Haters van de euro kunnen niet goed rekenen

De ‘gevoelsinflatie’ van de Nederlander verwijst naar het prijspeil van de vroege jaren negentig. Daarmee wordt de euro onterecht zwartgemaakt, betoogt Alexander Otgaar.

Om te vieren dat we nu bijna vijf jaar met euro’s betalen, liet het NOS-journaal door Maurice de Hond onderzoeken wat de Nederlander van de euro vindt. Een van de bevindingen is ronduit schokkend: meer dan 60 procent van de bevolking zou het eens zijn met de stelling dat de euro nu ‘zo langzamerhand’ net zo veel waard is als een gulden eind 2001.

Dat betekent dat deze mensen denken dat de feitelijke inflatie in vijf jaar tijd meer dan 100 procent was, wat neerkomt op een jaarlijkse inflatie van minimaal 20 procent. In werkelijkheid daalde de inflatie juist van 4,5 procent in 2001 tot 1,7 procent in 2005. In totaal zijn de prijzen in vijf jaar tijd met nog geen tien procent gestegen. In de vijf jaar vóór de invoering van de euro nam de waarde van de gulden met bijna 15 procent af, maar daarover klaagde bijna niemand.

Er ontstaat steeds meer belangstelling voor het verschijnsel dat consumenten inflatie anders ervaren dan de kille cijfers stellen. Men spreekt dan over ‘gevoelsinflatie’: die wordt verklaard doordat producten waarmee men dagelijks te maken heeft meer in prijs stijgen dan producten die men minder frequent aanschaft. Kan de uitslag van de opiniepeiling van het NOS-journaal ook door ‘gevoelsinflatie’ verklaard worden? Zijn de dagelijkse producten duurder geworden?

Levensmiddelen zijn in de periode 2002-2006 nagenoeg in prijs gelijk gebleven, hoewel in het jaar vóór de invoering van de euro (2001) een stijging van 7 procent viel te noteren. Zelfs als je kijkt naar de benzineprijs (die niet wegens de euro, maar wegens de olieprijzen is gestegen), moeten we vaststellen dat die met nog geen 20 procent is toegenomen (van €1,14 naar €1,36). Hooguit zeer goedkope producten zijn met 100 procent gestegen: de toiletjuffrouw rekent nu opeens 25 eurocent, terwijl die eerst een kwartje vroeg.

Wat is toch de oorzaak van deze collectieve rekenfout? Mensen lijken het huidig prijspeil niet te vergelijken met dat van eind 2001, maar met dat van een flink aantal jaren daarvoor. „Ik weet nog goed dat een patatje mét een gulden kostte!” Ja, maar wanneer was dat? Niet eind 2001, nee zelfs niet eind 2000: daarvoor moeten we terug naar begin jaren negentig. Jarenlang was er inflatie zonder dat iemand zich daar om bekommerde. De euro heeft het inflatiebewustzijn aanmerkelijk vergroot.

Een andere verklaring voor de gevoelsinflatie is de wijze waarop de stelling in het onderzoek is geformuleerd: ‘langzamerhand is de euro net zoveel waard als de gulden destijds’. Dit is een ronduit tendentieuze wijze van formuleren waarbij de termen ‘langzamerhand’ en ‘destijds’ mensen op het verkeerde been zetten. ‘Destijds’ is dus niet eind 2001, maar wat langer geleden. En met ‘langzamerhand’ zeg je eigenlijk dat de euro op weg is naar die waarde. Tja, dat is de euro per definitie (inflatie is een feit). Toch zal het nog even duren voordat we kunnen zeggen dat de euro net zo veel waard is als een gulden eind 2001.

Drs. Alexander H.J. Otgaar is wetenschappelijk onderzoeker Stedelijke Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

    • Alexander Otgaar