Lege vitrines

Al een hele tijd hadden deze vitrines leeggestaan. Wat is ‘een hele tijd’? Een subjectief bepaalde periode waarvan je je het begin niet kunt herinneren. In dit geval kan het in de vorige eeuw zijn begonnen, of twee jaar geleden, maar in ieder geval niet gisteren. Ik bedoel de vitrines in het gebouw van de ABN Amro aan de Vijzelstraat in Amsterdam. Grote, langwerpige glazen bakken in de pilaren waarop de lange voorgevel steunt. Aan de ene kant heb je een overdekte galerij, aan de andere kant het asfalt van de straat. Kom je er met de tram langs, dan kun je goed zien wat erin staat of ligt.

Deze vitrines hadden sinds het gebouw in gebruik was genomen gediend om er kunst in te exposeren. Dat was begin jaren zeventig, de laatste stuiptrekkingen van de cityvorming, toen de grote banken nog dachten dat ze hun hoofdkantoor in het oude centrum moesten hebben. Het bleek dat de banken zich hadden vergist. De meeste zijn intussen naar de Zuidas verhuisd. Daar komen geen voorbijgangers. De vitrines van de ABN Amro verpieterden en bleven ten slotte leeg. Hetzelfde is min of meer het geval met de grote glazen bakken aan het einde van de Utrechtsestraat bij het Rembrandtplein in het bankgebouw dat al jaren leeg staat. Vanwege het Rembrandtjaar hangen er nog een paar afbeeldingen van meesterwerken. Die kunnen ook weg.

Maar nu, een paar weken geleden, werden aan de Vijzelstraat plotseling weer objecten vertoond, grote, lichtgroene zak-achtige dingen. Het maakte me nieuwsgierig. Waarschijnlijk een jonge kunstenaar die een nieuwe vorm had gevonden om te protesteren tegen de postmoderne consumptiemaatschappij. Ik ging kijken. Het bleken ‘studentenzakken’ te zijn, reclame of public relations, gericht op de studenten. Als je zo’n studentenzak hebt, is het vrijwel onvermijdelijk dat je een rekening bij de ABN Amro opent. Dat lijkt me de postmoderne gedachtengang.

Intussen is de openbare kunst in het gedrang geraakt. De vitrines boden de beste gelegenheid om je op de hoogte te stellen van wat kunstenaars hadden gepresteerd. Dat ging volkomen onopzettelijk. Je hoefde niet naar een museum, je liep ze in hun werk tegen het lijf. Stapels gekleurde blokken, eigenaardig gedrapeerd zeildoek, ingewikkelde installaties, deze vitrines kenden behalve de ruimtelijke beperkingen geen grenzen. De voorstellingen werden ook regelmatig ververst.

Eerst verdween de Heinekengalerij uit de Ferdinand Bolstraat. In 1992. Ik schreef er een stukje over, kreeg een brief van de kunstenaar Henk Hesselius die coördinator van de exposities was geweest. In de vitrinegalerie had hij steeds „aan elkaar tegengestelde kunstopvattingen” laten zien. „De educatieve uitstraling was enorm.” Toen sluiting dreigde had hij nog voorgesteld, aan de Stadhouderskade vitrines te maken, maar geen moedertjelief hielp.

Daarna waren de uitstallingen van de banken aan de beurt, en zo is de laatste gratis te bekijken beeldende kunst uit de stad verdwenen. Uitgezonderd de standbeelden natuurlijk. Op het Rembrandtplein hebben we de Nachtwacht in drie dimensies. Als ik een moderne bank was, zou ik met de gemeente in gesprek gaan over zo’n sculptuur van Vincent van Goghs Aardappeleters die dan als beeld in de buurt van zijn museum moet komen. Ik zie de duizenden Japanners, Duitsers, Amerikanen zich al aan die klassieke proletariërs vergapen. Voer eens een verkennend gesprek met de burgemeester. Het zou me niet verbazen als hij zo’n initiatief steunt.

Op het Rembrandtplein hebben we nu het grootste videoscherm van Europa dat de wachtende trampassagiers aan het verstand brengt hoe geweldig lekker Coca Cola is. Wordt ergens iets verbouwd, dan trekken de uitvoerders er een groot doek voor waarop een verjongende huidcrème wordt aangeprezen. Bankdirecties, doe er iets aan. Maak 2007 om te beginnen het jaar waarin weer kunst in de u resterende vitrines komt.

    • H.J.A. Hofland