Het spel dat dichten heet

Paul van Ostaijen: De Feesten van Angst en Pijn. Gedichten. Met een nawoord door Geert Buelens. Vantilt, 128 blz. € 24,90 Dankzij een facsimile meekijken met Paul van Ostayen

Paul van Ostaijen: De Feesten van Angst en Pijn. Gedichten. Met een nawoord door Geert Buelens.Vantilt, 128 blz. € 24,90

‘Niemand verstaat mij/ mijn spel is zo eenvoudig’ dichtte Van Ostaijen ergens in 1920. Hij was 24, zat eenzaam in Berlijn en werkte aan de bundel die De Feesten van Angst en Pijn zou heten. Inderdaad werden de avant-gardistische verzen daaruit niet direct ‘verstaan’.

In eerste instantie deed men de bundel af als ‘calligrafisch curiosium’. Vandaar dat De Feesten maar helemaal niet werd uitgegeven. Dat had er ook mee te maken dat het een kostbare onderneming zou zijn geworden – de jonge Vlaamse dichter had een manuscript afgeleverd in zeven kleuren inkt en een spectaculaire vormgeving. Het handschrift belandde op den duur in een archief, en pas nu, 85 jaar later, is er een eerste afzonderlijke facsimile-uitgave van gemaakt.

Het levert een heel intieme leeservaring op, die exacte weergave van het handschrift compleet met vetvlekken op de buitenkant en kleine potloodcorrecties binnenin. Alsof je samen met de dichter in zijn – ongetwijfeld koude kamertje – zit en over zijn schouder meekijkt terwijl hij werkt. Het is een gevoel waarvoor je gewoonlijk lang in een archief moet graven – het gevoel dezelfde pagina’s in handen te hebben als hij.

Van de weeromstuit ga je de bundel ook anders lezen. Niet alleen als een van de belangrijkste avant-gardistische werken die we hebben, maar ook als een persoonlijke zoektocht van een jonge man. Die in Berlijn, zoals Geert Buelens beschrijft in zijn nawoord bij De Feesten, zijn vrienden miste, geldgebrek had, zijn relatie zag mislukken en het geweld van de Eerste Wereldoorlog en de revolutie verwerkte. Die op papier lalt, huilt en bidt en vooral veel verlangt: naar vrouwen en erotiek maar tegelijk naar stilte en een mystiek ‘ontworden’. Die dat contrast vormgaf in taal, maar ook in zijn typografie en in rode, zwarte of purperen inkt. Want Van Ostaijen stond hier onder invloed van de schilders en dichters die hij had leren kennen in Berlijn, en hij bedreef voor het eerst ‘woordkunst’, waarbij hij de woorden ‘zichtbaar’ maakte door ze los op de pagina te plaatsen. Al het overbodige werd geschrapt.

In deze editie zie je de sporen van dat proces. Toen de dichter het manuscript in het net overschreef, in april 1921, kon hij het namelijk niet laten om af en toe nog een verbetering aan te brengen. Zo streepte hij met een potloodje ‘de’ door om van ‘Brak de violen’ te maken: ‘Brak Violen’. Zo zie je hoe eenvoudig het is, het spel dat dichten heet.