Meer dan zuipende nonkels en bazige bomma’s www.nrc.nl/leesclub

In januari discussieert de Leesclub over ‘De helaasheid der dingen’ van Dimitri Verhulst. Zend uw bijdrage naar www.nrc.nl/leesclub

De helaasheid der dingen, het boek waarmee Dimitri Verhulst (Aalst 1972) voor de AKO-prijs werd genomineerd en dat in één jaar tijd veertien drukken beleefde, is opgedragen aan ene Windop en aan een overleden grootmoeder. Uit eerder werk van de gedreven Vlaming, met name zijn in 2004 gebundelde krantenstukken Dinsdagland, weten we dat ‘zotte Windop’ Verhulsts vader is, de man die in het shirt van de ontwenningskliniek De Pelgrim Belgisch kampioen tafeltennissen werd in de categorie verslaafden. De vader en de grootmoeder worden onder hun eigen namen opnieuw geportretteerd in dit boek, een verzameling jeugdherinneringen die zozeer met elkaar samenhangen dat we gerust van een roman kunnen spreken.

Naar aanleiding van Dinsdagland voorspelde Arjen Fortuin in deze krant dat Verhulst het in zich had ‘een roman te schrijven zoals een 21ste-eeuwse Louis Paul Boon dat zou doen’. Bij de verschijning van De helaasheid der dingen was het dan volgens hem zover en volgde de uitroeping van Verhulst en een aantal andere jonge Vlaamse schrijvers tot ‘waardige erfgenamen van Louis Paul Boon’.

Dit kwam Fortuin op een reprimande te staan van de Vlaamse criticus Frank Albers, die zich niet alleen afvroeg wat nu precies de connectie tussen auteurs als Verhulst en Louis Paul Boon is, maar ook voorstelde het werk van de nieuwe Vlaamse schrijvers op hun eigen merites te beoordelen. ‘Slagen deze schrijvers erin om romans te bedenken waarin de kleine geschiedenis van het individu en de grote Geschiedenis elkaar snijden en wederzijds verhelderen? Stellen ze belangwekkende ethische vraagstukken aan de orde? Getuigen ze van eruditie? Kom je er wel eens een interessant en interessant geformuleerd inzicht tegen?’

Eerlijk gezegd zie ik behalve het rauwe en voor Nederlandse oren tegelijk zangerige Vlaams waarvan Verhulst zich bedient weinig overeenkomsten met de onvergelijkbare experimenteerzucht van de onovertroffen Louis Paul Boon. Of het moest de locatie zijn van de roman, een godvergeten buitenwijk van Aalst. Maar in één adem suggereren, zoals Frank Albers deed, dat een boek als De helaasheid der dingen niet meer te bieden heeft dan plat vermaak, gespeend van ethische vraagstukken, eruditie en belangwekkende inzichten, doet de schrijver onrecht.

Verhulsts verhalen over een jeugd in het luizige dorp Reetveerdegem gaan over loyaliteit aan een clan, waarin de 13-jarige Dimitri zich alleen staande kan houden door zich er volledig mee te identificeren. Voortdurend heeft hij het over ‘wij’ als hij het gedrag beschrijft van de asociale Verhulsten die hun twijfelachtige familie-eer verdedigen tijdens dronken vechtpartijen.

De jongen groeit op tussen zijn liederlijke vader en drie zuipende ‘nonkels’ die niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien en daarom bij hun oude moeder – Dimitri’s grootmoeder Maria – zijn ingetrokken. In dit gore huishouden wordt voornamelijk gezopen, gerookt, gescheten en gekotst. Het kind moet overleven te midden van de zwijnenstal thuis en ‘op café’ met zijn vader en nonkels. Dit lijkt een folkloristisch gegeven, komedie in de trant van de familie Flodder, maar dat is zeker niet de inzet van Verhulst. Wat hij met grote precisie beschrijft, is het proces van onvoorwaardelijke binding aan een zelfdestructief, niet geïntegreerd milieu en de onmogelijkheid daar volledig mee te breken.

Dimitri gaat er vanuit dat de primitieve onaangepastheid van zijn clan de norm is. Vervuld van afschuw verhaalt hij over ‘ontwortelde families’, waarmee hij nieuwkomers bedoelt die villa’s laten bouwen in Reetveerdegem, terwijl ze geen enkele binding hebben met dat dorp. Verachtelijke parvenu’s vindt hij hen, die hun geld op de bank zetten in plaats van in één keer te verbrassen, bedenkelijk kijken wanneer ‘wij geheel traditioneel bezopen’ naar huis gaan, of angstig naar binnen hollen wanneer ‘wij onze overspelige vrouwen in het kruis trappen’.

In de roman wordt Dimitri door de jeugdzorg uit huis geplaatst. Twintig jaar later is hij een succesvol schrijver die met zijn 5-jarige, keurige opgevoede zoontje zijn ooms in Reetveerdegem bezoekt. Hij ontdekt dat hij niet meer bij hen hoort. ‘Wij’ is intussen ‘ik’ geworden. ‘Ik ben allang geen meer van hen’ constateert hij. En: ‘Afvalliger kan ik niet zijn’. Maar of dat alleen maar winst is, begint hij te betwijfelen. De dronken ooms blijken zijn zoontje meer liefde te geven dan waartoe hij, zelf inmiddels zo’n ontwortelde parvenu, in staat is. Met weemoed herdenkt hij zijn oma en vader die hem ondanks hun onmacht het gevoel gaven erbij te horen en welkom te zijn, beschermd tegen een vijandige wereld en toegerust met een afgebakende identiteit.

Met zijn in een meesterlijke stijl opgetekende uitzinnige drankverhalen heeft deze Jacques Brel van de Vlaamse literatuur, zoals Verhulst in België wel wordt genoemd, meer te bieden dan valse vertedering over ‘zuipende nonkels en bazige bomma’s’ waartoe Frank Albers De helaasheid der dingen ten onrechte reduceert.

    • Elsbeth Etty