Follow the money

De directeuren van het Stedelijk in Amsterdam en het Haags Gemeentemuseum tonen met persoonlijke tentoonstellingen wat hun visie op de toekomst van de kunst is.

The Neighbour’ van Marlene Dumas (2005). Te zien op de expositie ‘Below the Surface in het Stedelijk, Amsterdam.

Het opmerkelijkste werk op de tentoonstelling Juist in Time! in het Stedelijk Museum in Amsterdam is de korte film Reposition I van Maria Barnas. We zien delen, plafonds, wanden, lampen van het Wibauthuis, een tien verdiepingen hoge kantoorkolos in Amsterdam-Oost. Sinds architect Norbert Gawronski het gebouw in 1968 opleverde groeide het langzaam uit tot een gehaat pand – in de top tien van verafschuwde gebouwen eindigt het steevast bovenaan. Barnas’ statement is simpel: tegen de achtergrond van beelden van het Huis laat ze Gawronski vertellen over de verheven idealen die hem bij de bouw voor ogen stonden: heldere lijnen, primaire kleuren. Daar was vanaf het begin weinig begrip voor: al bij de presentatie werd Gawronski naar eigen zeggen ‘bijna gelynched’ door de ‘rude en ignorant’ buurtbewoners. Het is een ontluisterend filmpje, vooral omdat Gawronski’s hardnekkige idealisme gepaard gaat met boosheid op de botte buitenwereld en het vage besef dat die wereld zo groot is dat zijn stelligheid op de grens van het potsierlijke balanceert. Don Quichot in Amsterdam.

Intrigerend genoeg verbeeldt Reposition I tegelijk iets heel anders: de discussie die op dit moment gaande is in de Nederlandse museumwereld. Die discussie begon met een boze brief, enkele maanden geleden, van zeven museumdirecteuren, die de Mondriaanstichting verweten een te sturend en te eigenzinnig beleid te voeren. Al snel bleek dat daarachter een structureel meningsverschil schuilging tussen kunstbestuurders van verschillende generaties: aan de ene kant de ouderen van het zogenaamde miniconvent (onder wie Wim van Krimpen van het Gemeentemuseum Den Haag, Gijs van Tuyl van het Stedelijk en Sjarel Ex van Museum Boijmans) en daar tegenover jongeren als Mondriaanstichtingdirecteur Gitta Luiten, Stijn Huijts van het Domein in Sittard en Roel Arkesteijn van het GEM in Den Haag. Het leek een klassiek generatieconflict, maar al snel werd duidelijk dat er op de achtergrond ook een inhoudelijke discussie sluimerde. Hoe moeten musea hun geld besteden? Hoe gaan ze om met de toenemende macht van de markt? En vooral: is het geen tijd dat musea een inhoudelijk standpunt, zowel artistiek als museaal, formuleren tegenover al die veranderende omstandigheden in de kunst?

Het komt in die zin goed uit dat er op dit moment drie exposities zijn te zien waarin twee van de betrokken museumdirecteuren tonen wat ze van de toekomst verwachten. Allereerst komt het Gemeentemuseum Den Haag met i.p.v. Mashkov, een tentoonstelling waarop Wim van Krimpen een overzicht geeft van zijn aankopen van de laatste vijf jaar. Tegelijk toont het Stedelijk Museum in Amsterdam Below the Surface, een expositie van de belangrijkste aankopen van nieuwe directeur Gijs van Tuyl en Juist in Time, de tentoonstelling waarop de (door een commissie uitgekozen) werken worden getoond waaruit Van Tuyl een keuze mag maken met geld uit het potje Gemeentelijke Kunstaankopen.

Als deze tentoonstellingen

één ding duidelijk maken, dan is het hoezeer de musea op dit moment zitten opgezadeld met een verwrongen toekomstperspectief. De wereld staat er somber bij, de maatschappij vraagt steeds meer van de kunst, maar waar het hun verzameling betreft zijn musea bijna gedwongen een optimistische kijk op de toekomst te ventileren: ze moeten altijd op zoek naar nieuwer, en beter. Het is een vorm van optimisme waarbij geen ruimte is voor een notie van falen: musea kunnen niet zeggen dat ze de kunst van het moment niet goed genoeg vinden of dat ze andere ambities hebben. Ze moeten de kunst aankopen die het gezicht van de tijd bepaalt; tegelijk wordt van ze verwacht dat ze, juist nu hun aankoopbudgetten krimpen, de grote namen van de toekomst zo vroeg mogelijk aan hun collectie toevoegen. Maar hoe zoek je die talenten als stromingen en avant-gardes nauwelijks meer bestaan en inhoudelijke kwaliteitscriteria vager worden? Wie bepaalt er eigenlijk wie de grote namen worden? Zijn dat de (grote buitenlandse) musea? De curatoren en tentoonstellingsmakers? Of bepaalt vooral de markt in toenemende mate het belang van een kunstenaar? Als het laatste waar is (en daar begint het steeds meer op te lijken) kost het laat onderkennen van toonaangevend talent een museum niet alleen prestige maar vooral geld. Veel geld. En daarvan is er al zo weinig, in Nederlandse musea.

