderlijk struikelt over zichzelf om een respectabele kunstnota te produceren, waarin de noodzaak van kleine èn grote kunst dik wordt onderstreept. Musea en theaters worden gebouwd en verbouwd. Kranten verspreiden serieuze literatuur in oplages waarvan uitgevers vroeger alleen maar van konden dromen; ze verdienen er niets aan, aan al die Nobelprijswinnaars, maar ze worden tenminste eindelijk gelezen. De lezer van deze krant krijgt, tussen de dozen afgeprijsde wijn door, de ene na de andere kunstaanbieding voorgeschoteld, dans, toneel, boxen Wagner en Mahler en zelfs kunstvakanties in Italië, waarop ook nog flink aan filosofie wordt gedaan. De publieke omroep gooit het nieuwjaarsconcert van het Nederlands Blazersensemble er op primetime in. Het is al bijna weer tijd voor een echt boekenprogramma.

Het gaat goed, het gaat geweldig – maar het moet wel gezellig blijven. Nu de maatschappij zich weer zo innig over de kunst heeft ontfermd, wordt van de kunst ook verlangd dat ze zich een beetje gedraagt. Bij ontregelende kunst in de marge van de samenleving is dat niet zo’n probleem, die wordt voortaan gewoon genegeerd – wat niet scoort, maakt ook geen indruk. Maar als gevestigde kunst raar gaat doen, moet er hard worden ingegrepen. Je zag het aan de intendant van de Berlijnse opera, die Mozarts Idomeneo angstvallig afgelastte vanwege een onthoofde Mohammed, je ziet het aan de intendant van La Scala in Milaan, die Leonard Bernsteins Candide meteen na de première schrapte, omdat er op het podium dronken wereldleiders in zwembroek hadden rondgedanst, onder wie Silvio Berlusconi. Natuurlijk werd er in het laatste geval meteen gezegd dat de productie artistiek tekortschoot, wat gezien de regisseur – de briljante Canadees Robert Carsen – volslagen doorzichtig is. De intendant krabbelde na protesten terug, om het vervolgens nog erger te maken: samen met de regisseur wil hij de productie scène voor scène bekijken en de nodige veranderingen aanbrengen. Of Carsen daarmee akkoord gaat, doet er al niet meer toe: Berlusconi in zwembroek zien we niet meer terug.

Ach, Candide. De opera van Bernstein is een luchthartige versie van de satire van Voltaire uit 1759, waarin die afrekende met de zelfgenoegzaamheid van de gevestigde orde, en de gezapige aannames van de elite hard onderuit haalde. Het boekje werd al snel verboden; dat een operaversie die de angel tweehonderdvijftig jaar later weer terug in de satire brengt en het kwalijke optimisme van de coalition of the willing inzake Irak aan de kaak stelt, opnieuw verboden wordt, is een passend staaltje van Voltaireaanse ironie.

Ik word er ook vrolijk van. Juist nu de kunst mag bloeien in het domein van het veilige entertainment, kan ze iets van haar maatschappelijke betekenis terugwinnen, door van binnenuit te ontregelen, door onverhoeds te overrompelen, geheime sluipwegen te nemen. In een wereld die uiteengetrokken wordt door enerzijds een massale behoefte aan wezenloosheid en anderzijds een bijna even massale behoefte aan fundamentalisme, kan kunst weer worden wat ze zo lang niet geweest is: echt subversief.

    • Bas Heijne