‘De synthesizer vond ik schokkend’

Bij De Nederlandse Opera voltooit Kees Hüllsman met het Nederland Kamerorkest dit weekend de Mozart/Da Ponte-cyclus – met 30 voorstellingen van drie opera’s binnen 53 dagen een productie van recordgrootte.

Kees Hülsmann foto Marco Borggreve Borggreve, Marco

Vanaf half november zat u bijna elke avond in de orkestbak. Blij dat het er op zit?

„Ik vind het eerder jammer. De voorstellingen zelf zijn zwaar, ik heb de hele dag erna nodig om na te schokken en te pruttelen en me voor te bereiden op de volgende. Dertig keer dezelfde opera zou een slijtagegevoel kunnen geven. Maar de afwisseling van Così fan tutte, Don Giovanni en Le nozze di Figaro is als speler extreem aantrekkelijk.”

U bent concertmeester van het Rotterdams Philharmonisch, niet van het Nederlands Kamerorkest. Hoe zit dat?

„Ik houd nogal van Mozart. Om die reden heb ik een paar jaar geleden met het Kamerorkest meegespeeld in Lucio Silla. Chef-dirigent Ingo Metzmacher van De Nederlandse Opera vroeg me toen of ik ook aan de Da Ponte-cyclus wilde meewerken. Ik doe veel Mozart op oude instrumenten, dat speelde mee. Men wilde zien hoe ver we met het Nederlands Kamerorkest konden komen in het ontwikkelen van een authentieke benadering. Dat viel niet altijd mee, want de hele speelwijze van het orkest moest worden aangepast. Met klassieke strijkstokken, een scherpere articulatie, een slanker geluid en een speelwijze zonder vibrato.”

Hoe beviel dat?

„Aanvankelijk vonden niet alle musici die benadering nodig, maar inmiddels zijn veel mensen om. Zelf vind ik het jammer dat het überhaupt een smaakkwestie is. De verworvenheden van de authentieke uitvoeringspraktijk zijn de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek. Het is onze plicht die toe te passen, om zo de bedoelingen van de componist zo dicht mogelijk te benaderen. Tot zekere hoogte is dat wel gelukt. Er zijn goede momenten geweest.”

En mindere. De cyclus begon orkestraal ietwat rammelend, vond ik.

„We moesten alles vanaf de grond opbouwen, om zo tot een nieuwe klank te komen. Daar kwam bij dat de strijkersgroep steeds in beweging was; alleen de aanvoerders van de strijkers en de blazers speelden alle voorstellingen. Het gaat nu beter. Maar er zijn dingen waar ik nog steeds niet gelukkig mee ben.”

Zoals?

„Dirigent Metzmacher heeft goede ideeën over Mozart, maar zijn keuze de recitatieven in Le nozze di Figaro te begeleiden op synthesizer vond ik schokkend. Ik heb hem bezworen dat ding niet tevoorschijn te toveren. Maar helaas. Daarin is hij naar mijn smaak te ver is doorgeschoten in zijn concessies aan het artistieke concept.”

Hoe oordeelt u, vanuit de orkestbak, over de trilogie als geheel?

„De enscenering van Don Giovanni is me te banaal. De muziek gaat daar dieper dan wat je ziet. Muzikaal gezien waren dit vooral lastige producties. Don Giovanni zit vol matrassen en gordijnen, die absorberen het geluid. Figaro klinkt juist heel metalig. Così werkt het best, omdat het enorme toneel daar is opgedeeld in drie taartpunten. Die reflecteren de klank beter. Voor de hightech productie van Wagners Der Ring des Nibelungen was Het Muziektheater perfect. Maar voor Mozart? Dat is opera voor een andere tijd, een andere schaal. Men had kunnen uitwijken naar een kleinere zaal. De zaalversterking die in Het Muziektheater aanwezig is om de akoestiek te helpen, werd regelmatig bijgesteld. Daar moet het orkest zich weer op instellen. Ik kan me voorstellen dat De Nederlandse Opera zal evalueren wat er moet worden verbeterd.”

Laatste reeks voorstellingen: 6, 7 en 8/1 Muziektheater, A’dam. Zie ook: www.mozartdaponte.nl