Finse magie ontaardt snel in Efteling-kitsch

Akseli Gallen-Kallela: Ad Astra (Olieverf op doek, 1894)

Tentoonstelling: Akseli Gallen-Kallela. De magie van Finland. T/m 15/4 in het Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Inl: www.groningermuseum.nl

Het is jammer dat de fikse overzichtstentoonstelling van de Finse schilder Akseli Gallen-Kallela (1865-1931) in het Groninger Museum een beetje is ingericht als een kunstbeurs. In zalen met steeds anders gekleurde vloeren, muren en plafonds wordt elk doek door een felle spot uit de schemering getrokken. Dat doet de schilderijen geen goed: niet alleen omdat er storende schaduwen in het verfoppervlak en felle reflecties in de lijsten ontstaan, maar ook omdat ze door die presentatie iets ordinairs krijgen. Iets kitscherigs. En er is toch al niet zo veel kwade wil voor nodig om Kallela’s geschilderde Finse volksverhalen met de Efteling in verband te brengen. In het donkere huisje van de nettenmaker Sauna-Juonas zouden ook de zeven geitjes kunnen wonen en hij zelf doet met zijn pluizige zwarte baard en zijn ogen van ijskristal denken aan een trol. De tovenaar Väinämöinen uit de Kalevala, het nationale epos, ziet er op een geschilderde kopstudie uit als een verongelijkte Sinterklaas: lange witte opplakbaard, rood mutsje, sjacherijnige blik.

In het drieluik De mythe van Aino (1888-1889) wordt diezelfde tovenaar afgewezen door de mooie jonge Aino. Om aan het huwelijk te ontkomen duikt zij onder, letterlijk, als waternimf. Op het middelste schilderij zien we Väinämöinen in een bootje op een meer dobberen. De grote vis die hem zojuist ontglipt is, blijkt eenmaal buiten zijn bereik ineens Aino te zijn. Misschien dat Tolkien-lezers zich erdoor laten meeslepen, maar mij overtuigt zo’n schilderij niet. Ook al omdat de compositie rammelt. Het water om Aino heen ziet er van een afstandje wel nat uit, maar het meisje wordt door een andere zon beschenen dan de tovenaar: zij baadt in zacht ochtendlicht, hij in de felle avondzon. Man en meisje kloppen afzonderlijk, maar maken samen een bedachte indruk.

Cerebraal zijn ook de schilderijen waartoe Kallela zich niet door het nationale epos, maar door de mystiek liet inspireren. Ad Astra (1894) bijvoorbeeld, een altaarachtige voorstelling van een naakt meisje dat met opgeheven handen voor een gouden zon staat.

Gelukkig schilderde Kallela ook prozaïscher motieven. In 1884 legde hij de gezellige rommel in zijn Parijse studentenkamer vast, in 1920 het licht dat via de eetkamer de gang van zijn Finse atelierwoning binnenviel. Naast mythologische figuren schilderde hij ook echte mensen, zoals het dienstmeisje dat hem in Parijs elke ochtend koffie bracht, de metselaar die zijn haard repareerde en de componist Robert Kajanus, van wie hij in 1906 een indringend portret maakte.

Bovenal liet hij zich steeds weer verrassen en meeslepen door het Finse landschap. In de laatste zaal in Groningen hangen zijn schilderijen van koude bergmeren onder stapelwolken en rotsen in de sneeuw. In de schaduw is die sneeuw grijs of blauw, in de zon zo wit dat ze pijn moet hebben gedaan aan zijn ogen. Hier heeft Kallela geen tovenaars en nymfen nodig. Hij maakt zijn schilderij van licht, schaduw, steen en sneeuw.

Het contrast met zijn Afrikaanse reisschetsen (1909/1910) in dezelfde zaal lijkt misschien groot, maar ook dat zijn impressies, geen bedenksels. De indrukwekkendste is een aquarel van een donkere savanne onder een avondlucht. Op een berghelling in de verte ligt een brandende ketting: dat zijn de kampvuren van de safari van Theodore Roosevelt. Stel je voor. Een Finse schilder in Brits Oost-Afrika ziet ’s nachts de lichtjes van de Amerikaanse oud-president en zijn gevolg. Akseli Gallen-Kallela kon dus best verhalen vertellen, zolang hij ze maar gezien had, en niet verzonnen.