Veelzeggend voor het toenemende belang dat musea aan geld hechten is al dat het Haags Gemeentemuseum het op i.p.v. Mashkov ongegeneerd als aanleiding neemt. De expositie is opgehangen aan het feit dat het museum in 2005 ineens een forse meevaller had. Nadat het had besloten enkele ‘incourante stukken’ te verkopen, bleek tussen deze werken een doek van de Russische expressionist Ilya Mashkov te zitten, die, zonder dat iemand in het Den Haag of de rest van Nederland het wist, onder nieuwe rijken in Rusland enorm populair was geworden – op een veiling in Londen bracht het doek zomaar 3,3 miljoen euro op. Ineens konden Van Krimpen en zijn staf ongegeneerd shoppen.

Dat klinkt mooi, maar het vervelende is dat die rijkdom op i.p.v. Mashkov vooral duidelijk maakt dat het Haags niet goed wist wat ze met het geld aan moesten. Of preciezer: de overvloed aan aankopen maakt vooral duidelijk dat het museum een inhoudelijke visie ontbeert. Dat begint er mee dat Van Krimpen expliciet weigerde film- en videokunst aan te kopen (op een matig beeld van Nam June Paik na en een installatie van de pas afgestudeerde Joanna Gruzlewska). Dat klinkt misschien eigenzinnig, maar wie op i.p.v. Mashkov rondloopt, merk meteen dat goede, eigenzinnige videokunst node wordt gemist – het geheel voelt aan alsof de toeschouwer jaren in de tijd wordt teruggeworpen. Toch durft Van Krimpen daar geen statement van te maken: hij legt wel degelijk een claim op de toekomst door onbekende buitenlandse kunstenaars aan te kopen als Sebastian Gögel, Leopold Rabus en Mark Licari, ongetwijfeld in de hoop grote namen vroeg te hebben ontdekt. Die kans lijkt me niet erg groot. Op Gögel na overtuigen ze zo weinig en lijken ze zozeer uit persoonlijke voorkeuren voort te komen dat je vermoedt dat ze na Van Krimpens directoraat de kelder nog maar zelden zullen verlaten.

Ook voor het overige overheerst op i.p.v. Mashkov een typisch Van Krimpiaans cynisme. Er wordt vooral ingekocht in de geest van het verleden. Volgens een tekst op de wand is er bij de aankopen, in de traditie van de collectie, speciale aandacht besteedt aan het minimalisme en het expressionisme. Dat leidt enerzijds tot de aankoop van een mooie, vroege driedimensionale Frank Stella (Uzlany II, 1973) maar ook tot een rampzalige Imi Knoebel, een tweederangs ‘minimalist’ die onder Nederlandse museumdirecteuren een raadselachtige populariteit geniet. Tegelijk houdt Van Krimpen het simpel door zo ongeveer iedere schilder die niet louter rechte strepen op doek zet tot expressionist uit te roepen, inclusief, bijvoorbeeld, Robert Zandvliet en Rob Birza. Het gevolg van die visieloosheid is dat de oude gaten in de collectie nu voor veel geld worden opgevuld (naast Stella met dure, maar matige aankopen van onder anderen Markus Lüpertz en Andy Warhol) maar tegelijk de gaten voor de toekomst al worden geslagen.

Aan de andere kant

van het toekomstspectrum staat Just in Time! in het Stedelijk. Hier zien we de kunstenaars die nog maar net van de academie komen, maar nu al in de context van een museum als het Stedelijk mogen meedraaien. Het intrigerende aan die opzet is dat er net zozeer een niet-inhoudelijke filosofie aan te grondslag ligt als aan het aankoopbeleid van Van Krimpen: hier wordt niet het verleden, maar de jeugd bezongen. De samenstellers van Just in Time! lijken daarbij niet te beseffen dat het verlangen naar jeugd een van de laatste bastions van het vergane avant-garde-denken is: als we niet meer op nieuwe stromingen of nieuwe ideeën kunnen rekenen, luidt de impliciete redenering, dan kiezen we gewoon nieuwe kunstenaars. Dat is in zekere zin even cynisch als kunsthistorisch verantwoord terugkijken. Hoop, jeugd en toekomst zijn dan wel optimistische criteria, inhoudelijk zijn ze niet.

Dat probleem wordt op Just in Time! versterkt doordat de kunstenaars er nauwelijks in slagen nieuwe verhoudingen tot de kunst of de wereld te ontwikkelen. De meeste lijken met hun uitverkiezing dan ook niet te worden beloond voor het werk dat ze laten zien, maar voor de weidsheid van hun toekomstvisie. In de praktijk betekent dat vooral dat hun werken beeldend zwak zijn en dat die omissie wordt gecompenseerd door lange lappen tekst die deze onmacht moet verhullen. Natuurlijk, de stelligheid en de grootste gebaren van bijvoorbeeld Adam Avikainen, Lonnie van Brummelen & Siebren de Haan, Mariana Castillo Deball en Falke Pisano wekken verwachtingen, maar als ik Gijs van Tuyl-met-geldbuidel was zou ik me op Just in Time! voelen als een voetbalscout die uit een groep achtjarige pupillen de nieuwe Ronaldinho moet uitzoeken: te veel variabelen en onzekerheden voor een zinnige keuze. Daardoor moet het voor Van Tuyl verleidelijk worden om terug te vallen op de bekendste namen: Germaine Kruip bijvoorbeeld, die een wisselvallig maar eigenzinnig oeuvre aan het opbouwen is, of Mark Manders, als beelden- en installatiemaker een van de beste kunstenaars van Nederland, maar wiens project op Just in Time! (een reeks zelfgemaakte kranten) nu net niet erg overtuigt. En Reposition I van Maria Barnas natuurlijk, al was het maar om het groot te projecteren bij al die toekomstige Gemeentelijke Aankooptentoonstellingen.

