De taal gaat aan de haal

Met een passieve houding komt de lezer niet ver in de gedichten van Saskia de Jong. De lezer moet terugschrijven, om haar fascinerende nieuwe bundel werkelijk tot zich door te laten dringen.

Saskia de Jong Foto Sanne Peper Peper, Sanne

Saskia de Jong: Resistent. Gedichten. Prometheus, 48 blz. € 15,–

Je hebt zo’n spelletje dat je moet schrijven zonder na te denken. En dan bedoel ik niet dat wat journalisten en columnisten beroepshalve doen, maar schrijven onder volledige uitbanning van elke vorm van bewuste reflectie. Écriture automatique heet dat. Het is nog best moeilijk. Elke dichter heeft het wel eens geprobeerd. Wanneer het lukt, wordt je pen gestuurd door louter onbewuste associaties en verbanden die door de taal zelf worden gesuggereerd. Dan roept het ene woord het andere op zonder dat de dichter op enige manier intervenieert. Het is een magisch procedé, dat uiteraard meestal leidt tot volslagen onbegrijpelijke wartaal. Maar soms lukt het. Bij sommige grote dichters heb je vaak het idee dat de taal zelf de regie voert over het gedicht, niet de ratio van de dichter. Bij Lucebert krijg je vaak dat idee. En hetzelfde idee kreeg ik ook bij sommige gedichten in Resistent, de tweede bundel van Saskia de Jong.

niet langer schreeuwen de bomen om

hout houvast schor is hun schors

met de lassen van water, de nerven van lucht

het groeit en het bloeit en is antidood

Je zou je goed kunnen voorstellen hoe ‘bomen’ ‘hout’ oproepen en ‘hout’ ‘houvast’, hoe ‘schreeuwen’ de associatie oproept met ‘schor’ en hoe ‘schor’ zichzelf omtovert in ‘schors’, hoe ‘langer’ of ‘vast’ leidt tot ‘lassen’ en hoe ‘lassen’ bijna de ‘plassen’ zijn van het ‘water’. Je ziet in deze strofe ook wat de voordelen zijn van deze associatieve techniek. Wanneer je je gedicht laat leiden door associaties en echo’s van klanken, krijg je alle associatieve verbanden en klankeffecten die zo belangrijk zijn voor poëzie helemaal gratis cadeau. In een essay in De Volksverheffing, jaarboek voor poëzie 2006, formuleert De Jong zelf dit als volgt: ‘Niet de dichter kiest de taal. Of anders — heideggeriaans — uitgedrukt: een gedicht laat zich schrijven, de taal schrijft het gedicht, de taal gebruikt de schrijver, en de lezer schrijft terug.’ En toch is deze strofe natuurlijk niet in een proces van écriture automatique tot stand gekomen, dat weet ik ook wel. Daarvoor betekent het te veel. Daarvoor is het te precies wat er wordt geformuleerd. In deze combinatie van strakke regie en de moed om de taal zelf het werk te laten doen, ligt een groot deel van de kracht van Saskia de Jongs poëzie.

Zij debuteerde in 2004 met de bundel Zoekt vaas, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe poëzie. Het was een kleine, weerbarstige bundel waar ik in die tijd veel moeite mee had zoals met alle goede poëzie. Fascinatie ligt altijd in het ongrijpbare. Ook Resistent is in deze zin een fascinerende bundel. Net zoals bij haar debuut is het in deze bundel niet alleen zo dat de taal de dichter gebruikt, maar ook dat er als lezer wel degelijk van je wordt verwacht dat je terugschrijft. De gedichten zijn open en meerduidig. Ze stellen eerder vragen dan dat ze stellingen poneren. Ze zijn als een speeltuin waarin alle glimmende, kleurige speelapparaten uitnodigend staan te glunderen en pas werkelijk betekenis krijgen wanneer je erop springt. De gedichten verwachten van de lezer dat hij aan boord springt en meespeelt. Met passief staan te kijken en wachten tot het vanzelf gaat schommelen kom je er niet.

in der minne was er de monding

vol honing nu eenmaal en één maal eer

er waren slangen onschuldig, wieg veel slangen

veel slangen ook ratten zullen ergens voor staan

de appel was de oer en mettertijd de vreemde

kwam het snakken naar een kruisbestuiving

hoe zou het vergaan en in wat voor weer

weer een naakte vrouw

waste de man rechtstreeks naar haar

gestuurd door de natuur zij wikte

of verblikte niet het roet van een volgende

morgen opnieuw bevolking

die de hersenen uitslaat en stormenderhand inslaat

en de anderen sloegen of wasten de anderen

dit kwam goed, in het gunstigste geval

echter we vallen vaak

Dit is het gedicht ‘Geen gekke ondergang, ofwel: de erfflater uit de tijd van de blanke aarde.’ Het is niet bepaald een gedicht waarin ons een eenduidige boodschap wordt ingewreven. Toch snappen we wel waar het over gaat, in grote lijnen. Het gaat weer eens over de liefde, want er staat natuurlijk niet voor niets ‘in der minne’ aan het begin. Verder zijn er appels en slangen aanwezig en een naakte vrouw. We zijn nog net bijbels genoeg geschoold om de verwijzing naar de zondeval de herkennen. En dan, precies op het moment dat wij tevreden achterover leunen omdat wij het gedicht met onze belezenheid een beetje onder controle hebben gebracht, begint het te wringen en op verschillende onverwachte plaatsen op te lichten. Want als we dan toch aan de bijbel denken, dan herinneren we ons ook dat in den beginne het woord was. Dan zien we dat de opening van dit gedicht een zinnelijke variatie hierop is. Het woord, dat de dichter toch zo dierbaar zou moeten zijn, is in de liefde verstomd tot een mond. En zelfs de mond is veranderd in een monding vol honing. En is dat het begin? Het begin van een eeuwig voortaan? De woorden ‘nu eenmaal en één maal eer’ lijken dat precies te willen betwijfelen. En is het het paradijs? De slang ligt al gelijk op de loer. Maar de slang is onschuldig. Dus hebben we het dan allemaal aan onszelf te wijten?

We zijn nog maar pas in de derde regel, maar hebben ons meer vragen gesteld over de aard van de liefde dan goed voor ons is. De vraag of de liefde ‘nu eenmaal’ is, of ‘één maal’ wordt in het midden van het gedicht opgepakt met het effectieve ‘weer // weer,’ waar de betekenis in de witregel verschiet van weersgesteldheid naar herhaling. Zowel de weersgesteldheid als de herhaling komen terug in ‘een volgende / morgen’ en in ‘stormenderhand’. Maar er staat niet voor niets een hand in de stormbeschrijving. Het is de hand die slaat in de omringende regels. Het is de hand die ook wassen kan. Het is de hand van God. Of is het de hand van de geliefde? Is er überhaupt een verschil? En is het dan soms de hand van de geliefde die ons met een vlammend zwaard uit het paradijs verdrijft? En gebeurt dit ‘nu eenmaal’ of slechts ‘één maal’ of ‘weer’? En komt het dan allemaal nog wel goed? De subliem wrange slotregels troosten ons met de verzekering dat het ‘in het gunstigste geval’ zeker goed zal komen. Maar is dit het gunstigste geval? ‘Echter we vallen vaak.’ De zondeval is niet eenmalig maar herhaalt zich keer op keer. Dus kennelijk is het niet het gunstigste geval. Integendeel zou je bijna zeggen. Dus komt het niet goed.

En daarom is dit zulke goede spannende poëzie. Hoe meer je bereid bent te verdwalen in het gedicht, hoe meer verbanden en associaties opdoemen en hoe meer betekenis oplicht. Maar het zijn dwaallichten die glimmen. Het gedicht laat zich niet kraken als een cryptogram, het kraakt jou, door vragen te stellen en je van het juiste pad af te helpen.

    • Ilja Leonard Pfeijffer