Toch is er hoop dat Van Tuyl zinnig met deze keuze zal omgaan, want zijn ‘persoonlijke’ Below the Surface is zonder twijfel de beste ‘verantwoordingstentoonstelling’ van de drie. Na een wat moeizaam begin in Amsterdam (zijn eerste zomeropstelling Bock mit Inhalt was een kleine ramp) begint Van Tuyl zijn draai te vinden, al is dat geen draai waar iedereen blij mee zal zijn. Below the Surface is geen spectaculaire tentoonstelling, er spreekt weinig jeugdig elan uit, maar daar staat tegenover dat het na i.p.v. Mashkov en Just in Time! een verademing is om zoveel goede kunstwerken bij elkaar te zien. De afgelopen jaren kocht Van Tuyl onder andere werken van de internationaal geroemde Belgische Mexicaan Francis Alÿs en de Duitse schilder Eberhard Havekost, een indringende en vervreemdende installatie van Aernout Mik en twee geweldige foto’s van Thomas Ruff. Ruff, een van de belangrijkste hedendaagse voorlopers van de huidige fotografiegolf en invloedrijk docent op de kunstacademie van Düsseldorf, is sinds enkele jaren gestopt met zelf fotograferen. Hij plukt louter nog foto’s van het internet; die beelden vergroot hij zover uit dat ze verdrinken in hun eigen pixels – waar je als toeschouwer ook staat, het lukt je niet volledig grip op ze te krijgen. Dat geldt het sterkst voor jpeg ny06, een stadsgezicht waarvan je blijft twijfelen of het nu New York op 9/11 is. Wat men ook van Ruffs carrièrekeuze moge vinden, dit zijn duidelijk belangrijke werken: een fundamenteel inhoudelijk commentaar op de ontwikkelingen van de fotografie van een van de belangrijkste fotografen van het moment. Het maakt de Ruffs meteen tot goede aankopen – en nog lekker op tijd ook.

Met het aankopen van namen als Ruff, Havekost en Alÿs lijkt Van Tuyl, jarenlang directeur van het Kunstmuseum in Wolfsburg, een nieuw realisme te vertegenwoordigen in het Stedelijk. Hij haakt aan bij de kunstenaars die door het internationale circuit van buitenlandse musea, galerieën en verzamelaars worden gekoesterd, waarbij hij zonder gêne het credo follow the money hanteert – wat steeds meer het nieuwe credo van de hele kunstwereld lijkt te worden. Daarmee kan Van Tuyl zelfs de aankopen verantwoorden die in de Stedelijk-collectie op het eerste gezicht Fremdkörper lijken (Mike Kelley, Philip Lorca diCorcia) of nog niet volledig te overtuigen (Thomas Scheibitz): alledrie zijn in het buitenland zo populair dat het goede ‘investeringen’ zijn. Daarom ook, baart Van Tuyls beleid minder zorgen dan dat van Van Krimpen: Van Tuyls credo lijkt realistischer en gefundeerder.

Natuurlijk zullen er ooit werken uit Below the Surface in de kelder verdwijnen om er zelden meer uit te komen, maar het is veelzeggend dat het nu moeilijk te voorspellen is welke dat zullen zijn. Tegelijk is duidelijk dat minstens een Van Tuyl-aankoop nog heel vaak geëxposeerd zal worden: het schilderij The Neighbour (2005) van Marlene Dumas, waarop Dumas haar versie geeft van het gezicht van Theo van Gogh-moordenaar Mohammed B.. The Neighbour is een instant-klassieker: een goed schilderij van een belangrijke kunstenaar op het juiste moment – de criteria liggen zo voor de hand dat het bijna slaapverwekkend is. In deze tijden van inhoudelijke verwarring en artistieke generatieconflicten is het verheugend dat het Stedelijk dat verwijt heeft genegeerd en The Neighbour gewoon heeft aangeschaft. Je zou willen dat meer musea zo ‘voorspelbaar’ durfden te zijn.

‘Just in Time!’ en ‘Below the Surface’, resp. t/m 11/3 en 18/2 in het Stedelijk Museum, Oosterdokskade 5, Amsterdam. Dag. 10-18u. Inl. www.stedelijk.nl. ‘i.p.v. Mashkov’, t/m 25/3 in het Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Di. t/m zo 11-17u. Inl. www.gemeentemuseum.nl

    • Hans den Hartog Jager